1/53
Woordenschat-steekkaarten gebaseerd op het leerpad 'Zorgzaam van start: visie en basiszorg' van het Graduaat Basisverpleegkunde.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Klinisch redeneren
Het continue proces van gegevensverzameling en analyse gericht op de vragen en problemen van een individu en diens naasten, in relatie tot ziekte en gezondheid.
Verpleegtechniek
Een op punt gestelde werkwijze of procedure die door verschillende personen wordt gehanteerd met als doel de handeling zo efficiënt mogelijk te bereiken.
Integrerende verpleegkunde
Een zorgmodel waarin de totale zorg voor de patiënt als mens centraal staat, met aandacht voor lichamelijke, psychische en sociale behoeften, en waarbij verpleegkundigen verantwoordelijkheid nemen voor toegewezen patiënten.
Taakverpleging
Een zorgmodel waarbij zorgtaken onder verschillende zorgverleners worden verdeeld en elke verpleegkundige slechts een beperkt aantal specifieke taken op een vaste manier uitvoert.
Systematisch Verpleegkundig Handelen (SVH)
Een gestructureerde methode bestaande uit 6 stappen die verpleegkundigen helpt om op een georganiseerde en efficiënte manier patiëntgerichte zorg te verlenen.
Anamnesegesprek
Een gericht en doelgericht gesprek met de zorgvrager bij opname om systematisch informatie en klachten te verzamelen voor het verpleegkundig proces.
Standaardverpleegplan
Een vooraf opgesteld zorgplan met geformaliseerde richtlijnen, doelen en interventies voor een specifieke categorie zorgvragers die een gemeenschappelijke diagnose of ingreep delen.
Homeostase
Het behouden van het evenwicht in het extracellulair milieu (zoals juiste temperatuur, pH, zuurstof- en voedingsstoffenconcentraties) voor een optimale celwerking.
Opbouwstofwisseling
Alle processen in de cel die gericht zijn op het aanmaken van nieuwe cellen voor groei en vervanging van afgestorven cellen via celdeling.
Afbraakstofwisseling
Alle processen in de cel (verbranding van koolhydraten en vetten met zuurstof) die energie en warmte produceren om het lichaam te laten functioneren.
Epitheel
Dekweefsel dat het lichaam aan de buitenkant bedekt en de binnenkant van organen die in contact staan met de buitenwereld bekleedt, zonder dat het eigen bloedvaten bevat.
Dwarsgestreept spierweefsel
Willekeurig spierweefsel dat bewust kan worden aangestuurd, zoals alle skeletspieren, aangezichtsspieren en het diafragma.
Glad spierweefsel
Onwillekeurig spierweefsel dat buiten de wil om contraheert en voorkomt in de wand van holle inwendige organen, bloedvaten en luchtwegen.
Epidermis
De opperhuid; de buitenste laag van de huid bestaande uit dekweefsel, opgebouwd uit lagen cellen zoals de hoornlaag en de kiemlaag, zonder bloedvaten of zenuwen.
Dermis
De lederhuid; de elastische bindweefsellaag onder de epidermis waarin bloedvaatjes, zenuwen, zintuigcellen, zweetklieren en talgklieren lopen.
Subcutis
Het onderhuids bindweefsel; de laag onder de lederhuid die veel vetweefsel bevat, de huid verbindt met onderliggende weefsels en dient als isolatie en energievoorraad.
Melanine
Pigment aangemaakt door melanocyten in de kiemlaag van de opperhuid dat de huid beschermt tegen de schadelijke invloed van uv-stralen.
Vasodilatatie
Het uitzetten van de bloedvaten in de lederhuid om warmte af te geven aan de omgeving wanneer de lichaamstemperatuur te hoog is.
Vasoconstrictie
Het vernauwen van de bloedvaten in de lederhuid om warmte vast te houden in het lichaam wanneer de lichaamstemperatuur daalt.
Cyanose
Blauwe verkleuring van de huid en/of slijmvliezen ten gevolge van een zuurstoftekort in het bloed.
Icterus
Gele verkleuring van de huid en het oogwit, wijzend op leverlijden of een obstructie van de galwegen.
Erytheem
Roodheid van de huid die wordt veroorzaakt door vasodilatatie en die verdwijnt wanneer er druk op wordt uitgeoefend.
Oedeem
Onderhuidse vochtophoping waarbij de huid strak staat en blinkt, en waar men putjes in kan duwen.
Flebitis
Ontsteking van een ader, meestal in de onderbenen, waarbij de ader rood ziet, warm aanvoelt en hard is.
Hematoom
Een blauwe vlek veroorzaakt door een onderhuidse bloeding door beschadiging van een groter bloedvat.
Resorptiekoorts
Koorts die optreedt als reactie van het lichaam op weefselbeschadiging, zoals na een chirurgische ingreep.
Hypothermie
Onderkoeling waarbij de kerntemperatuur van het lichaam lager is dan 35∘C.
