1/240
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Taal
Systeem van symbolen en regels waarmee vrijwel onbeperkt veel boodschappen te vormen zijn
Vijf eigenschappen van taal
Symbolisch ; structuur ; brengt betekenis over ; generatief ; maakt displacement mogelijk
Psycholinguïstiek
Studie van psychologische processen bij begrijpen, produceren en verwerven van taal
Sociolinguïstiek
Studie van taal in relatie tot cultuur, groepen, regio's en meertaligheid
Arbitrair
Geen intrinsieke relatie tussen symbool en waar het naar verwijst
Grammatica
Regels voor het combineren van symbolen tot betekenisvolle uitingen
Syntax
Regels voor woordvolgorde in zinnen
Semantiek
Betekenis van woorden en zinnen
Denotatieve betekenis
Letterlijke betekenis
Connotatieve betekenis
Betekenis door culturele of emotionele associaties
Generativiteit
Beperkt aantal symbolen en regels geeft onbeperkt veel nieuwe boodschappen
Displacement (verplaatsing)
Communiceren over wat niet aanwezig is: verleden, toekomst, elders, denkbeeldig
Oppervlaktestructuur
Gebruikte symbolen en hun volgorde
Dieptestructuur
Onderliggende betekenis van een zin
Hiërarchie van taal
Fonemen → morfemen → woorden → zinsdelen → zinnen → discourse
Fonemen
Kleinste klankeenheden, zonder eigen betekenis
Morfemen
Kleinste betekenisvolle eenheden
Discourse
Combinaties van zinnen, bv. gesprekken, artikelen, boeken
Bottom-up verwerking
Losse kenmerken analyseren en samenvoegen tot grotere eenheden
Top-down verwerking
Input interpreteren vanuit kennis, verwachtingen en context
Spraaksegmentatie
Bepalen waar woorden in een continue spraakstroom beginnen en eindigen
Pollack en Pickett
Losse woorden veel slechter herkend dan dezelfde woorden in context
Morris
Bij betekenis passend doelwoord werd sneller gelezen: top-down invloed
Pragmatiek
Kennis over praktisch en sociaal gebruik van taal; betekenis hangt af van context en bedoeling
Mentale lexicon
Mentale opslag van woorden met uitspraak, betekenis en grammatica
Stroop-effect
Inktkleur benoemen duurt langer bij incongruente kleurnaam; woordherkenning is automatisch
Woordfrequentie en age of acquisition
Veelvoorkomende en vroeg geleerde woorden worden sneller herkend
Serial search model
Woordherkenning als opeenvolgende zoektocht door woordrepresentaties
Connectionistische modellen (interactive activation and competition)
Woordherkenning als parallel proces van excitatie en inhibitie tussen kenmerken, letters en woorden
Lexicale ambiguïteit
Eén woord met meerdere betekenissen; context en frequentie bepalen welke actief wordt
Broca's gebied
Linker frontaalkwab; woordproductie en articulatie; schade: moeizaam spreken, begrip intact
Wernicke's gebied
Temporale kwab; spraakbegrip; schade: vloeiende maar betekenisarme spraak
Afasie
Stoornis in taalbegrip en/of taalproductie
Mijlpalen taalverwerving
±6 mnd vernauwing tot eigen klanken ; ±12 mnd eerste woorden ; 18 tot 24 mnd zinnetjes ; ±4,5 jr grammatica
Differentiatie en pruning (taal)
Vorming en verlies van synapsen; na 6 mnd gevoeliger voor fonemen eigen taal
Skinner (taal)
Taal via operante conditionering; onvoldoende: kinderen maken nieuwe zinnen, krijgen weinig correctie
Chomsky
Language acquisition device en universele grammatica; kritiek op Skinners Verbal Behavior → cognitieve revolutie
Language acquisition device (LAD)
Aangeboren vermogen voor taal, gebaseerd op universele grammatica
Universele grammatica
Idee dat algemene grammaticale regels aangeboren zijn
Usage-based benadering
Grammatica ontstaat geleidelijk uit blootstelling en algemene cognitieve en sociale vaardigheden
Kindgerichte spraak
Spreken met hoge intonatie; trekt aandacht van kinderen
Language acquisition support system (LASS)
Sociale ondersteuning van taalverwerving door ouders (Bruner)
Gevoelige periode taalverwerving
Vroege blootstelling nodig; tekort vóór puberteit beperkt latere taal, ook gebarentaal
Dieren en taal
Washoe: gebarentaal ; Kanzi: symbolen ; Alex: woorden en concepten ; generativiteit en displacement omstreden
Bilingualisme
Dagelijks twee talen gebruiken; mogelijk meer flexibiliteit en selectieve aandacht, bewijs wisselend
Multilinguïsme
Meer dan twee talen gebruiken
Twee talen in het brein
Vroege of vloeiende leerders: gedeeld netwerk ; late, minder vloeiende: meer aparte activatie
Linguistic relativity hypothesis
Sterke vorm (taal bepaalt denken) niet gesteund; taal beïnvloedt wel categoriseren en aandacht
Dani en Himba
Dani: weinig kleurwoorden toch goede kleurherkenning ; Himba: taal beïnvloedt kleurcategorieën
Drie vormen van denken
Propositional (uitspraken) ; imaginal (beelden) ; motoric (bewegingen)
