1/101
Looks like no tags are added yet.
Parler
praten

Oublier
vergeten

Apprécier
waarderen

Crier
roepen, schreeuwen

Publier
publiceren, uitgeven

Remercier
bedanken

Manger
eten

Changer
veranderen

Se changer
zich verkleden, zich omkleden

Corriger
verbeteren, nakijken

Déménager
verhuizen

Encourager
aanmoedigen, steunen

Exiger
eisen

Nager
zwemmen

Neiger
sneeuwen
Partager
delen, verdelen

Protéger
beschermen

Ranger
opruimen, ordenen

Annoncer
aankondigen, voorspellen

Avancer
vooruitgaan

Déplacer
(iets) verplaatsen, verzetten

Se déplacer
zich verplaatsen

Effacer
uitwissen, wissen, afvegen

Menacer
bedreigen

Placer
plaatsen, zetten

Prononcer
uitspreken

Acheter
kopen

Lever
opheffen

Se lever
opstaan, rechtstaan

Geler
vriezen

Peser
wegen

Promener (le chien)
(de hond) uitlaten

Se promener
(gaan) wandelen

Appeler
roepen, bellen

S'appeler
heten

Rappeler
(iemand) herinneren (aan iets)

Se rappeler
zich herinneren, elkaar terugbellen

Jeter
gooien, werpen

Employer
gebruiken
Ennuyer (quelqu'un)
(iemand) vervelen

S'ennuyer
zich vervelen

Essayer
proberen

Nettoyer
schoonmaken, kuisen

Payer
betalen, afrekenen

Espérer
hopen

Compléter
vervolledigen, aanvullen

Préférer
verkiezen

Protéger
beschermen

Répéter
herhalen

Applaudir
applaudisseren, klappen, toejuichen

Avertir
verwittigen, waarschuwen

Finir
eindigen, beëindigen

Grandir
groter worden, groeien

Grossir
dikker worden, verdikken

Investir
investeren, beleggen

Maigrir
vermageren, mager worden

Réfléchir
nadenken

Refroidir
afkoelen, koud worden

Réussir
slagen in, lukken

Rougir
blozen, rood worden

Salir
vuil maken

Partir
vertrekken, weggaan

Dormir
slapen
Mentir
liegen

Servir
bedienen

Se servir (de)
gebruik maken van, zich bedienen van
Sortir
uitgaan, naar buiten gaan, buitenzetten

Sentir
voelen, ruiken

Se sentir
zich voelen

Ouvrir
openen, opendoen

Découvrir
ontdekken

Offrir
bieden, aanbieden

Souffrir
lijden

Attendre
wachten

Correspondre
overeenkomen, corresponderen

Défendre
verdedigen, verbieden

Dépendre de
afhangen van

Descendre
naar beneden gaan of brengen

Détendre
ontspannen
Se détendre
zich ontspannen

Entendre
horen, begrijpen

Mordre
bijten

Perdre
verliezen

Prétendre
beweren

Rendre
teruggeven

Répondre
antwoorden

Vendre
verkopen

Conduire
rijden, besturen, brengen

Se conduire
zich gedragen
Construire
bouwen

Cuire
koken, bakken

Détruire
vernietigen

Produire
produceren, maken

Séduire
verleiden, verlokken

Traduire
vertalen

Peindre
schilderen, verven

Atteindre
bereiken

Craindre
vrezen, bang zijn voor

Eteindre
(iets) uitdoen

S'éteindre
uitdoven, uitgaan (vanzelf)
