Geschiedenis begrippen kw 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/66

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

67 Terms

1
New cards

Staat

een georganiseerd gebied met één bestuur dat regels en wetten oplegt; bijvoorbeeld het Romeinse Rijk, bestuurd vanuit Rome; verband: een staat is de basis van alle andere bestuursvormen.

2
New cards

Sociale verschillen in agrarische samenlevingen

in boerengemeenschappen was er een kleine groep rijken (adel, priesters) en een grote groep arme boeren; bijvoorbeeld in het oude Egypte hadden farao's en priesters alle macht terwijl boeren het land bewerkten; verband: deze verschillen leidden later tot klassenstrijd en revoluties.

3
New cards

Aristocratie

regering door de adel, de rijkste en machtigste families; bijvoorbeeld in het oude Athene regeerden eerst aristocraten en niet het volk; verband: aristocratie is het tegenovergestelde van democratie.

4
New cards

Oligarchie

regering door een kleine groep machtige mensen; bijvoorbeeld in Sparta regeerde een kleine groep krijgers en oudsten; verband: oligarchie en aristocratie lijken op elkaar, maar bij oligarchie gaat het om macht in plaats van afkomst.

5
New cards

Tirannie

één persoon die met geweld en zonder wetten regeert; bijvoorbeeld de Griekse tiran Peisistratos in Athene; verband: tirannie ontstond vaak uit ontevredenheid met de aristocratie.

6
New cards

Stadstaat/polis

een zelfstandige stad met eigen bestuur, wetten en leger, zonder groter rijk erboven; bijvoorbeeld Athene en Sparta waren poleis; verband: uit de polis ontstond het idee van burgerrecht en democratie.

7
New cards

Burgerrecht

het recht om mee te beslissen in de staat, maar ook de plicht om te verdedigen; bijvoorbeeld alleen Atheense mannen hadden burgerrecht, slaven en vrouwen niet; verband: burgerrecht is de voorwaarde voor democratie.

8
New cards

Democratie

bestuur door het volk via stemmen en vergaderingen; bijvoorbeeld in Athene stemden burgers over wetten op de Pnyx-heuvel; verband: democratie is de tegenhanger van aristocratie en tirannie.

9
New cards

Volksvergadering

de bijeenkomst waar burgers samen beslissen; bijvoorbeeld de Atheense Ekklèsia, waar burgers over oorlog en wetten stemden; verband: de volksvergadering is de plek waar democratie echt gebeurt.

10
New cards

Romeins Imperium

het grote Romeinse Rijk rond de Middellandse Zee, bestuurd door een keizer; bijvoorbeeld onder keizer Augustus reikte het rijk van Britannia tot Egypte; verband: het Imperium verspreidde Romeins recht en bestuur door heel Europa.

11
New cards

Republiek

een staat zonder koning, waar het volk of vertegenwoordigers de macht hebben; bijvoorbeeld de Romeinse Republiek, bestuurd door de senaat; verband: de republiek is de voorloper van de moderne democratie.

12
New cards

Senaat

een raad van belangrijke mannen die adviseert en beslist; bijvoorbeeld in Rome besloot de senaat over oorlog en financiën; verband: de senaat was de machtigste instelling in de Romeinse Republiek.

13
New cards

Dictator

een leider die tijdelijk alle macht krijgt, vaak in crisistijd; bijvoorbeeld in Rome kreeg Cincinnatus tijdelijk alle macht om een oorlog te winnen; verband: een dictator is het tegenovergestelde van democratie, maar in Rome was het eerst tijdelijk en legaal.

14
New cards

Bataafse Opstand

de opstand van de Bataven tegen de Romeinen rond 69 na Christus, geleid door Julius Civilis; bijvoorbeeld de Bataven vernietigden Romeinse legerkampen langs de Rijn; verband: de Bataafse Opstand werd later het symbool van Nederlandse vrijheid en inspireerde de naam van de Bataafse Revolutie.

