1/164
Looks like no tags are added yet.
Necleosoom
Histonen, DNA
Nucleotide
Suiker, base, fosfaat
Nucleoside
Suiker, base
Helicase
Opent DNA
Primase
Bind aan DNA en maakt primer
Topoisomerase
Verlicht druk op nog aan elkaar vast zittend template DNA
Enkelstrengs-bindend DNA
Voorkomt herbinding ouderstrengen na separatie
DNA polymerase
Bouwt een nieuwe streng aan template DNA
Okazaki fragmenten
Kleine stukken DNA om in de juiste richting te kunnen repliceren
Telomeer
Uiteinden van chromosomen die tegen beschadigingen daar zitten
Ribosoom
Transleert mRNA naar een eiwit
mRNA
messenger RNA, draagt DNA naar ribosoom
Codon
Drietal base die voor 1 aminozuur coderen
RNA polymerase
Bouwt RNA streng op en ontwind DNA
Promotor
plaats waar transcriptie begint
Terminator
Einde van transcriptie
Transcriptie eenheid
Stuk DNA tussen promotor en terminator die word getransleerd
TATA box
Nucleotide sequentie met TATA in de promotor nog voor het startpunt
Transcriptie factoren
eiwitten betrokken bij het complex dat RNA polymerase toelaat te transcripteren
Transcriptie initiatie complex
Transcriptiefactoren + RNA polymerase II
Stopsignaal AAUAAA
Geeft aan dat de keten binnenkort moet worden afgeknipt.
pre-mRNA
mRNA voor modificatie om door te gaan naar translatie
5’ cap
Gemodificeerd Guanine dat word toegeveogd aan het 5’ uiteinde van een mRNA streng
Poly-A tail
Staart uitsluitend bestaande uit Adenine
RNA splicing
Het knippen en opnieuw vastmaken van RNA
Introns
Niet coderende gedeeltes van het pre-mRNA
Exons
Wel coderende stukken van het pre-mRNA
Spliceosoom
Eiwit verantwoordelijk voor het wegknippen van introns
Smal RNA
Kleine stukjes RNA in het spliceosoom die kunnen binden aan het RNA
Ribozymen
RNA moleculen die functioneren als enzym
Alternatieve RNA splicing
Genen kunnen voor meerdere proteïne coderen afhankelijk van welke stukken als introns worden gezien
Domeinen (van een proteïne)
Verschillende delen van een proteïne
Exon shuffling
De theorie waarbij introns ervoor zorgen dat er meer ruimte over is voor cross over
Transfer RNA tRNA
Transporteren aminozuren naar de groeiende polypeptide
Anticodon
De antiparallele sequentie van een codon sequentie
Aminoacyl-tRNA sythetases
Enzym dat een aminozuur linkt aan zijn tRNA via hydrolyse (H2O word afgesplitst)
Wobble
Flexibelheid in anticodon zodat tRNA aan meerdere codes kan binden
rRNA, ribosomaal RNA
Waar ribosomen voor een deel van zijn gemaakt
P-site
Middelste, houd de ketting vast
A-site
tRNA met het volgende aminozuur
E-site
Exit kant, laat tRNA gaan
Methionine
Initiaitie aminozuur
Releasefactor
Proteïne die bind aan het stopsignaal en zorgt dat de synthese stopt door toevoeging van water
Gebonden en ongebonden ribosomen
Gebonden: vast in het ER
Ongebonden: in het cytosol
Signaal peptide & signaal-herkennings molecuul (SRP)
Stuk aminozuren die wprd herkend door het SRP dat het aan het ER vastmoet om de synthese compleet te maken
Polyribosoom
Meerdere ribosomen bezig met 1 mRNA
Mutaties
Veranderingen aan genetische informatie
Puntmutatie
Verandering in 1 nucleotide paar
Nucleotidenpaarsubstitutie
Substitutie van 1 nucleotidepaar met een ander
Stille mutatie
Mutatie waarbij de verandering voor hetzelfde aminozuur blijft coderen
Missense-mutaties
verandering van aminozuur
Nonsense-mutatie
Puntmutatie waarbij het codon verandert in een stopcodon
Insertie en deletie
Toevoeging of verwijdering van nucleotiden
Frameshift mutatie
Opschuiving van codons door deletie of insertie
Spontane mutaties
Onjuiste base bij paar die word gebruikt als template
