1/106
Looks like no tags are added yet.
Sociologie / Samenlevingskunde
De combinatie van socius en logos. Sociologie gaat over hoe mensen samenleven in allerhande sociale verbanden.
Sociologische verbeelding
Het vermogen om afstand te nemen van onze dagelijkse levens en er anders naar te kijken, los van de vertrouwde routines en met een frisse blik waardoor een dagelijkse ervaring wordt gekaderd binnen de brede samenleving.
Statussymbool
Een teken dat niet functioneel wordt gebruikt (zoals het uniform van een politieagent), maar als verwijzing naar rijkdom, macht, prestige.
Contigent
Verwijst naar de maatschappelijke context die ook anders geweest kon zijn. Dat wilt niet zeggen dat de context arbitrair zou zijn.
Arbitrair
willekeurig
Latente deprivatiemodel
Model van Marie Jahoda waarin ze stelt dat betaalde arbeid, naast de bekende manifeste functie (een inkomen en andere materiële voordelen verwerven), ook een aantal latente, verborgen, functies bezit.
SES
Sociaal-economische status: waardering die iemand krijgt voor de positie op de sociaal-economische ladder
Sociaal handelen
Handelen dat betekenisvol betrokken is op dat van de anderen, en kan gericht zijn op verleden, heden en toekomst. Hoeft niet over samenwerking te gaan; ook strijd is sociaal handelen. Niet alle handelen in de publieke ruimte is sociaal handelen en ook niet-handelen kan sociaal handelen zijn.
Matheuseffect
Sterkere persoenen of groepen soms meer profiteren dan andere waardoor het verschil tussen beide nog verder toeneemt
sociale cohesie
onderlinge verbondenheid tussen mensen
Nature vs nurture debat
nature gaat over het genetische aanleg van een persoon, nurture staat voor de maatschappelijke omgeving waarin een persoon opgroeit
Solidariteit
Wat een samenlevingsverband (groep, organisatie, samenleving,..) samenhoudt, het bindmiddel, ... Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een mechanische en organische variant.
Structurele solidariteit
Solidariteit die duurzaam en ingrijpend impact heeft op onze samenleving (bijvoorbeeld de sociale zekerheid).
belangenconflict
Wanneer actoren in een situatie van relatieve schaarste dezelfde sociale goederen opeisen.
Waardenconflict
Wanneer actoren overtuigd zijn van hun eigen morele gelijk en aan de ander opvattingen, waarden of normen willen opdringen.
sociale kwestie
De sociale kwestie gaat over de blijvende sociale ongelijkheid. Vroeger was dit zichtbaar in de erbarmelijke werk- en leefomstandigheden van de arbeiders in de 19de eeuw, over hun vervreemding en uitbuiting (Marx), over normverval of anomie (Durkheim), over de bedreiging van de individuele vrijheid door bureaucratisering (Weber). Ook vandaag houden sociologen zich intensief bezig met sociaalproblematische toestanden en ontwikkelingen.
selffulfilling prophecy
Een voorspelling op grond waarvan mensen zich zo gaan gedragen dat de voorspelling ook werkelijk uitkomt.
Self-destroying prophecy
De zichzelf vernietigende voorspelling
Voorbeeld: er is voorspeld dat er een file zal zijn op de E40, dus iedereen zal een andere weg nemen, waardoor er uiteindelijk geen file meer is
Het civilisatieproces
Proces beschreven door N. Elias hoe 'goede manieren' geleidelijk aan hun weg vonden naar alle lagen van de bevolking. Natuurlijke behoeften, zoals hoesten, snuiten en spugen, mochten niet langer in het openbaar worden bevredigd en ook 'beschaafd' taalgebruik en 'beschaafde' tafelmanieren werden gemeengoed. Waar vroeger ons gedrag werd gereguleerd door externe dwang, is het maatschappelijke verkeer nu veel afhankelijker geworden van de discipline van het individu.
Het formele voorwerp
De hoek (referentiekader, uitvalsbasis) van waaruit de sociologie naar sociale fenomenen en sociaal handelen kijkt, deze bestudeert en er uitspraken over doet.
