1/105
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Trickle-down theorie
Stijlen worden geïnitieerd door de sociaal-economische bovenlaag van de maatschappij, dat vervolgens wordt geïmiteerd door de lagere sociaal-economische klasse. De hogere klasse wil zichzelf onderscheiden en neemt een nieuwe stijl aan
Kaunakes
Mesopotamië; rok gedragen door mannen, vaak met kwasten
Kalasiris
Jurk gedragen in oude Egypte
Lendendoek
Doek rond de lendenen, andere termen in verschillende landen (shenti of perizoma)
Tuniek
Algemeen T-vormig kledingstuk
Chiton
Kledingstuk gedragen door mannen en vrouwen in het oude Griekenland, bestaande uit een rechthoekig stuk stof, om het lichaam gevouwen en op de schouders vastgemaakt met een of meerdere spelden
Peplos
Chiton, gedragen door vrouwen, waarbij de bovenkant van de stof is omgeslagen (apoptygma) over de borst
Himation
Kledingstuk gedragen door mannen in het oude Griekenland, bestaande uit een grote rechthoek van stof, gewikkeld om het lichaam over de linkerschouder en onder de rechterarm
Chlamys
Korte mantel bestaande uit een rechthoekig stuk stof, op één schouder vastgespeld, met name door mannen gedragen in het oude Griekenland
Tabenna
Ronde mantel gedragen door de Etrusken
Toga
Kledingstuk gedragen door Romeinse burgermannen, bestaande uit een halfrond stuk stof, gedrapeerd om het lichaam. Vgl. tabenna
Clavus (mv. clavi)
Brede, verticale, decoratieve band die van de schouder tot de zoom van de tuniek loopt
Stola
Lang kledingstuk gedragen door Romeinse vrouwen
Palla
Sjaal gedragen door Romeinse vrouwen, over de schouder of over het hoofd als sluier
Dalmatiek/Dalmatic
Romeinse tuniek gedragen tussen de 2e en 5e eeuw, volumineuzer en met (meer gedefinieerde) langere mouwen dan eerdere tunieken
Fibula
Speld om gedrapeerde kleding bij elkaar te houden, mechaniek lijkt op een veiligheidsspeld
Braies/ Breeches (later kniebroek)
Algemene term gebruikt voor mannenkledingstukken voor het onderlichaam, met twee pijpen (bifurcated), gedragen vanaf de Middeleeuwen
Hemd/Chemise
Losvallend onderkledingstuk
Hozen/Hosen
Kousen, ook aanduiding voor broek-achtig kledingstuk bestaande uit twee losse pijpen
Bliaud/Bliaut
Lang (soms knielang), jurkachtig, nauwsluitend kledingstuk, krijgt vorm door middel van ingezette driehoeken
Bliaud gironé
Lang (soms knielang), jurkachtig, kledingstuk waarbij een nauw lijfje en een wijde rok aan elkaar zijn bevestigd
Wimpel/Whimple (EN)/Guimple (FR)
Hoofddeksel gedrapeerd rond hoofd en hals, meestal gemaakt van wit linnen of witte zijde
Barbette
Band onder kin en om hoofd
Cotte (FR)/Cote (EN)
Lange ondertuniek met lange mouwen (denk aan moderne woord coat)
Surcotte (FR)/ Surcote/ Cottehardie (EN)
Lange boventuniek zonder mouwen (sur = op; bovenop de cote)
Tabbaard/Tabbard
Losvallend kledingstuk met korte of geen mouwen, aanvankelijk alleen monniken en mannen uit lagere sociale klassen, later ook als militaire dracht (ook: cyclas, garnache, herigaut, gardecorps)
Kaproen/Chaperon
Kap die reikt tot de schouders, aan de achterkant van het hoofd eindigend in een lange punt (lierepijp of lamfer). Later ook gedrapeerd over het hoofd met de opening voor het gezicht als de opening voor het hoofd
Hennin
Hoog, puntig hoofddeksel, voornamelijk gedragen door vrouwen in de 14e eeuw
Escoffion
Hoofdrol voor vrouwen, lijkt soms op de hoorn van koeien
Opzichtige consumptie/ Conspicuous consumption
Consumeren van goederen met als voornaamste doel te laten zien dat men welvarend is
Opzichtige “vrij tijd”/ conspicuous leisure
Dragen van belemmerende kledingstukken waarin het moeilijk is om fysiek werk te doen, met als voornaamste doel te laten zien dat men welvarend is(en geen fysiek werk hoeft te doen)
Weeldewet/Sumptuary law
Wet die specifieke sociale klassen restricties en verplichtingen oplegt m.b.t. het eigenaarschap en dragen van luxegoederen en -materialen
Mi-parti
Kleding die is opgedeeld in twee kleurvlakken (vaak links en rechts) die corresponderen met de kleuren van een familiewapen