Mutagenen
Factoren die zorgen voor een mutatie
Operon
Het gehele stuk DNA dat nodig is om een bepaald eiwit zijn functie en beweging te faciliteren
Operator
Zet genen aan of uit
Repressor
Bind aan de operator en voorkomt de mogelijkheid voor RNA polymerase om te binden
Regulerend gen
Gen die een stuk verder weg is van operon en eigen promotor heeft. Het gen codeert voor een inactieve vorm die actief word als het molecuul van de operon eraan bind, en zo kan het regulerend eitwit binden aan de operator
Allosterisch eiwit
Eitwit waarvan de vorm veranderd als het niet gebonden is op zijn functionele plaats
Corepressor
Een eiwit dat meewerkt in het onderdrukken van een operon
Repressief operon
Staat aan, kan worden uitgezet
Induceerbaar operon
Staat uit, kan worden aangezet
Inductor
molecuul dat repressor inhibeerd en inactiveerd
induceerbare enzymen
Enzymen die worden gesynthetiseerd afhankelijk van een chemisch signaal
Repressieve enzymen
Enzymen die worden gesyntetiseerd tot ze worden onderdrukt
cyclic AMP, cAMP & cAMP receptor protein
Ontstaat als er weinig glucose is & Activator dat bind aan promotor als cAMP eraan bind en stimuleert de transcriptie. Samen bepalen ze de snelheid/efficientie van de transcriptie
Differentiële genexpressie
De expressie van verschillende genen door cellen met hetzelfde genoom
Histon acetylatie
De additie van acetyl groep aan een aminozuur in een histonstaart, opent chromatine
DNA methylatie
Toevoeging van methylgroepen aan DNA waardoor aflezen minder makkelijk gaat
Epigenetische overerving
Erving door mechanisme buiten de basenparen om
controle elementen
Stukken niet-coderend DNA die als bindingsplaatsen dienen waaraan transcriptiefactoren binden
Algemene transcriptie factoren
Factoren die binden in de promotor aan DNA of aan eiwitten en in elke transcriptie nodig zijn
Specifieke transcriptie factoren
Factoren die niet nodig zijn om het transcriptie proces te starten maar het wel kunnen versterken of afzwakken
Proximale en distale controle elementen
dichtbij en ver weg van de promotor
Enhancers
Plekken waar activators of repressors aan kunnen binden
DNA-bindende domeinen
Bindend aan DNA
Activatie domeinen
Binden aan transcriptie mechanica
Mediator eiwitten
Plekken waar activors aan vastpakken
Transcriptie fabriek
Kruispunt van chromatine loops van hetzelfde/andere chromosomen
Differentiaitie
Proces waarbij cellen in fucntie en structuur specialiseren
Morfogenese
De ontwikkeling van de vorm van een organisme
Cytoplasmatische determinanten
Moederlijke substanties die de vroege ontwikkeling van het ei beinvloeden
Inductie
Signalen van cellen direct naast de cel die invloed uitoefenen
Determinatie
moment waarop embrionale cel defintief een bepaalde celtype word
Weefsel-specifieke eitwitten
Eiwitten die alleen bij dit soort weefsel voorkomen
Myoblast
cellen die spiercellen, of iets anders kunnen worden
myoD
gen dat bepaalde cellen omtovert in spiercellen
Oncogenen
Kanker veroorzakende genen
Proto-oncogenen
De normale versie van deze oncogenen
Tumor-sepressor genen
Genen die celdivisie inhiberen
ras gen
Gen dat codeert voor signaal voor celdivisie
p53 gen
Gen dat cel divisie kan inhiberen als er schade is aan het DNA
Nucleïnezuurhybridisatie
Basenparen van 1 streng met een andere streng
DNA sequencing
Ontrafelen van nucleotide sequentie
Plasmide
circulair DNA van bacterieën
Recombinant DNA molecuul
Molcuul met DNA van meerdere bronnen
Gen klonering
meerdere copieën van 1 gen
Restrictie enymen
enzymen die DNA moleculen knippen