Hawthorne effect/reactiviteit
Het feit alleen al dat mensen weten dat het management zich met hun arbeidssituatie bezighoudt (aandacht, waardering), heeft positieve gevolgen voor het arbeidsmoreel, de betrokkenheid en daarmee voor de productiviteit van de medewerker.
selectieve waarneming
Je kiest bewust en onbewust wat je wilt zien en wilt horen
socialisatie
Een proces waarbij een individu zich in de omgang met anderen de cultuur van zijn omgeving eigen maakt. Via het socialisatieproces krijgen we dus allerlei opvattingen/overtuigingen - waarden en normen, doelstellingen en verwachtingen - mee, die ons handelen regelen en die concreet vorm krijgen in de rollen die we spelen.
referentiekader
het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van waaruit iemand denkt en handelt
cultuurpatroon
Een groepsmatig gedeeld referentiekader
paradigma
een wetenschappelijk onderbouwd referentiekader
stereotypes
de min of meer gefixeerde en vereenvoudigde voorstelling over andere groepen, deze kunnen positief of negatief zijn
Pygmalioneffect
het verschijnsel waarbij de verwachtingen van ouders en leerkrachten ten aanzien van een kind ertoe leiden dat het kind het verwachte gedrag daadwerkelijk gaat vertonen
Empirische cyclus
Proces dat doorlopen moet worden om aan wetenschappelijk onderzoek te doen (er wordt gestart met een/meerdere hypothese(n) die getoetst worden).
Looking glass self
Hoe we onszelf zien, een weerspiegeling van hoe andere ons waarnemen en zich tegenover ons gedragen.
Symbolisch interactionisme
Paradigma in de sociologie dat stelt dat de sociale werkelijkheid voortdurend ge(re)construeerd door de samenhandelende actoren zelf. De sociale werkelijkheid ontwikkelt zich zo door interacties heen, in een voortdurend proces. Ons handelen wordt beslissend medebepaald door de manier waarop we die situatie, dat handelen, definiëren en interpreteren. Actoren zijn dus belangrijk, net als de consensus-idee.
sociale ruil
Paradigma in de sociologie dat stelt dat we sociale goederen uitwisselen en hierin gedreven worden door ons eigenbelang. Actoren zijn dus belangrijk, net als de nadruk op conflict en spanning.
structuurfunctionalisme
Paradigma in de sociologie dat stelt dat een samenlevingsverband als een organisme moet worden bekeken, waarbinnen elk onderdeel een eigen functie vervult en enkel kan worden begrepen vanuit de bijdrage die het aan het geheel levert. De structuren zijn dus belangrijk, net als de consensus-idee.
Conflictsociologisch paradigma
Paradigma in de sociologie dat een samenlevingsverband vooral wordt bepaald door structurele conflicten, conflicten die ingebakken zijn in de maatschappelijke ordening. De structuren zijn dus belangrijk, net als de nadruk op conflict en spanning.
Sociaal handelen
Ons handelen dat zinvol betrokken is op dat van anderen (in het verleden, nu, in de toekomst).
Doelrationeel handelen
Handelen om een doel te bereiken binnen handelingssituatie, condities kunnen niet gemanipuleerd worden, maar middelen kunnen ons helpen. We gaan afwegen welke middelen mogelijk geschikt zijn en we kunnen inzetten (efficiëntie).
Waarderationeel handelen
Het handelen zelf heeft betekenis vanuit bijvoorbeeld een religieuze roeping, vanuit een esthetisch ideaal, vanuit een persoonlijke loyaliteit, vanuit een inherent plichtsgevoel.
Affectief handelen
Intuïtief, gevoelsmatig handelen.
Traditioneel handelen
Handelen vanuit een gewoonte, traditie of routine.
Doxing
Het openbaar maken of delen van persoonlijke informatie op internet (sociale media, sms, mail, tweets) om iemand te intimideren.
sociale positie
Een plaats in een netwerk van sociale relaties, een knooppunt als het ware. Daarom hangt een positie dus ook niet zozeer samen met de persoon die deze plaats inneemt. Sociale posities zijn eerder onafhankelijk van concrete mensen.
sociale status
De waardering die we aan anderen geven afhankelijk van hun sociale positie.
Sociale rol
verwachtingen van anderen in een groep of samenleving over de manier waarop iemand een sociale positie vervult
Rolconflicten
Wanneer de diverse rollen die bij een of meerdere posities horen, niet met elkaar te verzoenen zijn. Over de posities die we bekleden, bestaan (uiteenlopende) verwachtingen bij anderen/in de sociale omgeving. We onderscheiden interne en externe rolconflicten.
Rolattributen
Uiterlijke kenmerken die de bedoeling hebben om mensen snel en juist in hun positie te herkennen.
statussymbool
uiterlijk teken van macht, rijkdom en aanzien
Dyade
Het kleinst mogelijk sociaal netwerk; van twee personen of actoren.
Sociaal kapitaal
Geheel van onze sociale contacten (netwerken), het vertrouwen dat hiermee samenhangt en de gedeelde waarden en normen.
bonding
Het ontwikkelen van sterke banden binnen een homogene groep.
bridging
Het aanhalen van banden of verbinding zoeken met andere groepen in de samenleving.
