1/50
Looks like no tags are added yet.
Evolutionaire factoren (Volgens Bastian en Amiot kan onze connectie met dieren op verschillende niveaus bekeken worden.)
Onze connectie met dieren krijgt vorm op een instinctief niveau; mensen hebben een aangeboren affiniteit met dieren (en andere Levensvormen). De achterliggende theorie hier is de biofilie-hypothese die stelt dat mensen een aangeboren neiging hebben om zich te richten op levensechte processen, en een natuurlijke behoefte hebben om een connectie te zoeken met de natuur en andere levensvormen.
Relationele factoren (Volgens Bastian en Amiot kan onze connectie met dieren op verschillende niveaus bekeken worden.)
Onze relatie met dieren kan ook begrepen worden vanuit de hechtingstheorie. Net als tussen twee mensen kan er tussen mens en dier een wederzijdse hechtingsrelatie ontstaan, en net als een veilige hechting met een ander mens kan een veilige hechting met een dier positieve effecten op ons hebben.
Sociale factoren (Volgens Bastian en Amiot kan onze connectie met dieren op verschillende niveaus bekeken worden.)
Waar het bij de vorige twee factoren ging om individuen (een mens, of een mens en een dier), wordt de context hier wat breder en kijken we meer naar groepen. Centraal hierin staat sociale identificatie; tot welke groep rekenen we onszelf en hoe zien we ons daardoor in relatie tot dieren? De realistic conflicts-theorie is een model uit de sociale psychologie dat verklaart hoe vijandigheid tussen groepen kan ontstaan wanneer er competitie is over schaarse middelen. Mensen en dieren kunnen in conflict komen wanneer ze strijden om dezelfde beperkte hulpbronnen, zoals leefruimte, voedsel of water
Realistic conflicts-theorie
Is een model uit de sociale psychologie dat verklaart hoe vijandigheid tussen groepen kan ontstaan wanneer er competitie is over schaarse middelen
Us-as-animals
Mensen kunnen gezien worden als lijkend op dieren
Wanneer wij dieren beschouwen als lijkend op mensen (animals-as-us) resulteert dit in meer empathie voor dieren én mensen. We hebben dan vaak sterkere morele overwegingen met betrekking tot menselijke outgroups. Want als dieren onze aandacht en zorg verdienen dan geldt dit automatisch ook voor alle mensen. Dit is echter niet het geval wanneer wij mensen zien als lijkend op dieren (us-as-
).
Animals-as-us
Dieren kunnen gezien worden als lijkend op mensen
Wanneer wij dieren beschouwen als lijkend op mensen (animals-as-us) resulteert dit in meer empathie voor dieren én mensen. We hebben dan vaak sterkere morele overwegingen met betrekking tot menselijke outgroups. Want als dieren onze aandacht en zorg verdienen dan geldt dit automatisch ook voor alle mensen. Dit is echter niet het geval wanneer wij mensen zien als lijkend op dieren (us-as-
).
Vijf overkoepelende factoren die beïnvloeden hoe attituden tegenover dieren gevormd worden (Maréchal en Van der Zee)
Individuele karakteristieken. Hieronder verstaan de auteurs bijvoorbeeld persoonlijkheid, gemoedstoestand, persoonlijke overtuigingen en ethiek.
Sociale aspecten, bijvoorbeeld cultuur, inkomen, opleidingsniveau, waarden, leeftijd en geslacht.
Informatie uit de media.
4. Eerdere ervaringen met dieren.
Karakteristieken van het dier. Denk hierbij bijvoorbeeld aan voorkeuren voor of gelijkenissen met bepaalde diersoorten, waarvoor het dier gebruikt wordt, en biologische of gedragsmatige overeenkomsten met de mens.
In Amiot en Bastian (2014) wordt dieper ingegaan op een aantal specifieke factoren die van invloed zijn op iemands attitude tegenover dieren (6)
Beroep
Religie
Cultuur
Individuele karaktereigenschappen
Ideologische overtuigen
Geslacht
Antropocentrisme
De ideologie dat mensen superieur zijn ten opzichte van dieren
Model van Serpell (2004), (2)
Wordt gebruikt bij het verklaren van hoe attituden tot stand komen. Hij stelt dat de attitude ten opzichte van dieren wordt bepaald door twee motivationele overwegingen:
affect, de affectieve of emotionele respons op dieren
utility, de perceptie van de instrumentele waarde van het dier.