15
New cards

Centralisatie

de koning trekt alle macht naar zich toe, weg van adel en steden; bijvoorbeeld Lodewijk XIV centraliseerde alle macht in Versailles; verband: centralisatie leidde tot absolutisme.

16
New cards

Ontdekkingsreizen

zeereizen om nieuwe gebieden te vinden, voor handel en rijkdom; bijvoorbeeld Columbus voer in 1492 naar Amerika; verband: ontdekkingsreizen leidden tot kolonisatie.

17
New cards

Kolonisatie

het veroveren en bevolken van verre gebieden door een Europees land; bijvoorbeeld Nederland koloniseerde Indonesië en Suriname; verband: kolonisatie is het gevolg van ontdekkingsreizen en de oorzaak van dekolonisatie later.

18
New cards

Centralisatiepolitiek

het bewuste beleid van een vorst om alle macht te centraliseren; bijvoorbeeld de Habsburgers probeerden de Nederlanden strak vanuit Brussel te besturen; verband: centralisatiepolitiek riep weerstand op, zoals in de Nederlanden, wat leidde tot opstanden.

19
New cards

Vrede van Augsburg

een verdrag uit 1555 dat bepaalde dat elke Duitse vorst zelf koos of zijn land katholiek of protestants was; bijvoorbeeld "cuius regio, illius religio" — wie het land heeft, bepaalt het geloof; verband: het was een poging om godsdiensttwisten te stoppen, maar loste het niet echt op.

20
New cards

Plakkaat van Verlatinghe

de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring uit 1581, waarin ze verklaarden dat Filips II zijn macht verspeeld had; bijvoorbeeld de Staten-Generaal zeiden dat de koning zijn volk niet beschermde, dus mochten ze hem afzetten; verband: het is een voorloper van de moderne grondwet en inspiratie voor de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring.

21
New cards

Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

de Nederlandse staat van 1588 tot 1795, zonder koning, bestuurd door gewesten en de Staten-Generaal; bijvoorbeeld Nederland bloeide in de Gouden Eeuw als handelsrepubliek; verband: deze republiek eindigde met de Bataafse Revolutie.

22
New cards

Absolutisme

een koning die alle macht heeft zonder dat iemand hem kan tegenhouden; bijvoorbeeld Lodewijk XIV zei "l'état, c'est moi" — de staat, dat ben ik; verband: absolutisme is de tegenpool van democratie en de oorzaak van de Verlichting.

23
New cards

Droit divin

het goddelijk recht: de koning regeert omdat God dat wil, dus mag niemand hem afzetten; bijvoorbeeld Lodewijk XIV claimde dat zijn macht rechtstreeks van God kwam; verband: droit divin rechtvaardigde het absolutisme, en de Verlichting viel het aan.

24
New cards

Verlichting

een 18e-eeuwse beweging die rede, vrijheid en gelijkheid centraal stelde, tegen traditie en geloof; bijvoorbeeld filosofen als Voltaire en Rousseau bekritiseerden de macht van koningen en de kerk; verband: de Verlichting inspireerde zowel de Amerikaanse als de Franse en Bataafse Revolutie.

25
New cards

Trias politica

de scheiding van macht in drie delen (wetgevend, uitvoerend en rechtsprekend), zodat niemand te veel macht krijgt; bijvoorbeeld Montesquieu bedacht dat de koning, het parlement en de rechters apart moeten zijn; verband: trias politica is de basis van de moderne grondwet en democratie.

26
New cards

Ancien régime

het oude bestuur vóór de Franse Revolutie, waar koning, adel en kerk alle macht hadden en het volk niets; bijvoorbeeld in Frankrijk vóór 1789 betaalde het volk alle belastingen maar had geen inspraak; verband: het ancien régime is precies wat de Franse Revolutie omver wierp.

27
New cards

Verlicht absolutisme

een koning die alle macht houdt maar regeert met Verlichte ideeën, zoals tolerantie en hervormingen; bijvoorbeeld Frederik de Grote van Pruisen moderniseerde zijn land maar bleef alleenheerser; verband: het was een tussenweg tussen absolutisme en democratie.

