7 Controleer jezelf hoofdstuk 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/71

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:08 AM on 9/23/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

72 Terms

1
New cards

Waar ontstond Homo sapiens?

In Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden.

2
New cards

Waarom verspreidden mensen zich over de wereld?

Onder andere op zoek naar voedsel, water en nieuwe leefgebieden.

3
New cards

Welke manier van leven hadden jagers-verzamelaars?

Ze jaagden, visten en verzamelden voedsel uit de natuur.

4
New cards

Wat betekent nomadisch?

Dat mensen regelmatig van plaats naar plaats trekken.

5
New cards

Waarom hadden jagers-verzamelaars weinig bezit?

Omdat ze rondtrokken en hun spullen moesten kunnen meenemen.

6
New cards

Wanneer ontstond de landbouw ongeveer?

Rond 10.000 v.C.

7
New cards

Waar ontstond landbouw als eerste?

In het Midden-Oosten, vooral in de Vruchtbare Halve Maan.

8
New cards

Waarom ontstond landbouw?

Onder andere door een warmer en stabieler klimaat en doordat mensen planten en dieren leerden verbouwen en temmen.

9
New cards

Wat was een belangrijk gevolg van landbouw?

Mensen konden voedsel produceren en voedseloverschotten creëren.

10
New cards

Wat was een sociaal gevolg van de agrarische revolutie?

Er ontstonden grotere bevolkingsgroepen en meer sociale ongelijkheid.

11
New cards

Wat was een economisch gevolg van de agrarische revolutie?

Er ontstonden voedseloverschotten en arbeidsverdeling/specialisatie.

12
New cards

Wat was een politiek gevolg van de agrarische revolutie?

Er ontstonden bestuurders, belastingen en uiteindelijk staten.

13
New cards

Wat was een cultureel gevolg van de agrarische revolutie?

Mensen gingen permanent wonen en ontwikkelden nieuwe religieuze en culturele tradities.

14
New cards

Wat is een imperium?

Een groot rijk waarin één staat meerdere volken en gebieden overheerst.

15
New cards

Hoe ontstonden imperiums?

Door sterke staten, legers, veroveringen, belastingen en centraal bestuur.

16
New cards

Noem drie manieren waarop culturen tussen 3000 en 300 v.C. contact konden hebben.

Handel, oorlog/verovering en migratie/reizen.

17
New cards

Wat is een monarchie?

Een bestuursvorm waarbij één persoon, meestal een koning of koningin, de macht heeft.

18
New cards

Wat is een aristocratie?

Een bestuursvorm waarbij een kleine groep rijke of machtige families de macht heeft.

19
New cards

Wat is de Atheense democratie?

Een directe democratie waarin burgers rechtstreeks aan het bestuur konden deelnemen.

20
New cards

Wie mochten in Athene deelnemen aan de democratie?

Alleen vrije volwassen mannen met burgerrecht.

21
New cards

Waarom waren de Grieken belangrijk voor wetenschap en filosofie?

Ze probeerden verschijnselen logisch en rationeel te verklaren en ontwikkelden kennis in onder andere filosofie, wiskunde en natuurwetenschappen.

22
New cards

Wie waren Socrates, Plato en Aristoteles?

Belangrijke Griekse filosofen die grote invloed hadden op het westerse denken.

23
New cards

Hoe ontstond het kastenstelsel in India?

De Indiase samenleving werd verdeeld in sociale groepen waarin mensen door hun geboorte een bepaalde positie kregen.

24
New cards

Wat waren de vier belangrijkste varna's?

Brahmanen, ksatriya's, vaisya's en sudra's.

25
New cards

Wat waren brahmanen?

Priesters.

26
New cards

Wat waren ksatriya's?

Krijgers en bestuurders.

27
New cards

Wat waren vaisya's?

Boeren en handelaren.

28
New cards

Wat waren sudra's?

Arbeiders en dienaren.

29
New cards

Wat is karma?

Het idee dat je daden gevolgen hebben voor je huidige en toekomstige bestaan.

30
New cards

Hoe reageerde het boeddhisme op het kastenstelsel?

Het benadrukte dat afkomst niet bepaalde of iemand verlichting kon bereiken.

31
New cards

Wat is een belangrijk verschil tussen hindoeïsme en boeddhisme?

Het hindoeïsme werd sterk verbonden met het kastenstelsel en karma, terwijl het boeddhisme de nadruk legde op persoonlijke ontwikkeling en verlichting.

32
New cards

Wat betekent continuïteit?

Dat iets in de geschiedenis grotendeels hetzelfde blijft.

33
New cards

Wat betekent discontinuïteit?

Dat er verandering optreedt.

34
New cards

Noem een voorbeeld van continuïteit in China.

De keizer bleef lange tijd een belangrijke machthebber en het confucianisme bleef invloedrijk.

35
New cards

Noem een voorbeeld van discontinuïteit in China.

De verschillende dynastieën kwamen en gingen en China kende periodes van verdeeldheid.