(of heel simpel gezegd: afhankelijk van hoe ‘leuk’ we het dier vinden en de mate waarin we het kunnen ‘gebruiken’).
Attitudes ten opzichte van dieren kunnen volgens Serpell worden beschreven met twee primaire motivationele overwegingen (motivational considerations)
affect en utility
Motivational considerations
Motivationele overwegingen
Affect
emotionele respons op dieren
Utility
Perceptie van de instrumentele waarde van het dier
Attitude modifiers
Zijn factoren die van invloed zijn op ofwel de emotionele respons op het dier (affect) of op de perceptie van het nut van een dier (utility)
Attitude modifiers Dit zijn factoren die van invloed zijn op ofwel de emotionele respons op het dier (affect) of op de perceptie van het nut van een dier (utility). Deze kunnen grofweg ingedeeld worden in drie hoofdcategorieën. (Serpell)
Eigenschappen van het dier
Individuele eigenschappen van de mens
Culturele factoren
culturele transmissie (cultural transmission) (Herzog)
proces van het doorgeven of aanleren van culturele elementen door individuen of groepen
Er zijn drie belangrijke concepten die de relatie van mensen met wilde dieren helpen verklaren
attitudes, values en wildlife value orientations (WVO's).
Attitudes (houdingen)
1 van de 3 concepten die de relatie van mensen met wilde dieren helpen verklaren
Dit verwijst in deze context naar de specifieke gevoelens en opvattingen die mensen hebben ten opzichte van bepaalde dieren of wilde dieren in het algemeen. Attitudes kunnen positief of negatief zijn en beïnvloeden vaak hoe iemand zich gedraagt tegenover dieren. Bijvoorbeeld, iemand met een positieve houding ten opzichte van roofdieren zou meer geneigd zijn om beschermingsmaatregelen voor deze dieren te steunen.
Values (waarden)
1 van de 3 concepten die de relatie van mensen met wilde dieren helpen verklaren
Waarden zijn diepgewortelde overtuigingen over wat belangrijk en wenselijk is in het leven, zoals eerlijkheid, respect of verantwoordelijkheid. Ze vormen de basis voor iemands houding en gedrag en worden vaak gevormd door culturele, sociale, en persoonlijke ervaringen. Waarden zijn stabieler dan attitudes en veranderen minder snel over de tijd.
Wildlife value orientations (WVO's)
1 van de 3 concepten die de relatie van mensen met wilde dieren helpen verklaren
Dit zijn specifieke patronen van waarden die aangeven hoe een persoon over wilde dieren denkt. WVO's zijn de onderliggende structuren die attitudes ten opzichte van wilde dieren sturen. Ze kunnen bijvoorbeeld de neiging omvatten om wilde dieren te zien als iets dat gedomineerd en beheerd moet worden voor menselijk gebruik (domination/utilitarian orientation), of als partners waarmee mensen in harmonie zouden moeten samenleven (mutualist orientation).
Domination/Utilitarian orientation
1 van de 4 typen Wildlife value orientations (WVO's)
Deze oriëntatie legt de nadruk op het beheer van wilde dieren voor menselijk voordeel. Mensen met deze oriëntatie zien wilde dieren vooral als middelen die beheerd moeten worden om menselijke belangen te dienen, zoals voedselproductie, bescherming van eigendommen, of recreatie (bijvoorbeeld de jacht). Het welzijn van wilde dieren is ondergeschikt aan de behoeften en wensen van de mens.
Mutualist orientation
1 van de 4 typen Wildlife value orientations (WVO's)
Mensen met een mutualistische oriëntatie geloven in het harmonieuze samenleven van mensen en wilde dieren. Ze zien wilde dieren als medebewoners van de aarde die recht hebben op bescherming en respect. Deze oriëntatie legt de nadruk op het bevorderen van co-existentie en het vermijden van schade aan dieren. Ze geloven dat wilde dieren intrinsieke waarde hebben, los van hun directe nut voor mensen.