28
New cards

Franse Revolutie

de omwenteling in Frankrijk vanaf 1789, waarbij het volk de koning omver wierp en vrijheid, gelijkheid en broederschap eiste; bijvoorbeeld de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789; verband: de Franse Revolutie inspireerde de Bataafse Revolutie direct.

29
New cards

Amerikaanse Revolutie

de strijd van de Amerikaanse koloniën tegen Engeland, die leidde tot een onafhankelijke republiek; bijvoorbeeld de Boston Tea Party en de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776; verband: de Amerikaanse Revolutie was de eerste grote toepassing van Verlichtingsideeën en inspireerde Europa.

30
New cards

Grondwet

een geschreven document dat de rechten van burgers en de macht van de overheid vastlegt; bijvoorbeeld de Amerikaanse grondwet van 1787 of de Nederlandse van 1848; verband: een grondwet is de basis van elke moderne democratische staat.

31
New cards
32
New cards

Restauratie

het herstel van de oude koningen en het ancien régime na Napoleon; bijvoorbeeld na 1815 kwamen de Europese koningen terug op hun troon; verband: restauratie was een reactie op de Franse Revolutie.

33
New cards

Congres van Wenen

de bijeenkomst in 1815 waar Europese leiders Europa opnieuw indeelden na Napoleon; bijvoorbeeld ze gaven Nederland en België samen als één koninkrijk; verband: het Congres probeerde revoluties te voorkomen, maar dat lukte maar tijdelijk.

34
New cards

Boston Tea Party

een protest in 1773 waarbij Amerikanen Britse thee in zee gooiden uit woede over belastingen; bijvoorbeeld kolonisten vermomd als indianen gooiden 342 kisten thee overboord; verband: het was een directe aanleiding voor de Amerikaanse Revolutie.

35
New cards

Bataafse Revolutie

de Nederlandse revolutie van 1795, waarbij patriotten met Franse steun de stadhouder afzetten en een republiek uitriepen; bijvoorbeeld Willem V vluchtte naar Engeland en de Bataafse Republiek werd uitgeroepen; verband: het is de Nederlandse versie van de Franse Revolutie.

36
New cards

Modern imperialisme

het veroveren van koloniën door Europese landen in de late 19e eeuw, vooral in Afrika en Azië; bijvoorbeeld Engeland, Frankrijk en Duitsland verdeelden Afrika op de Conferentie van Berlijn (1884–85); verband: modern imperialisme leidde later tot dekolonisatie.

37
New cards

Emancipatie

het streven van een groep naar gelijke rechten en vrijheid; bijvoorbeeld de afschaffing van de slavernij in 1863 in Nederland, of de strijd van vrouwen voor kiesrecht; verband: emancipatie is de rode draad door de 19e en 20e eeuw, van liberalisme tot feminisme.

38
New cards

Liberalisme

een stroming die vrijheid van het individu centraal stelt, met beperkte overheid en grondrechten; bijvoorbeeld Thorbecke wilde dat burgers zelf mochten beslissen zonder koninklijke almacht; verband: liberalisme is de politieke vertaling van de Verlichting.

39
New cards

Socialisme

een stroming die gelijkheid en eerlijke verdeling van rijkdom wil en opkomt voor arbeiders; bijvoorbeeld Karl Marx wilde dat de arbeiders de fabrieken bezaten; verband: socialisme is de reactie op de ongelijkheid die liberalisme en kapitalisme veroorzaakten.

40
New cards

Confessionalisme

het idee dat geloof de basis van de politiek moet zijn, en dat geloofsgemeenschappen eigen scholen en organisaties mogen hebben; bijvoorbeeld katholieken en protestanten richtten eigen scholen en partijen op in Nederland; verband: confessionalisme leidde tot de schoolstrijd.

41
New cards

Feminisme

de strijd voor gelijke rechten van vrouwen; bijvoorbeeld vrouwen eisten kiesrecht, wat in Nederland in 1919 kwam; verband: feminisme is een vorm van emancipatie, net als de strijd tegen slavernij.