Comparatieve referentiegroepen
Andere groepen die de basis zijn om de eigen situatie in te schatten en te beoordelen. (zwakkere vorm)
Normatieve referentiegroepen
Groepen met waarden en normen die de richtlijn zijn voor het eigen gedrag. (sterkere vorm)
Anticiperende socialisatie
Proces waarin een individu zich al gedrag gaat aanmeten eigen aan een referentiegroep waartoe hij nog niet behoort maar graag deel van zou gaan uitmaken.
Sociale beweging
De groepering van een aantal organisaties en losse actoren omtrent een maatschappelijk thema, (die) probeert op dit domein door collectieve actie buiten de geïnstitutionaliseerde politieke kanalen (zoals verkiezingen) maatschappelijke veranderingen (of het behoud van een toestand) te realiseren.
cultuur
Het min of meer samenhangende geheel van waarden, normen, verwachtingen en doeleinden, dat door samenlevingsverbanden wordt gedragen, dat zorgt voor de specificatie en verduurzaming van het sociaal handelen, voor het bestendigen van het betreffende samenlevingsverband en dat door de leden van een samenlevingsverband wordt aangeleerd en doorgegeven (socialisatie). Verwijzend naar onze gehele manier van leven.
Cultureel kapitaal
De culturele rijkdom; verwijzend naar zowel immateriële (zie definitie cultuur) als materiële goederen (Bourdieu onderscheidt daarbij geïncorporeerd, geïnstitutionaliseerd en geobjectiveerd cultureel kapitaal).
waarden
principes die mensen belangrijk vinden om na te streven
Normen
Concrete gedragsregels om het gedrag van anderen voorspelbaar te maken en als middel voor sociale controle en juridische controle.
universals
Normen die voor iedereen in een samenlevingsverband gelden zoals wetten, vaak ook mondiaal bijvoorbeeld mensenrechten.
Specialties
Die cultuurelementen die eigen zijn aan bepaalde verbanden zoals specifieke beroepen (bijvoorbeeld artsen) of aparte cultuurgemeenschappen.
Folkways
Minder belangrijke normen of gewoonten (zie ook Kann-Erwartungen), die wel het dagelijkse leven (kunnen) sturen, maar met een geringe afdwingbaarheid en sanctionering.
Mores
Belangrijke normen, in casu zeden of morele regels en hun juridische vormgeving. Bij overtreding worden ze strikt negatief worden gesanctioneerd (bestraft).
doeleinden
De gewenste resultaten van ons gedrag, die maar al te vaak meetbaar worden geacht.
verwachtingen
Om te voorspellen hoe iemand zich in een positie zal gaan gedragen. Vallen niet helemaal samen met de normen.
Hoge cultuur
Het cultuurpatroon van het elite of 'upper class' van de samenleving.
Generatieculturen
Voorbeeld van subculturen naar leeftijdsgroepen; vanuit een eigen economische context, prioritaire waarden en eigen focus op het samen leven.
dominante cultuur
Cultuurpatroon dat de toon zet in een samenleving en het normenkader bepaalt, verbonden aan de meerderheidsgroep en/of machtigste groep in een samenleving.
subcultuur
Een bevolkingsgroep binnen de hoofdcultuur die op een aantal cultuurkenmerken afwijkt van deze hoofdcultuur.
Contracultuur
Cultuurpatroon dat de dominante cultuur radicaal afwijst, aanzet tot emancipatie, sensibilisering en tegenmacht tegenover het dominante normenkader. Betrokkenen verwerpen de geaccepteerde cultuurpatronen en voeren oppositie tegen de bestaande maatschappelijke orde.
institutie
Een vast, collectief bepaald gedragspatroon of dus een geijkte procedure van normen die in een bepaalde volgorde elkaar opvolgen en dit rond essentiële sociale functies. Om een cultuurpatroon te verankeren in de samenleving dient het dwingend karakter en specifieke normen.
Totale institutie
Een institutie die het hele handelen en het leven binnen én buiten de institutie zal proberen te reguleren. Een individu verliest iets (tot veel) van zijn persoonlijkheid binnen het sociale verband. Deze instituties die proberen om het hele handelen en het leven van de leden maatgevend te reguleren, zowel binnen als buiten de instelling. Ze slokken de hele persoonlijkheid op. Sekten zijn een voorbeeld.
beschaving
Het geheel van middelen die mensen in het leven roepen om hun leefomstandigheden onder controle te krijgen (ook technologische middelen).
Liquid families
Verwijzend naar nieuw samengestelde gezinnen of meer algemeen naar de groeiende variëteit in gezinsvormen.
acculturatie
Proces van cultuuroverdracht tussen grotere sociale gehelen; zoals tussen verschillende generaties, sociale klassen of gemeenschappen op macro-sociologisch niveau.
primaire socialisatie
Proces van cultuuroverdracht in primaire groepen (gezin, peergroup), die vooral informeel en onbewust zal plaatsvinden.
secundaire socialisatie
Proces van cultuuroverdracht in formele organisaties (verenigingen, school, werk,...), die vooral doelrationeel van aard is.