Pluralist orientation
1 van de 4 typen Wildlife value orientations (WVO's)
Deze oriëntatie is een mengeling van zowel domination-/utilitarian- als mutualist-perspectieven, waarbij mensen hun houding en gedrag ten opzichte van wilde dieren aanpassen aan de context. Voor pluralisten kunnen, afhankelijk van de situatie, verschillende waarden zwaarder wegen. In sommige gevallen kunnen ze het beheer van wilde dieren voor menselijk voordeel ondersteunen, terwijl ze in andere gevallen de bescherming en rechten van wilde dieren centraal stellen.
Distanced orientation
1 van de 4 typen Wildlife value orientations (WVO's)
Mensen met een distanced oriëntatie zijn minder geïnteresseerd in wilde dieren en hebben geen sterke waarden of overtuigingen met betrekking tot wilde dieren. Ze zijn vaak emotioneel en cognitief afstandelijk ten opzichte van natuur- en wildkwesties, en hun betrokkenheid bij of meningsvorming over deze kwesties is minimaal. Dit kan komen door een gebrek aan blootstelling aan wilde dieren of omdat andere waarden voor hen belangrijker zijn.
Levels of Conflict Framework (3)
Het Levels of Conflict Framework is een raamwerk waarin de complexiteit en nuances van wildlife-gerelateerde conflicten begrepen kunnen worden. Het raamwerk verdeelt conflicten in drie niveaus:
Dispute-level conflicts: Dit is het meest oppervlakkige niveau van conflict en betreft zichtbare, concrete meningsverschillen of problemen tussen partijen. Het kan gaan om directe botsingen over specifieke kwesties, zoals schade aan eigendommen, en het al dan niet nemen van maatregelen.
Underlying conflicts: Dit niveau verwijst naar dieperliggende oorzaken van het conflict die vaak minder zichtbaar zijn. Deze onderliggende conflicten kunnen voortkomen uit historische ongelijkheden, verschillen in waarden en overtuigingen, of langdurige onopgeloste kwesties.
Identity-based conflicts: Dit is het diepste niveau van conflict, waarbij de kwestie raakt aan de kern van de identiteit van individuen of groepen. Dit soort conflicten gaat vaak over zaken als trots, cultuur, en de perceptie van bedreigingen voor de eigen identiteit of levensstijl.
Dispute-level conflicts, 1 van de 3 Levels of Conflict Framework
Dit is het meest oppervlakkige niveau van conflict en betreft zichtbare, concrete meningsverschillen of problemen tussen partijen. Het kan gaan om directe botsingen over specifieke kwesties, zoals schade aan eigendommen, en het al dan niet nemen van maatregelen.
Underlying conflicts, 1 van de 3 Levels of Conflict Framework
Dit niveau verwijst naar dieperliggende oorzaken van het conflict die vaak minder zichtbaar zijn. Deze onderliggende conflicten kunnen voortkomen uit historische ongelijkheden, verschillen in waarden en overtuigingen, of langdurige onopgeloste kwesties.
dentity-based conflicts, 1 van de 3 Levels of Conflict Framework
IDit is het diepste niveau van conflict, waarbij de kwestie raakt aan de kern van de identiteit van individuen of groepen. Dit soort conflicten gaat vaak over zaken als trots, cultuur, en de perceptie van bedreigingen voor de eigen identiteit of levensstijl.
3 Mechanismen om MRCD (meat related cognitieve dissonantie van Rothgerber) te voorkomen. Dit is dissonantie om enerzijds dierenleed te verminderen en anderzijds vlees te eten.
Vermijding (avoidance): Mensen vermijden bewust informatie of situaties die hen zouden herinneren aan de ethische problemen van vleesconsumptie. Voorbeeld: het vermijden van documentaires over de slechte leefomstandigheden van vee
Opzettelijke onwetendheid (willful ignorance): Mensen kiezen ervoor niet te weten hoe vlees wordt geproduceerd om de onaangename waarheid te vermijden. Voorbeeld: iemand zegt: 'Ik wil liever niet horen hoe de dieren behandeld worden.'
