Frans: Het Weer, Seizoenen en Activiteiten

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/37

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Oefenkaarten over Franse woordenschat en uitdrukkingen met betrekking tot het weer, seizoenen, windrichtingen, kleding en vrijetijdsactiviteiten.

38 Terms

1
New cards

Wat betekent de Franse uitdrukking "Il fait beau"?

Het is mooi weer.

2
New cards

Wat betekent "Il y a du soleil" in het Nederlands?

De zon schijnt (er is zon).

3
New cards

Wat betekenen "Il fait mauvais" en "Il fait gris"?

Het is slecht weer en het is grijs (somber).

4
New cards

Wat betekent "Il y a du brouillard"?

Het is mistig (er is mist).

5
New cards

Wat betekent "Il y a des éclaircies"?

Er zijn opklaringen.

6
New cards

Wat betekenen de uitdrukkingen "Il pleut" en "Il y a des averses"?

"Il pleut" betekent "het regent" en "Il y a des averses" betekent "er zijn buien".

7
New cards

Wat betekenen "Il neige" en "Il gèle"?

Het sneeuwt en het vriest.

8
New cards

Wat is het verschil in betekenis tussen "Il fait chaud" en "C'est chaud"?

"Il fait chaud" betekent dat het warm weer is, terwijl "C'est chaud" betekent dat het (gerecht) warm is.

9
New cards

Wat betekenen de Franse zelfstandige naamwoorden "l'arbre (m)" en "les bois (m)"?

De boom en het bos.

10
New cards

Wat betekenen "la botte", "la casquette", "le pull" en "la veste"?

De laars, de pet, de trui en de jas / de vest.

11
New cards

Wat betekenen de woorden "la campagne", "la mer" en "la montagne"?

Het platteland, de zee en de berg.

12
New cards

Wat betekenen "l'eau (f)", "la gourde" en "le sac à dos"?

Het water, de drinkfles en de rugzak.

13
New cards

Wat betekenen "la nature", "la neige" en "le parapluie"?

De natuur, de sneeuw en de paraplu.

14
New cards

Wat betekenen de Franse woorden "le temps", "le soleil" en "le vent"?

Het weer, de zon en de wind.

15
New cards

Wat is de Nederlandse vertaling van het bijvoeglijk naamwoord "prochain, prochaine"?

Volgend(e).

16
New cards

Wat betekenen de onveranderlijke woorden "aujourd'hui" en "(après-)demain"?

"Aujourd'hui" betekent "vandaag" en "(après-)demain" betekent "(over)morgen".

17
New cards

Hoe vertaal je de vier seizoenen inclusief voorzetsel ("On est en quelle saison ?")?

"en automne (m)" (in de herfst), "en hiver (m)" (in de winter), "au printemps (m)" (in de lente) en "en été (m)" (in de zomer).

18
New cards

Welke twee manieren worden genoemd om te vragen naar het weer?

"Il fait quel temps ?" en "Tu sais quel temps il fait ?".

19
New cards

Wat betekenen de weeruitdrukkingen "Il fait frais", "Il fait nuageux" en "Il fait pluvieux"?

Het is fris, het is bewolkt (er zijn wolken) en het is regenachtig.

20
New cards

Hoe druk je de vier windrichtingen uit in het Frans ("C'est où ?")?

"dans le nord" (in het noorden), "dans l'est" (in het oosten), "dans le sud" (in het zuiden) en "dans l'ouest" (in het westen).

21
New cards

faire du cyclisme

Fietsen / wielrennen,

22
New cards

Wat betekenen "traîner en ville", "faire du shopping", "nager" en "jouer à un jeu"?

Rondhangen in de stad, winkelen / shoppen, zwemmen en een spel spelen.

23
New cards

Wat betekenen "l'anorak (m)", "le bikini" en "le bonnet"?

De windjas, de bikini en de muts.

24
New cards

Wat betekenen "la capitale", "la côte", "le désert" en "la forêt"?

De hoofdstad, de kust, de woestijn en het woud.

25
New cards

Wat betekenen "la chaussure de marche", "le coup de vent" en "la crème solaire"?

De wandelschoen, de windstoot en de zonnecrème.

26
New cards

Wat betekenen "le degré" en "l'éclaircie (f)"?

De graad en de opklaring.

27
New cards

Wat betekenen "la grêle" en "l'orage (m)"?

De hagel en het onweer.

28
New cards

Welke twee termen worden in de bronnen gegeven voor "de regenjas"?

"l'imper-(méable) (m)" en "la veste de pluie".

29
New cards

Wat betekenen "les jumelles (f)" en "les lunettes de soleil (f)"?

De verrekijker en de zonnebril.

30
New cards

Wat betekenen "la météo", "la pluie" en "le nuage"?

Het weerbericht, de regen en de wolk.

31
New cards

Wat betekenen "la rando(nnée)", "la rivière", "le short de bain", "la température" en "la vallée"?

De trektocht, de rivier, de zwemshort, de temperatuur en de vallei.

32
New cards

Wat betekenen de werkwoorden "annoncer" en "prévoir"?

Aankondigen en voorspellen.

33
New cards

Wat betekenen de Franse werkwoorden "geler", "grêler", "neiger" en "pleuvoir"?

Vriezen, hagelen, sneeuwen en regenen.

34
New cards

Wat betekenen de onveranderlijke woorden "dehors" en "là-bas"?

Buiten en daar(ginds).

35
New cards

Wat betekenen "faire du ski", "faire du snowboard" en "faire de l'accrobranche"?

Skiën, snowboarden en een boomklimparcours doen.

36
New cards

Wat betekenen "faire du VTT" en "rouler en quad"?

Mountainbiken en op een quad rijden.

37
New cards

Wat betekenen "faire de la plongée", "jouer au (beach-)volley" en "faire du (kite)surf"?

Duiken, (beach)volleyballen en (kite)surfen.

38
New cards

Wat betekenen "faire une excursion en jeep", "prendre un bain de soleil" en "faire du parapente"?

Een jeepexcursie maken, zonnebaden (een zonnebad nemen) en parapenten.