42
New cards

Schoolstrijd

de strijd in Nederland over wie de scholen mocht besturen: de staat of de geloofsgemeenschappen; bijvoorbeeld katholieke en protestantse scholen wilden eigen onderwijs en kregen dat uiteindelijk in 1917; verband: de schoolstrijd werd opgelost met de Pacificatie van 1917, die ook het algemeen kiesrecht bracht.

43
New cards

Monarchie

een staat met een koning of koningin aan het hoofd, vaak met erfelijke macht; bijvoorbeeld Nederland is nog steeds een monarchie, met de koning als staatshoofd; verband: monarchie is de tegenhanger van republiek.

44
New cards

Thorbecke

de Nederlandse liberale staatsman die in 1848 de grondwet hervormde; bijvoorbeeld hij maakte van Nederland een constitutionele monarchie, waar ministers verantwoordelijk waren aan het parlement; verband: Thorbecke legde de basis van de moderne Nederlandse democratie.

45
New cards

Constitutionele monarchie

een monarchie waar de koning macht deelt met een grondwet en een parlement; bijvoorbeeld in Nederland na 1848 kon de koning niet meer zomaar beslissen, het parlement moest meedoen; verband: het is de tussenweg tussen absolute monarchie en republiek.

46
New cards

Ministeriële onschendbaarheid

het principe dat ministers, niet de koning, verantwoordelijk zijn voor het beleid; bijvoorbeeld als er iets misgaat moet de minister aftreden, niet de koning; verband: dit principe maakt de koning onschendbaar en de ministers verantwoordelijk, een kernidee van Thorbecke.

47
New cards

Algemeen kiesrecht

het recht van alle volwassen burgers om te stemmen, zonder uitzondering; bijvoorbeeld in 1917 kregen Nederlandse mannen algemeen kiesrecht en in 1919 ook de vrouwen; verband: algemeen kiesrecht is de vervulling van de democratie die in de Oudheid begon.

48
New cards

Nationalisme

het idee dat je volk of natie boven alles gaat, en dat elk volk een eigen staat verdient; bijvoorbeeld in de 19e eeuw wilden Duitsers en Italianen één eigen land; verband: nationalisme kan een land verenigen, maar ook leiden tot oorlog en discriminatie.

49
New cards

Eerste Wereldoorlog

de grote oorlog van 1914–1918 tussen de geallieerden en de centralen, vooral in Europa; bijvoorbeeld miljoenen soldaten stierven in de loopgraven aan het Westelijk Front; verband: de Eerste Wereldoorlog ontstond deels uit nationalisme en bondgenootschappen.

50
New cards

Propaganda

informatie die bewust eenzijdig is, om mensen te overtuigen of te manipuleren; bijvoorbeeld in de oorlogen maakten landen posters die de vijand als monster afbeeldden; verband: propaganda is een middel van totalitarisme en censuur.

51
New cards

Censuur

het tegenhouden van informatie die de overheid niet wil dat mensen zien; bijvoorbeeld in oorlogstijd mochten kranten geen slecht nieuws over het leger publiceren; verband: censuur en propaganda horen bij elkaar: de een verbergt, de ander overtuigt.

52
New cards

Totalitarisme

een systeem waar de staat alle aspecten van het leven controleert, van politiek tot privéleven; bijvoorbeeld Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie onder Stalin waren totalitaire staten; verband: totalitarisme is de extreme vorm van centralisatie en gebruikt propaganda en indoctrinatie.

53
New cards

Indoctrinatie

het systematisch opleggen van ideeën, vaak via onderwijs en media, zodat mensen niet kritisch denken; bijvoorbeeld in Nazi-Duitsland leerden kinderen op school de nazi-ideologie; verband: indoctrinatie is een middel van totalitarisme.

54
New cards

Tweede Wereldoorlog

de wereldoorlog van 1939–1945 tussen de as-mogendheden en de geallieerden; bijvoorbeeld Nazi-Duitsland viel Polen binnen in 1939, wat de oorlog startte; verband: de Tweede Wereldoorlog volgde op het falen van de Eerste en leidde tot de Koude Oorlog.