Dissociatie: Mensen scheiden het idee van vlees van het idee van het dier, door taal of door fysieke kenmerken van het vlees te verbergen. Voorbeeld: het gebruik van termen zoals 'biefstuk' in plaats van 'koeienvlees'.
De consumptie van vlees uit dieren wordt kritisch bekeken vanwege ethische, gezondheids- en milieuaspecten. Onderzoekers onderzoeken waarom mensen vlees blijven eten ondanks morele bezwaren.
Dit omvat emotionele regulatie, gemotiveerd redeneren, cognitieve dissonantie en morele besluitvorming. Inzicht hierin is belangrijk voor het aanpakken van de overconsumptie van dieren. Sociale psychologie kan bijdragen aan dit onderwerp.
Bij indirecte strategieën kunnen personen zichzelf van vleesconsumptie uitsluiten of hun morele identiteit versterken (5)
1. Waargenomen gedragsverandering: Mensen overtuigen zich en anderen dat ze niet veel vlees eten.
Zelfdefinitie als humane vleeseter: Zichzelf beschouwen als iemand die alleen humane geproduceerd vlees eet.
Afkeuring van 'do-gooders': Negativisten over vegetariërs die morele standpunten innemen.
Zondebokken: De verantwoordelijkheid voor dierenleed bij derden leggen.
Morele verontwaardiging: Morele verontwaardiging uiten over anderen die dieren mishandelen om eigen schuldgevoel te verlichten.
Directe strategieën om morele en emotionele conflicten rondom vleesconsumptie te
verminderen (2)
Zijn duidelijk anders dan indirecte strategieën. Terwijl indirecte methoden de morele zelf kunnen beschermen zonder vlees eten goed te keuren, verdedigen directe strategieën vleesconsumptie zonder excuses.
Dieren-gebaseerde reductie: Een manier om het morele conflict te verminderen, is door te ontkennen dat dieren denken of voelen, wat de morele bezwaren bij het eten van vlees verkleint. Onderzoek toont aan dat mensen minder empathie hebben voor dieren die ze eten en de capaciteit van deze dieren als lager beschouwen
Een andere strategie is het opdelen van dieren in categorieën: dieren die we liefhebben en dieren die we eten. Dit helpt vleeseters om morele inconsistenties te rechtvaardigen.
Vlees-gebaseerde reductie: Directe strategieën richten zich ook op vlees zelf, met argumenten dat vlees natuurlijk, normaal, lekker en noodzakelijk is. Deze rechtvaardigingen leiden tot meer vleesconsumptie en minder schuldgevoelens over het eten van vlees.
Twee theorieën die de cruelty link (dierenmishandeling wordt vaak gezien als voorloper of indicatie van geweld tegen mensen) zouden kunnen verklaren
Violence graduation hypothesis stelt dat daders vaak beginnen met het mishandelen van dieren, en dat het geweld zich langzaam verplaatst naar mensen.
Deviance generalization hypothesis die stelt dat geweld tegen dieren slechts een uiting is van antisociaal gedrag, en dat daders van een type geweld sneller geneigd zijn om een ander type geweld uit te voeren.
In een dimensioneel kader worden emoties geclassificeerd aan de hand van twee of meer schalen. (Blij, boos, bedroeft, bang, walging, verrast)
zoals valentie (plezierig/onplezierig) en arousal (activatie):
• Kwaadheid en angst: negatieve valentie, hoge activiteit (vechten en rennen vereisen beide veel energie, en hoewel de emotie kan optreden zonder dit gedrag, wordt het lichaam er wel op voorbereid).
• Walging en verdriet: negatieve valentie, lage activiteit (mensen kunnen huilend in slaap vallen, maar niet vechtend of rennend).
• Verrassing: positieve valentie, lage activiteit.
• Blijdschap: positieve valentie, lage tot hoge activiteit (glimlachen tot dansen van blijdschap).
Emotie
Is gebonden aan een externe of interne stimulus, en speelt zich af op korte termijn.
Stemming
is vrij-zwevend (niet gebonden aan een stimulus) en speelt zich af op langere termijn.
Affect
is een verzamelnaam en omvat beide categorieën (emotie en stemming)
Definitie emotie Frans de Waal
Een emotie is een tijdelijke toestand die wordt veroorzaakt door biologisch relevante externe stimuli, en aversief of aantrekkelijk kan zijn.
