1/37
Oefenkaarten over Franse woordenschat en uitdrukkingen met betrekking tot het weer, seizoenen, windrichtingen, kleding en vrijetijdsactiviteiten.
Wat betekent de Franse uitdrukking "Il fait beau"?
Het is mooi weer.
Wat betekent "Il y a du soleil" in het Nederlands?
De zon schijnt (er is zon).
Wat betekenen "Il fait mauvais" en "Il fait gris"?
Het is slecht weer en het is grijs (somber).
Wat betekent "Il y a du brouillard"?
Het is mistig (er is mist).
Wat betekent "Il y a des éclaircies"?
Er zijn opklaringen.
Wat betekenen de uitdrukkingen "Il pleut" en "Il y a des averses"?
"Il pleut" betekent "het regent" en "Il y a des averses" betekent "er zijn buien".
Wat betekenen "Il neige" en "Il gèle"?
Het sneeuwt en het vriest.
Wat is het verschil in betekenis tussen "Il fait chaud" en "C'est chaud"?
"Il fait chaud" betekent dat het warm weer is, terwijl "C'est chaud" betekent dat het (gerecht) warm is.
Wat betekenen de Franse zelfstandige naamwoorden "l'arbre (m)" en "les bois (m)"?
De boom en het bos.
Wat betekenen "la botte", "la casquette", "le pull" en "la veste"?
De laars, de pet, de trui en de jas / de vest.
Wat betekenen de woorden "la campagne", "la mer" en "la montagne"?
Het platteland, de zee en de berg.
Wat betekenen "l'eau (f)", "la gourde" en "le sac à dos"?
Het water, de drinkfles en de rugzak.
Wat betekenen "la nature", "la neige" en "le parapluie"?
De natuur, de sneeuw en de paraplu.
Wat betekenen de Franse woorden "le temps", "le soleil" en "le vent"?
Het weer, de zon en de wind.
Wat is de Nederlandse vertaling van het bijvoeglijk naamwoord "prochain, prochaine"?
Volgend(e).
Wat betekenen de onveranderlijke woorden "aujourd'hui" en "(après-)demain"?
"Aujourd'hui" betekent "vandaag" en "(après-)demain" betekent "(over)morgen".
Hoe vertaal je de vier seizoenen inclusief voorzetsel ("On est en quelle saison ?")?
"en automne (m)" (in de herfst), "en hiver (m)" (in de winter), "au printemps (m)" (in de lente) en "en été (m)" (in de zomer).
Welke twee manieren worden genoemd om te vragen naar het weer?
"Il fait quel temps ?" en "Tu sais quel temps il fait ?".
Wat betekenen de weeruitdrukkingen "Il fait frais", "Il fait nuageux" en "Il fait pluvieux"?
Het is fris, het is bewolkt (er zijn wolken) en het is regenachtig.
Hoe druk je de vier windrichtingen uit in het Frans ("C'est où ?")?
"dans le nord" (in het noorden), "dans l'est" (in het oosten), "dans le sud" (in het zuiden) en "dans l'ouest" (in het westen).
faire du cyclisme
Fietsen / wielrennen,
Wat betekenen "traîner en ville", "faire du shopping", "nager" en "jouer à un jeu"?
Rondhangen in de stad, winkelen / shoppen, zwemmen en een spel spelen.
Wat betekenen "l'anorak (m)", "le bikini" en "le bonnet"?
De windjas, de bikini en de muts.
Wat betekenen "la capitale", "la côte", "le désert" en "la forêt"?
De hoofdstad, de kust, de woestijn en het woud.
Wat betekenen "la chaussure de marche", "le coup de vent" en "la crème solaire"?
De wandelschoen, de windstoot en de zonnecrème.
Wat betekenen "le degré" en "l'éclaircie (f)"?
De graad en de opklaring.
Wat betekenen "la grêle" en "l'orage (m)"?
De hagel en het onweer.
Welke twee termen worden in de bronnen gegeven voor "de regenjas"?
"l'imper-(méable) (m)" en "la veste de pluie".
Wat betekenen "les jumelles (f)" en "les lunettes de soleil (f)"?
De verrekijker en de zonnebril.
Wat betekenen "la météo", "la pluie" en "le nuage"?
Het weerbericht, de regen en de wolk.
Wat betekenen "la rando(nnée)", "la rivière", "le short de bain", "la température" en "la vallée"?
De trektocht, de rivier, de zwemshort, de temperatuur en de vallei.
Wat betekenen de werkwoorden "annoncer" en "prévoir"?
Aankondigen en voorspellen.
Wat betekenen de Franse werkwoorden "geler", "grêler", "neiger" en "pleuvoir"?
Vriezen, hagelen, sneeuwen en regenen.
Wat betekenen de onveranderlijke woorden "dehors" en "là-bas"?
Buiten en daar(ginds).
Wat betekenen "faire du ski", "faire du snowboard" en "faire de l'accrobranche"?
Skiën, snowboarden en een boomklimparcours doen.
Wat betekenen "faire du VTT" en "rouler en quad"?
Mountainbiken en op een quad rijden.
Wat betekenen "faire de la plongée", "jouer au (beach-)volley" en "faire du (kite)surf"?
Duiken, (beach)volleyballen en (kite)surfen.
Wat betekenen "faire une excursion en jeep", "prendre un bain de soleil" en "faire du parapente"?
Een jeepexcursie maken, zonnebaden (een zonnebad nemen) en parapenten.