36
New cards

Wie waren de steppenvolken?

Nomadische volken die ten noorden en westen van China leefden.

37
New cards

Hoe was de verhouding tussen China en de steppenvolken?

Afwisselend waren er oorlog, handel, diplomatie en culturele uitwisseling.

38
New cards

Waarom bouwde China delen van de Chinese Muur?

Om zich beter te beschermen tegen aanvallen van noordelijke volken.

39
New cards

Welke drie bestuursvormen kende Rome?

Koninkrijk, republiek en keizerrijk.

40
New cards

Hoe werd Rome eerst bestuurd?

Als koninkrijk.

41
New cards

Wat was de Romeinse Republiek?

Een periode waarin Rome geen koning had en belangrijke instellingen zoals de Senaat en gekozen bestuurders de staat bestuurden.

42
New cards

Wanneer begon het Romeinse Keizerrijk ongeveer?

In 27 v.C.

43
New cards

Wat is romanisering?

Het overnemen van Romeinse taal, gewoonten, cultuur en bestuur door volken in het Romeinse Rijk.

44
New cards

Gebeurt romanisering overal in het Romeinse Rijk hetzelfde?

Nee, sommige gebieden namen veel Romeinse cultuur over terwijl lokale talen, religies en gewoonten in andere gebieden sterker bleven.

45
New cards

Waaruit ontstond het christendom?

Uit het jodendom.

46
New cards

Waar en wanneer ontstond het christendom?

In de 1e eeuw n.C. in Palestina.

47
New cards

Wie was Jezus?

De centrale persoon van het christendom.

48
New cards

Wie speelde een belangrijke rol bij de verspreiding van het christendom onder niet-Joden?

Paulus.

49
New cards

Wat gebeurde er in 313 n.C.?

Keizer Constantijn gaf christenen godsdienstvrijheid.

50
New cards

Wat gebeurde er in 380 n.C.?

Het christendom werd onder keizer Theodosius de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk.

51
New cards

Wanneer viel het West-Romeinse Rijk?

In 476 n.C.

52
New cards

Noem een voorbeeld van continuïteit na de val van het West-Romeinse Rijk.

Het christendom bleef belangrijk.

53
New cards

Noem een voorbeeld van discontinuïteit na de val van het West-Romeinse Rijk.

Het centrale Romeinse bestuur verdween en er ontstonden verschillende koninkrijken.

54
New cards

Waar ontstond de islam?

Op het Arabisch Schiereiland in de 7e eeuw.

55
New cards

Wie is de profeet van de islam?

Mohammed.

56
New cards

Wat is het heilige boek van de islam?

De Koran.

57
New cards

Wat is het belangrijkste geloofspunt van de islam?

Er is één God, Allah, en Mohammed is zijn profeet.

58
New cards

Wat zijn de vijf zuilen?

De geloofsbelijdenis, het gebed, de armenbelasting, het vasten tijdens de ramadan en de bedevaart naar Mekka.

59
New cards

Hoe verspreidde de islam zich?

Door veroveringen, handel, missionering en migratie.

60
New cards

Noem een agrarisch-urbane samenleving in Amerika rond 1500.

Het Azteekse Rijk.

61
New cards

Noem een agrarisch-urbane samenleving in Afrika rond 1500.

Het Songhairijk.

62
New cards

Noem een agrarisch-urbane samenleving in Azië rond 1500.

Het Mingrijk in China.

63
New cards

Waarom waren samenlevingen op aarde deels met elkaar verbonden?

Door handel, reizen, migratie, oorlog en verspreiding van religies en ideeën.

64
New cards

Waarom waren samenlevingen niet volledig met elkaar verbonden?

Grote afstanden, oceanen, woestijnen, bergen en beperkte vervoersmogelijkheden maakten contact moeilijk.

65
New cards

Welke twee oorzaken zorgden voor de opleving van West-Europa tussen 1000 en 1500?

Verbeteringen in de landbouw en groei van handel en steden.

66
New cards

Welke landbouwverbeteringen droegen bij aan de groei?

Onder andere het drieslagstelsel, de ijzeren ploeg en een betere inzet van paarden.

67
New cards

Wat was een gevolg van de verbeterde landbouw?

De voedselproductie en bevolking groeiden.

68
New cards

Waarom groeiden steden tussen 1000 en 1500?

Door groei van landbouwoverschotten, handel, ambachten en markten.

69
New cards

Wat waren drie voorbeelden van het beschermen van het katholieke geloof?

Kruistochten, de Reconquista en de strijd tegen ketterij.

70
New cards

Wat waren de kruistochten?

Militaire expedities van Europese christenen, onder andere gericht op het veroveren van het Heilige Land.

71
New cards

Wat was de Reconquista?

De verovering van islamitische gebieden op het Iberisch Schiereiland door christelijke koninkrijken.

72
New cards

Wat betekende de strijd tegen ketterij?

De katholieke kerk bestreed ideeën die zij als strijdig met het christelijke geloof beschouwde.