Wambuis/Doublet/poourpoint/gipon
Nauwsluitend kledingstuk voor het bovenlijf manne, soms gewatteerd en meestal met mouwen
Insnijding/dashing/slashing
Inknippen of insnijden van stof van een kledingstuk, waardoor de onderkleding zichtbaar en kan er doorheen getrokken worden
Houppelande
Land kledingstuk gedragen door mannen en vrouwen, nauwsluitend rond de schouder en uitlopend in lange, verticale plooien, getailleerd met een riem
Huke
Mouwloos overkledingstuk gedragen door mannen uit hogere klassen. Dicht op de schouders en open aan de zijkanten. Gedragen met of zonder ceintuur. Niet te verwarren met de Nederlandse huik
Poulaine
Schoen met zeer lange punt
Chopines
Schoenen met een hoog plateau, gedragen door vrouwen in Venetië
Borst (16e/17e eeuw)/Borststuc/pièce/busquière (vanaf late 17e eeuw)/ Stomacher
V-vorming kledingonderdeel dat op het bovenlichaam van de vrouw de verbinding vormt tussen de voorpanden van de ‘vlieger’ of robe à la française
Braquette/Codpiece
Kap, zak of buidel die de schaamstreek van de man bedekt en de verbinding vormt tussen de hozen
Vlieger/Gown (EN)/ ropa (ES)
Lange, open jasjurk met of zonder mouwen die met een borst en rok, of over een lijf met mouwen en rok werd gedragen (specifiek voor de Nederlanden)
Plooikraag/Lobbenkraag/Ruff(e)
Geplooide strook die in de 16e eeuw begon als gerimpelde strook op de hemdsboord, maar vanaf ca. 1570 los wordt gedragen als plooikraag
Lijfje/Bodice
Algemene term voor het deel van een vrouwenkledingstuk dat het bovenlichaam bedekt
Fardegalijn/Farthingale (EN)/verdugado (ES)
Hoepelrok met ingenaaide hoepels van balein, hout, riet of metaal, bedoeld om de rok te ondersteunen
Huik
Lange, wijde mantel bevestigd aan een plat (rond) hoedje met opstaande staak (brabant) of aan een hoedje met een uitgeholde vorm (geul; holland), gedragen door vrouwen in de Nederlanden en Duitsland
Portefraes/Supportasse
Constructie van metaal om de plooikraag te ondersteunen en in de juiste hoek rond het gezicht te plaatsen
Bragoen/schouderrol/brahon (ES)
Wielvormige versiering op de schouder
Cravat/halsdoek
Langwerpige, smalle doek - al dan niet aan de uiteinden afgezet met kant - die vanaf de jaren 1660 door de man om de hals werd geknoopt. Tot in de 19e eeuw gehandhaafd
Platte kraag/ falling band
Platte kraag
Rhingrave en innocent
Kostuum bestaande uit een wijde broekrok (rhingrave) en een kort jasje (innocent) gedragen door mannen in het derde kwart van de 17e eeuw
Justeaucorps/sustekoord
Nauwsluitende (ajustée au corps), knielange mannenjas gedragen vanaf het vierde kwart van de 17e tot het midden van de 18e eeuw
Manteau/tabbaard à la Reine/ Samaar/ Mantua (EN)
Open japon met halflange mouwen en gecombineerd met borststuk, waarvan de rok steeds verder naar opzij en achteren wordt opgenomen zodat de onderrok zichtbaar is. Rond 1750: lijf met rudiment van overrok op de rug, brede rok en driehoekig ‘pièce’
Fontage
Eerst gebruikt voor ene kapsel op het voorhoofd, daarna een langwerpige strook kant of linnen, die gerimpeld en gestapeld in het omhoog gekamde haar worden gedragen. Komt vanaf de late jaren 1680 in de mode in Frankrijk
Cravat à la Steenkerke/ Steinkirk
Na de slag bij Steenkerke (1692), waarbij het Franse leger in de vroege ochtend werd verrast door het Nederlandse/Engelse leger, maar desondanks overwon, komt een nieuwe, eenvoudige knoop in de mode waarbij een uiteinde door een knoopgat werd gehaald
Japonsche rock/rok / Jappan gown/Nighte gown/ banyan
Los vallend, vaak gewatteerd gewaad, dat door de VOC vanuit Japan werd geïmporteerd en dat door mannen en vrouwen binnenshuis gedragen werd. Voering van zijde watten. Zeer beperkte toevoer en daardoor statussymbool
Sits/Chintz
Katoenen stof, geverfd met beits- en uitsparingstechniek en geschilderd. Geïmporteerd uit India
Redingote/ Riding coat (EN)/ redingote (FR)
Oorspronkelijk in Engeland een jas die tijdens het paardrijden werd gedragen. Naam verbasterd naar redingote en in Frankrijk door mannen en later ook door vrouwen (o.a. als jasjurk) gedragen.