Hyperthermie
Een ongecontroleerde stijging van de lichaamstemperatuur waarbij het thermoregulatiecentrum het warmte-evenwicht niet meer kan bewaren.
Periost
Het beenvlies; het bindweefselvlies aan de buitenkant van botten waarin zenuwen en bloedvaten lopen die het bot van voedingsstoffen en zuurstof voorzien.
Articulatio
Een gewricht; een beweeglijke verbinding tussen twee of meer botstukken, omgeven door een gewrichtskapsel en bedekt met gewrichtskraakbeen.
Ligament
Een gewrichtsband; een stevige band van bindweefsel die over een gewrichtskapsel loopt om de botstukken bij elkaar te houden en steun te bieden.
Bursa
Een slijmbeurs; een zakje gevuld met vocht dat tussen pezen, spieren en botten of huid ligt om wrijving te verminderen.
Discus intervertebralis
De tussenwervelschijf; een schijf van vezelig kraakbeen met een geleiachtige kern (nucleus pulposus) tussen de wervellichamen die schokken opvangt.
Erysipelas
Wondroos; een bacteriële huidinfectie gekenmerkt door een vuurrode, warme, uitbreidende vlek met zwelling, vaak gepaard gaand met koorts.
Skin tear
Een traumatische wonde waarbij de epidermis loskomt van de dermis (of dermis van de subcutis) door mechanische krachten of verwijdering van kleefpleisters.
Decubitus
Een doorligwonde; een beschadiging van de huid en/of onderliggend weefsel ten gevolge van langdurige druk of druk in combinatie met schuifkrachten.
Ischemie
Een lokaal tekort aan zuurstof en bloedtoevoer in een weefsel veroorzaakt door belemmering of samendrukken van bloedvaten.
Necrose
Het afsterven van weefsel of cellen ten gevolge van langdurig zuurstofgebrek of beschadiging.
Incontinentie-geassocieerde dermatitis (IAD)
Een vocht-geassocieerd huidletsel veroorzaakt door de inwerking van urine en/of stoelgang op de huid, gekenmerkt door een oppervlakkige, glanzende, paarsrode ontsteking met onregelmatige randen.
Intertrigo
Een vocht-geassocieerd huidletsel in huidplooien veroorzaakt door opgesloten transpiratievocht, gekenmerkt door roodheid en verweking van de huid.
Reinigen
Het mechanisch verwijderen van zichtbaar vuil en een deel van de micro-organismen met water en een reinigingsmiddel.
Ontsmetten
Het gedeeltelijk doden of reduceren van micro-organismen tot een niveau waarop ze meestal geen infectie meer kunnen veroorzaken.
Steriliseren
Een proces waarbij alle aanwezige micro-organismen (inclusief sporen) op materialen volledig worden gedood.
Transiënte huidflora
Tijdelijke micro-organismen die door contact op de huid terechtkomen, kort overleven en de belangrijkste oorzaak zijn van overdracht en kruisinfecties.
Residente huidflora
Blijvende micro-organismen die permanent op en in de huid wonen, zich daar vermenigvuldigen en de huid beschermen tegen ziekteverwekkers.
Beroepsgeheim
De wettelijke verplichting tot geheimhouding van alle vertrouwelijke informatie en waarnemingen die iemand uit hoofde van zijn beroep of functie te weten komt.
Gedeeld beroepsgeheim
Het uitwisselen van noodzakelijke vertrouwelijke patiëntinformatie tussen zorgverleners die rechtstreeks betrokken zijn bij dezelfde zorgvrager en behandeling.
Acceptatie
Een grondhouding volgens Carl Rogers waarbij de zorgverlener de zorgvrager laat zijn wie hij is met diens gevoelens en ideeën, zonder voorwaarden of oordeel.
Empathie
Het vermogen om zich in te leven in de situatie en het gevoelsleven van de ander en de wereld door de ogen van de zorgvrager te zien, met behoud van professionele afstand.
Echtheid
Een grondhouding volgens Rogers waarbij de zorgverlener oprecht is en waarbij de verwoorde boodschap en non-verbale houding overeenstemmen, in evenwicht tussen het echte-ik en de professionele rol.
Cultuursensitief verplegen
Het verlenen van persoonsgerichte zorg waarbij open communicatie en nieuwsgierigheid centraal staan, en rekening wordt gehouden met de unieke achtergrond en leefwereld van elke zorgvrager.
Proportionaliteitsbeginsel
Het ethische beginsel waarbij men bij een conflict tussen waarden de keuze verantwoordt door af te wegen welke waarde in de specifieke situatie het zwaarst weegt.

Soorten weefsel
De overzichtelijke indeling van de menselijke weefsels in vier hoofdgroepen: dekweefsel, bindweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel, met hun respectievelijke subgroepen.

Soorten gewrichten
De indeling van beweeglijke botverbindingen op basis van vorm en bewegingsmogelijkheden: rolgewricht, eigewricht, scharniergewricht, zadelgewricht en kogelgewricht.