55
New cards

Discriminatie

het ongelijk behandelen van mensen op basis van bijvoorbeeld ras, geloof of geslacht; bijvoorbeeld in Nazi-Duitsland werden Joden systematisch gediscrimineerd en vervolgd; verband: discriminatie kan uitgroeien tot genocide.

56
New cards

Genocide

het opzettelijk uitmoorden van een hele bevolkingsgroep; bijvoorbeeld de Holocaust, waar Nazi-Duitsland zes miljoen Joden vermoordde; verband: genocide is de uiterste vorm van discriminatie en haat.

57
New cards

Communisme

een systeem waar de gemeenschap alles bezit, zonder privébezit, en waar iedereen gelijk is; bijvoorbeeld de Sovjet-Unie onder Lenin en Stalin was communistisch; verband: communisme is de extreme vorm van socialisme.

58
New cards

Kapitalisme

een systeem waar mensen en bedrijven zelf bezit en handel hebben, met winst als doel; bijvoorbeeld in de VS en West-Europa domineert het kapitalisme; verband: kapitalisme en communisme waren de twee kampen in de Koude Oorlog.

59
New cards

Koude Oorlog

de spanningen tussen de VS (kapitalistisch) en de Sovjet-Unie (communistisch) van circa 1947 tot 1991, zonder directe oorlog; bijvoorbeeld de ruimtewedloop en de wapenwedloop tussen de twee supermachten; verband: de Koude Oorlog verdeelde de wereld in twee kampen, met de NAVO en het Warschaupact.

60
New cards

Dekolonisatie

het proces waarbij koloniën onafhankelijk werden van hun Europese overheersers; bijvoorbeeld Indonesië werd in 1949 onafhankelijk van Nederland; verband: dekolonisatie is het gevolg van het modern imperialisme.

61
New cards

Containmentpolitiek

het Amerikaanse beleid om het communisme tegen te houden, zonder oorlog; bijvoorbeeld de VS steunden landen als Zuid-Korea en West-Europa om communistische invloed te stoppen; verband: containmentpolitiek was de kern van de Amerikaanse strategie in de Koude Oorlog.

62
New cards

NAVO

het militaire bondgenootschap van Westerse landen, opgericht in 1949, tegen het communisme; bijvoorbeeld Nederland is lid van de NAVO, samen met de VS en andere Westerse landen; verband: de NAVO is het militaire antwoord van het Westen op de Sovjet-Unie.

63
New cards

Warschaupact

het militaire bondgenootschap van de Sovjet-Unie en haar Oost-Europese bondgenoten, opgericht in 1955; bijvoorbeeld Polen, Tsjecho-Slowakije en Oost-Duitsland zaten erin; verband: het Warschaupact was de tegenhanger van de NAVO in de Koude Oorlog.

64
New cards

Europese gemeenschap van kolen en staal

de eerste Europese samenwerking uit 1951, waar landen kolen en staal samen beheerden om oorlog te voorkomen; bijvoorbeeld Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux richtten het op; verband: het was de eerste stap naar de Europese Unie.

65
New cards

Europese Economische Gemeenschap

de economische samenwerking uit 1957, waar Europese landen vrij handelden zonder tolbarrières; bijvoorbeeld de EEG maakte het makkelijker om goederen tussen landen te verhandelen; verband: de EEG groeide later uit tot de Europese Unie.

66
New cards

Europese Unie

de politieke en economische samenwerking van Europese landen, met eigen wetten, geld en parlement; bijvoorbeeld Nederland maakt deel uit van de EU, met de euro als munt; verband: de EU is de opvolger van de EEG en de vervulling van het idee van Europese samenwerking.

67
New cards

Pluriforme samenleving

een samenleving waar veel verschillende culturen, geloven en leefstijlen naast elkaar bestaan; bijvoorbeeld in Nederland wonen mensen met verschillende achtergronden, van Marokkaans tot Surinaams tot Nederlands; verband: een pluriforme samenleving vraagt om tolerantie, wat teruggaat op de Verlichting.