Concepten
Mentale categorieën van zaken met gemeenschappelijke kenmerken
Proposities
Uitspraken die concepten verbinden; bouwstenen van redeneren
Prototype
Meest typisch, geïdealiseerd lid van een categorie; adelaar sneller vogel dan pinguïn
Deductief redeneren (logical proof)
Van algemene regel/premissen naar specifieke conclusie; zeker bij ware premissen
Inductief redeneren (logical guesswork)
Van observaties naar algemene conclusie of hypothese; waarschijnlijk, nooit zeker
Gray en Bjorklund
Drie soorten redeneren: inductief, deductief en creatief probleemoplossen
Syllogisme
Premisse major ; premisse minor ; conclusie
Geldige afleidingen
Affirm the antecedent (Max is Rottweiler, dus vriendelijk) ; deny the consequent (niet vriendelijk, dus geen Rottweiler)
Ongeldige afleidingen
Denying the antecedent ; affirming the consequent
Validiteit (syllogisme)
Conclusie volgt noodzakelijk uit de premissen
Soundness
Syllogisme is valide én alle premissen zijn waar
Wason four-card selection task
Weinig mensen kiezen logisch juiste kaarten; in betekenisvolle context veel beter
Wasons reeksentest
Regel achter reeks raden; mensen testen vooral bevestigend en vinden simpele regel niet
Belief bias
Logica loslaten als conclusie niet past bij overtuigingen
Framing
Zelfde informatie anders gepresenteerd geeft ander oordeel; 50% succes klinkt beter dan 50% falen
Vier fasen probleemoplossen
Probleem framen ; oplossingen genereren ; testen en weerleggen ; evalueren en herzien
Mental set
Vasthouden aan eerder succesvolle methode terwijl eenvoudiger aanpak bestaat
Problem-solving schema's
Mentale stap-voor-stap-scripts voor bepaalde typen problemen
Algoritme
Procedure die gegarandeerd tot juiste oplossing leidt, maar tijdrovend kan zijn
Heuristiek
Snelle vuistregel; efficiënt, maar foutgevoelig
Means-ends analyse
Huidige toestand met doel vergelijken en verschil stap voor stap verkleinen
Subgoal analyse
Groot probleem opsplitsen in tussendoelen
Fast thinking
Automatisch, associatief, onbewust, onnauwkeurig; gebruikt heuristieken
Slow thinking
Bewust, gecontroleerd, regelgebaseerd, aandacht eisend; gebruikt algoritmen
Dual-processing theorieën
Onderscheiden snel/onbewust denken en langzaam/bewust denken
Kahneman en Tversky
Benadrukken redeneerfouten: mensen minder rationeel dan gedacht; Linda-probleem
Gigerenzer
Snelle beslisregels zijn adaptief en vaak succesvol; recognition heuristic
Recognition heuristic
Kies de bekende optie; Münchense studenten raadden grootste Amerikaanse stad vaker goed
Exponentiële groei
Wordt bij snel denken onderschat; rijstkorrels verdubbelen per schaakvakje
Representativiteitsheuristiek
Waarschijnlijkheid beoordelen op gelijkenis met prototype
Conjunction fallacy
Combinatie (feministe én bankmedewerker) waarschijnlijker achten dan één onderdeel; Linda-probleem
Availability heuristiek / bias
Oordeel op hoe makkelijk voorbeelden beschikbaar zijn; recente of dramatische zaken lijken waarschijnlijker
Confirmation bias
Zoeken naar bevestigende i.p.v. weerleggende informatie
Mendel et al. (2011)
Psychiaters die vooral bevestigende info zochten, stelden vaker verkeerde diagnose (30% vs 73% juist)
Overconfidence
Juistheid van eigen kennis en voorspellingen overschatten
Predictable-world bias
Inductief redeneren toepassen waar uitkomst op toeval berust
Gambler's fallacy
Na vier keer munt denken dat kop waarschijnlijker wordt
Maximizing en matching
Dobbelsteen 4 rood, 2 groen: altijd rood = 67% goed ; kansen nadoen = 4/9 + 1/9 = 56%
Base rate
Basisfrequentie; prevalentie 1/1000, 5% fout-positief: ±51 positief, 1 ziek, dus ±2% kans
P(A|B) en P(B|A)
Kans op ziekte bij positieve test is niet gelijk aan kans op positieve test bij ziekte
Analogical reasoning
Overeenkomsten herkennen om eerdere oplossingen toe te passen; nuttig, niet altijd juist
Raven's Progressive Matrices
Non-verbale test met patroonherkenning en analogieën; beperkt cultuurgebonden kennis
Creativiteit
Iets produceren dat nieuw én waardevol is
Divergent denken
Meerdere nieuwe mogelijkheden genereren i.p.v. één conventionele oplossing
Trial and error / brute force
Alle mogelijkheden proberen bij creatief probleemoplossen
Opmerkzaamheid
Inzicht dat oplossing biedt, bv. domino's bedekken altijd rood én zwart vakje
Functional fixedness
Object alleen in gebruikelijke functie zien; angst en spanning werken het in de hand
Breaking out
Stoppen en probleem anders benaderen; opgewektheid helpt
Incubation
Probleem loslaten waarna oplossing later, soms na slaap, makkelijker komt
Analytisch en holistisch denken
Westers: analytisch, gericht op object ; niet-westers: holistisch, gericht op context