Makkelijke: Emoties zijn tijdelijke toestanden veroorzaakt door externe prikkels, die veranderingen in het lichaam en de geest teweegbrengen, wat leidt tot optimale reacties.
De kijk van De Waal op theory of mind (ToM) en empathie
ToM begint waarschijnlijk met emotionele connecties. Kinderen ontwikkelen emotionele connecties eerder dan ToM. Aan de basis van empathie staat volgens De Waal emotionele besmetting. Daarmee bedoelt hij dat bij het waarnemen van emoties in anderen een activatie van neurale representaties plaatsvindt van soortgelijke toestanden die het subject zelf heeft ervaren.
Reductionistisch fysicalisme
Zegt dat mentale processen zijn te herleiden tot
materiële processen.
Niet-reductionistisch fysicalisme
Zegt dat mentale processen samengaan met
materiële processen, maar er niet noodzakelijk tot te herleiden zijn.
Substantiedualisme
Zegt dat mentale processen een andere substantie betreffen dan materiële processen.
Dual-aspectmonisme
Zegt dat mentale en materiële processen twee aspecten van hetzelfde zijn, dat elke entiteit pan-psychisch is en ervaringen heeft. In complexe organismen zouden micro-ervaringen worden gecombineerd tot macro-ervaringen.
Antropomorfistisch perspectief
Worden menselijke emoties toegeschreven aan dieren.
Een voorbeeld hiervan is als de eigenaar van een hond die iets heeft gedaan dat niet mag, zegt dat de hond zich schaamt.
Umwelt-perspectief
Benadrukt de unieke perceptuele wereld van een dier. In dit perspectief kunnen mensen de emotie van de hond niet begrijpen, omdat zij niet dezelfde perceptuele wereld hebben.
Hedendaagse theorieën over emotioneel bewustzijn bij dieren (3)
Theorie van affectief bewustzijn. Stelt dat emoties ontstaan in neurale netwerken onder de neocortex, die in verschillende diersoorten veel overeenkomsten vertonen.
Theorie van hogere-orde emotioneel bewustzijn. Zegt dat de subcorticale netwerken niet-bewuste eerste-orde representaties genereren, en dat een bewust gevoel alleen ontstaat bij cognitieve corticale processen. Bewuste gevoelens zouden hogere-orde gedachten en zelfbewustzijn vereisen, wat impliceert dat niet alle dieren complexe emoties kunnen ervaren.
Theorie van geconstrueerde emotie. Stelt dat de interne waarnemingen van het Lichaam (interoceptie) worden ervaren als lager-dimensionele gevoelens van affect, gekenmerkt door valentie en arousal, die dan beschikbaar worden voor het bewustzijn. Hier zijn veel hoge en lage netwerken in het brein bij betrokken. Externe sensorische stimuli worden door het brein geclassificeerd op grond van hun invloed op allostasis, en gekoppeld aan acties. Het brein vormt een model waarin voorspellingen worden bijgesteld. Zo ontstaan emotie-concepten. Een emotie wordt geconstrueerd als het brein sensorische input categoriseert als een eerder gevormd emotie-concept. Affect hangt af van de concepten die worden gevormd in corticale gebieden. Het maken van concepten treedt op bij alle foeragende organismen, maar omdat emotie-concepten afhangen van de waarnemer, zouden dieren niet dezelfde emoties hebben als mensen.
One cognition
Betekent dat verschillende cognitieve vaardigheden, zoals probleemoplossing, sociaal inzicht en fysieke vaardigheden, allemaal met elkaar verbonden zouden zijn en gezamenlijk evolueren
Vergelijkende psychologie
Onderzoek naar overeenkomsten en verschillen tussen meerdere diersoorten (waaronder mensen) met behulp van technieken die alles omvatten, van observationele studies in de natuur tot neurofysiologisch onderzoek in het laboratorium
Cognitie Adaptieve
informatieverwerking in de breedste zin van het woord, van het verzamelen van informatie via de zintuigen tot het nemen van beslissingen en het uitvoeren van functioneel passende handelingen, ongeacht de complexiteit van eventuele interne representatieve processen die gedrag met zich meebrengt