1/28
Een complete set flitskaarten met begrippen en definities op basis van de geleverde lesstof over biologische onderwerpen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Organisme
Een levend wezen.
Levenskenmerken
De zeven kenmerken van het leven: ademhalen, bewegen, voeden, uitscheiden, waarnemen, voortplanten en groeien.
Levend
Toestand van een object of wezen als het levenskenmerken heeft.
Dood
Toestand van iets dat geen levenskenmerken meer heeft, maar vroeger wel heeft geleefd.
Levenloos
Toestand van iets dat nooit heeft geleefd.
Groei
Het proces waarbij een organisme groter en zwaarder wordt.
Ontwikkeling
Het veranderen van de bouw van een organisme, waardoor delen hun functie beter kunnen vervullen of nieuwe delen kunnen ontstaan.
Zaadhuid
Het buitenste deel van een zaad dat zorgt voor bescherming.
Navel
De plaats waar het zaad aan de plant vastzat.
Poortje
Een gaatje in het zaad om snel water op te nemen.
Kiem
Het begin van een nieuwe plant binnenin het zaad.
Zaadlobben
Delen van een zaad die voedsel bevatten en bij kieming de eerste bladeren vormen.
Kieming
Het proces waarbij een zaad water opneemt, de zaadhuid openbarst en de kiem begint te groeien.
Kiemplant
Het kleine plantje dat ontstaat bij de kieming.
Lichamelijke ontwikkeling
Veranderingen die plaatsvinden in het lichaam.
Geestelijke ontwikkeling
Veranderingen in het verstand, het gevoelsleven en het karakter.
Motorische ontwikkeling
Het aanleren en ontwikkelen van bewegingen.
Groeispurt
Een periode van snelle groei.
Fotosynthese
Het proces waarbij een plant uit water, koolstofdioxide en licht glucose en zuurstof maakt.
Glucose
Een soort suiker die ontstaat bij fotosynthese en waaruit de plant andere stoffen maakt.
Gedaanteverwisseling
Het proces waarbij de lichaamsbouw en levenswijze van een jong dier (larve) veranderen als het volwassen wordt.
Larve
Het jonge dier bij soorten die een gedaanteverwisseling ondergaan.
Landplanten in een vochtige omgeving
Planten met grote, dunne bladeren en weinig, kleine wortels.
Landplanten in een droge omgeving
Planten met kleine, dikke bladeren en veel, diepe wortels.
Kegelsnavel
Een snaveltype dat geschikt is om harde zaden stuk te bijten.
Pincetsnavel
Een snaveltype dat geschikt is om insecten uit boomschors te peuteren.
Haaksnavel
Een snaveltype dat geschikt is om vlees van prooidieren te scheuren.
Priemsnavel
Een snaveltype dat geschikt is om bodemdiertjes diep uit de bodem te halen.
Zeefsnavel
Een snaveltype dat geschikt is om voedsel uit het water te zeven.