Vest/kamizool/waistcoat
Kledingstuk dat over het hemd en onder de jas gedragen wordt. Aanvankelijk tot op of over de bovenbenen maar later steeds korter wordend, met sluiting middenvoor. Vaak onderdeel van driedelig pak of “pack klederen” met jas en (knie)broek. Eerst met mouwen, later mouwloos
Frak/Frock coat
In de 18e eeuw een overjas voor mannen (krijgt in de 19e eeuw een andere betekenis)
Japon/huisjas/cambaai/indian gown/banyan
Losvallend of asymmetrisch gesloten huisjas van sits, die door mannen en vrouwen gedragen wordt. Soms ook op straat
Paniers/balijne rock/panniers
Ovale hoepelrok van linnen of katoen, waarin walvisbaleinen, houten, metalen of rieten baleinen zijn genaaid, die de rok in de gewenste vorm meoten brengen. Soms ook twee klein halfronde, van boven open “mandjes” die op de heup gedragen worden; panier double
Keurslijf/rijglijf/stays
Een rondom met baleinen verstevigd lijf, dat onder de kleren wordt gedragen, maar in huis ook onbedekt met een (onder)rok
Busc (FR)/planchette/blanchette/busk
Brede lat of latten van walvisbalein, metaal of hout die middenvoor in een korset werd(en) aangebracht om het onberispelijk strak en recht te houden
(Onder)rok/petticoat
Onderrok gedragen met een open overjurk of vliegen of zichtbaar wanneer de bovenrok naar opzij en achteren werd opgenomen
Sak/Saque
Algemene term voor los vallende vrouwenjaponnen
Plis Watteau/Watteau back/ Sack back
Gedeeltelijk dichtgenaairde platte plooien aan de achterzijde van robe volante of à la Française, die vanaf de schouderbladen breed openvallen. De naam verwijst naar Franse schilder Antoine Watteau
Robe volante/battante
Gesloten wijd vallende japon, die meestal over ronde hoepelrok wordt gedragen met plooien op de rug
Robe à la Française
Open japon met een aan de voorkant nauwsluitend bovenlijf, halflange mouwen en gedeeltelijk openvallende, platte plooien onder de nek op de rug. Wordt met driehoekig borststuk of pièce gedragen. Rok van dezelfde of andere stof. Soms slechts een “halve rok” of “tablier”
Robe à l’Anglaise
Japon met aansluitende rug (d.m.v. vast-gestikte plooien of naden)
Polonaise/robe à la Polonaise
Japon waarvan lijf en overrok één geheel vormen. Deze over-rok wordt aan de achterkant opgehaald en poft waardoor de onderrok goed zichtbaar is
Chemise à la reine
Los vallende, gerimpelde japon van dunne katoen, die volgens tijdgenoten leek op een “chemise” of hemd, wordt getailleerd met een ceintuur of sjerp
Jak/casaquin/caraco
Jakje met schoten die over de heupen vallen, kortere versie van de japon, gedragen met bijpassende of afstekende rok. Voor gegoede vrouwen huisdracht, voor vrouwen uit het volk daagse dracht. Vanaf de 19e eeuw streekdracht
Fichu/halsdoek
Halsdoek van fijngeweven linnen of katoen die diagonaal tot een driehoek worden gevouwen en om de schouders wordt gedragen
Kasjmier sjaal/shawl
Sjaal van extreem fijne en zachte geitenwol (pashmina) uit het Indiase Kashmir met palmet of boteh-motief
Sjaal/shawl/Paisley shawl
Sjaal geproduceerd in het Schotse Paisley, imitaite van de kostbare kasjmier sjaals met gestileerd palmet of boteh-motief. Tegenwoordig bekend als paisley-motief
Sans-culottes
Bijnaam voor Franse revolutionairen die geen kniebroek maar een lange, los vallende zeemansbroek (sans = zonder; culotte = kniebroek)
Spanbroek/Pantaloon
Lange broek die soms met banden onder de voet strakgespannen wordt gedragen
Frank/Rokjas/Tailcoat/Dresscoat