Overgangsrituelen
Rituele gebruiken die de overgang naar een volgende levensfase zullen onderstrepen. Deze transitie betekent een nieuwe rol, een herschikking van rechten en plichten en een nieuw geformuleerde sociale identiteit.
Tertiaire socialisatie
Proces van cultuuroverdracht via de massamedia (krant tv, maar ook sociale media).
Differentiële socialisatie
Wanneer een proces van cultuuroverdracht specifieke voorschriften en verwachtingen met zich meebrengt, die verbonden worden aan een specifieke sociale categorie; een beroepsgroep, een gendergroep, een sociale klasse....
Horizontale segregatie
Kloof die geen boven- of onderschikking inhoudt, maar voornamelijk naar een verschillende inhoud verwijst; bijvoorbeeld typische mannen- versus vrouwenberoepen.
Verticale segregatie
Kloof die een boven- of onderschikking inhoudt, bijvoorbeeld het overwicht van mannen in de toplaag van veel organisaties en vrouwen in veel lagere uitvoerende banen.
Verwachtingen
Om te voorspellen hoe iemand zich in een positie zal gaan gedragen. Vallen niet helemaal samen met de normen.
Beïnvloeding
Interactie waarbij het gedrag van de ene actor verandert via het overtuigen van de andere actor.
Gezag
Een gerechtvaardigde beïnvloeding door anderen. De leden schikken zich naar de legitieme gezagdragers, ze aanvaarden de specifieke bevoegdheden die met hun positie verbonden zijn.
Machtselite
Zij die verschillende machtsbronnen combineren in een centraal knooppunt van netwerken.
Conformisme
Het bewust of onbewust opzoeken van grote overeenstemming tussen ons gedrag en wat de omgeving van ons verwacht.
Sociale controle
Het middel dat bewust of onbewust zal worden ingezet of zich zal voordoen om mensen tot conformisme te brengen (binnen de lijntjes kleuren, zich binnen het normenkader bewegen).
Deviant gedrag
Een relatief begrip dat door elke samenleving anders zal worden ingevuld (afhankelijk van ruimte en tijd) en dat refereert aan het handelen dat in strijd is met de spelregels van een samenlevingsverband.
Blaming the victim-syndroom
Wie onderworpen wordt aan een label/etiket in de samenleving, krijgt daar ook nog eens zelf de verantwoordelijkheid voor toegeschoven.
Schandpaaleffect
Mogelijk functioneel gevolg van deviant gedrag waarbij door een sanctie bij iedereen de heersende waarden en normen nog eens op scherp worden gesteld.
Institutionele breuklijnen
Een kloof in ons samenleven die het gevolg is van het uitdrukkelijke en bedoelde ingrijpen van collectieve actoren (zoals de overheid). Bijvoorbeeld: sociale uitkeringen.
Ruimtelijke breuklijnen
Een kloof in ons samenleven die het gevolg is van processen van fragmentering in de (stedelijke) ruimte.
Sociale ongelijkheid
De ongelijke verdeling van allerlei soorten sociale goederen en de ongelijke waardering en behandeling van mensen op grond van hun maatschappelijke positie en levensstijl.
Armoede
Een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving.
Relatief armoederisico
Het aandeel van de bevolking dat leeft in een gezin met een huishoudinkomen lager dan 60% van het nationaal mediaan beschikbaar equivalent huishoudinkomen.
Precariaat
Een nieuwe sociale onderklasse; een proletariaat in precaire leef- en werkomstandigheden.
Sociale stratificatie
De sociale ongelijkheid waarbij er groepen van individuen bestaan die een ongeveer gelijke sociale status delen (de waardering van anderen voor een bepaalde positie). Het gaat om gestructureerde ongelijkheden tussen verschillende groeperingen van mensen. Deze sociale ongelijkheid is dus structureel en verankerd in de samenleving.
Sociale klasse
Elke bevolkingsgroep die een gemeenschappelijke positie inneemt t.a.v. vermogen, inkomen, beroep, onderwijsniveau en levensstijl (ruime zin). In de enge zin delen zij ook gemeenschappelijke opvattingen.
Sociale mobiliteit
Het stijgen of dalen op de sociale ladder van een persoon of een groep van de ene sociale positie naar de andere.
Innovatie
Aanvankelijk betekende het vooral een technologische vernieuwing, maar later gaat het evengoed om vernieuwing in de gehele samenleving.