Jas met van voren een recht weggesneden panden en achter twee lange slippen (tails). Begin 19e eeuw dagelijkse dracht, maar in de loop van de eeuw steeds meer in de avond gedragen. Tegenwoordig de meest formele avondkleding; het rokkostuum (white tie)
Geklede jas/ Frock coat
Jas met lange rechte voorpanden, geen overjas. Werd overdag gedragen. Rodn 1900 in onbruik geraakt
Jacquetjas/Morning coat
Jas met rond weggesneden voorpanden. Wordt in de loop van de eeuw steeds formeler. Nu nog onderdeel van het ensemble jacquet en gestreepte broek dat bijv. bij formele bruiloft wordt gedragen
Sac (tegenwoordig colbert)/ sac jacket/ lounging jacket
Jas zonder taillenaad die losser valt. Eerst vooral gedragen als vrijetijdsdracht en door arbeiders. Tegenwoordig het jasje van een herenpak
Empire taille/waist
Verhoogde taille net onder de borsten
Luifelhoed/(Poke) bonnet
Hoed met brede rand die het gezicht omlijst
Reticule
Klein tasje, kwam in de mode omdat de rokken sluiker werden rond 1800 en geen losse zakken meer gedragen konden worden
Schapenboutmouw/ Leg ‘o mutton sleeve (EN)/ gigot (FR)
Mouw die van boven zeer wijd gepoft is en richting de pols smal toeloopt
Pelerine
Oorspronkelijk extra ‘kraag’ op een mannenjas, maar later een schoudermantel voor vrouwen
(Cage) crinoline
Ronde hoepelrok met stalen hoepels gepatenteerd in 1856. Daarvoor werd het woord gebruikt voor onderrokken met paardenhaar (crin = paardenhaar)
Korset/Corset
Benaming die vanaf het begin van de 19e eeuw werd gebruikt voor rijglijven verstevigd met baleinen (walvis of staal). Deze werden onder de bovenkleding gedragen
Smoking/Tuxedo
Avondkleding (black tie) die minder formeel is dan het rokkostuum. Jasje zonder taillenaad zoals een sac.
Knickerbocker(s)
Pofbroek tot net onder de knie, aanvankelijk vooral gedragen door mannen voor sport. Vanaf het einde van de 19e eeuw heel af en toe door vrouwen
Norfolk jasje/jacket
Jasje met riem en plooien aan de achterkant. Gedragen voor informele meer sportieve aangelegenheden (zoals de jacht)
Pullover
Gebreide trui die over het hoofd aan te trekken is
Blazer
In de 19e eeuw: jasje met enkele rij knopen of enkele knoop, effen of gestreept, ook gedragen voor sport. Tegenwoordig vallen hieronder ook jasjes met andere knopenformaties, zakken en kleuren. Gewoonlijk gedragen met niet-bijpassende broek
Cilinderhoed/top hat
Hoed met hoge cilindervormige bol, formeel
Tournure/ queue (de Paris)/ Bustle
Eerst goed gesteven onderrok van stevige katoen met boven- en over elkaar liggende gerimpelde stroken, later een hoepelconstructie met baleinen die vanaf de taille over de billen hing en voor volume zorgde aan de achterkant
Haute-couture
Exclusieve, op maat gemaakte, meestal deels met de hand gemaakte kledingstukken die (speciaal) ontworpen zijn door een modeontwerper of couturier, die er zijn naam aan verbindt
Confectie/Ready to wear (EN)/ Prêt à porter (FR)
Kleding die niet op bestelling is gemaakt, maar vooraf is geproduceerd, vaak industrieel en op grotere schaal, en kant-en-klaar in winkels wordt aangehouden
Bloomer
Wijde pofbroek bedacht door Amelia Bloomer in het midden van de 19e eeuw in een poging vrouwenkleding praktischer te maken. Aan het einde van de eeuw werden ze wel gedragen als sportkleding voor vrouwen
Reformkleding/garment
Losser vallende kleren, die eventueel zonder korset gedragen konden worden. De Reformbeweging was voorstander van kleren die meer bewegingsvrijheid boden en gezonder zouden zijn