Kaarten: Sociologie examen AP Hogeschool Bachelor Orthopedagogie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/106

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

107 Terms

1
New cards

Sociologie / Samenlevingskunde

De combinatie van socius en logos. Sociologie gaat over hoe mensen samenleven in allerhande sociale verbanden.

2
New cards

Sociologische verbeelding

Het vermogen om afstand te nemen van onze dagelijkse levens en er anders naar te kijken, los van de vertrouwde routines en met een frisse blik waardoor een dagelijkse ervaring wordt gekaderd binnen de brede samenleving.

3
New cards

Statussymbool

Een teken dat niet functioneel wordt gebruikt (zoals het uniform van een politieagent), maar als verwijzing naar rijkdom, macht, prestige.

4
New cards

Contigent

Verwijst naar de maatschappelijke context die ook anders geweest kon zijn. Dat wilt niet zeggen dat de context arbitrair zou zijn.

5
New cards

Arbitrair

willekeurig

6
New cards

Latente deprivatiemodel

Model van Marie Jahoda waarin ze stelt dat betaalde arbeid, naast de bekende manifeste functie (een inkomen en andere materiële voordelen verwerven), ook een aantal latente, verborgen, functies bezit.

7
New cards

SES

Sociaal-economische status: waardering die iemand krijgt voor de positie op de sociaal-economische ladder

8
New cards

Sociaal handelen

Handelen dat betekenisvol betrokken is op dat van de anderen, en kan gericht zijn op verleden, heden en toekomst. Hoeft niet over samenwerking te gaan; ook strijd is sociaal handelen. Niet alle handelen in de publieke ruimte is sociaal handelen en ook niet-handelen kan sociaal handelen zijn.

9
New cards

Matheuseffect

Sterkere persoenen of groepen soms meer profiteren dan andere waardoor het verschil tussen beide nog verder toeneemt

10
New cards

sociale cohesie

onderlinge verbondenheid tussen mensen

11
New cards

Nature vs nurture debat

nature gaat over het genetische aanleg van een persoon, nurture staat voor de maatschappelijke omgeving waarin een persoon opgroeit

12
New cards

Solidariteit

Wat een samenlevingsverband (groep, organisatie, samenleving,..) samenhoudt, het bindmiddel, ... Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een mechanische en organische variant.

13
New cards

Structurele solidariteit

Solidariteit die duurzaam en ingrijpend impact heeft op onze samenleving (bijvoorbeeld de sociale zekerheid).

14
New cards

belangenconflict

Wanneer actoren in een situatie van relatieve schaarste dezelfde sociale goederen opeisen.

15
New cards

Waardenconflict

Wanneer actoren overtuigd zijn van hun eigen morele gelijk en aan de ander opvattingen, waarden of normen willen opdringen.

16
New cards

sociale kwestie

De sociale kwestie gaat over de blijvende sociale ongelijkheid. Vroeger was dit zichtbaar in de erbarmelijke werk- en leefomstandigheden van de arbeiders in de 19de eeuw, over hun vervreemding en uitbuiting (Marx), over normverval of anomie (Durkheim), over de bedreiging van de individuele vrijheid door bureaucratisering (Weber). Ook vandaag houden sociologen zich intensief bezig met sociaalproblematische toestanden en ontwikkelingen.

17
New cards

selffulfilling prophecy

Een voorspelling op grond waarvan mensen zich zo gaan gedragen dat de voorspelling ook werkelijk uitkomt.

18
New cards

Self-destroying prophecy

De zichzelf vernietigende voorspelling

Voorbeeld: er is voorspeld dat er een file zal zijn op de E40, dus iedereen zal een andere weg nemen, waardoor er uiteindelijk geen file meer is

19
New cards

Het civilisatieproces

Proces beschreven door N. Elias hoe 'goede manieren' geleidelijk aan hun weg vonden naar alle lagen van de bevolking. Natuurlijke behoeften, zoals hoesten, snuiten en spugen, mochten niet langer in het openbaar worden bevredigd en ook 'beschaafd' taalgebruik en 'beschaafde' tafelmanieren werden gemeengoed. Waar vroeger ons gedrag werd gereguleerd door externe dwang, is het maatschappelijke verkeer nu veel afhankelijker geworden van de discipline van het individu.

20
New cards

Het formele voorwerp

De hoek (referentiekader, uitvalsbasis) van waaruit de sociologie naar sociale fenomenen en sociaal handelen kijkt, deze bestudeert en er uitspraken over doet.

21
New cards

Hawthorne effect/reactiviteit

Het feit alleen al dat mensen weten dat het management zich met hun arbeidssituatie bezighoudt (aandacht, waardering), heeft positieve gevolgen voor het arbeidsmoreel, de betrokkenheid en daarmee voor de productiviteit van de medewerker.

22
New cards

selectieve waarneming

Je kiest bewust en onbewust wat je wilt zien en wilt horen

23
New cards

socialisatie

Een proces waarbij een individu zich in de omgang met anderen de cultuur van zijn omgeving eigen maakt. Via het socialisatieproces krijgen we dus allerlei opvattingen/overtuigingen - waarden en normen, doelstellingen en verwachtingen - mee, die ons handelen regelen en die concreet vorm krijgen in de rollen die we spelen.

24
New cards

referentiekader

het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van waaruit iemand denkt en handelt

25
New cards

cultuurpatroon

Een groepsmatig gedeeld referentiekader

26
New cards

paradigma

een wetenschappelijk onderbouwd referentiekader

27
New cards

stereotypes

de min of meer gefixeerde en vereenvoudigde voorstelling over andere groepen, deze kunnen positief of negatief zijn

28
New cards

Pygmalioneffect

het verschijnsel waarbij de verwachtingen van ouders en leerkrachten ten aanzien van een kind ertoe leiden dat het kind het verwachte gedrag daadwerkelijk gaat vertonen

29
New cards

Empirische cyclus

Proces dat doorlopen moet worden om aan wetenschappelijk onderzoek te doen (er wordt gestart met een/meerdere hypothese(n) die getoetst worden).

30
New cards

Looking glass self

Hoe we onszelf zien, een weerspiegeling van hoe andere ons waarnemen en zich tegenover ons gedragen.

31
New cards

Symbolisch interactionisme

Paradigma in de sociologie dat stelt dat de sociale werkelijkheid voortdurend ge(re)construeerd door de samenhandelende actoren zelf. De sociale werkelijkheid ontwikkelt zich zo door interacties heen, in een voortdurend proces. Ons handelen wordt beslissend medebepaald door de manier waarop we die situatie, dat handelen, definiëren en interpreteren. Actoren zijn dus belangrijk, net als de consensus-idee.

32
New cards

sociale ruil

Paradigma in de sociologie dat stelt dat we sociale goederen uitwisselen en hierin gedreven worden door ons eigenbelang. Actoren zijn dus belangrijk, net als de nadruk op conflict en spanning.

33
New cards

structuurfunctionalisme

Paradigma in de sociologie dat stelt dat een samenlevingsverband als een organisme moet worden bekeken, waarbinnen elk onderdeel een eigen functie vervult en enkel kan worden begrepen vanuit de bijdrage die het aan het geheel levert. De structuren zijn dus belangrijk, net als de consensus-idee.

34
New cards

Conflictsociologisch paradigma

Paradigma in de sociologie dat een samenlevingsverband vooral wordt bepaald door structurele conflicten, conflicten die ingebakken zijn in de maatschappelijke ordening. De structuren zijn dus belangrijk, net als de nadruk op conflict en spanning.

35
New cards

Sociaal handelen

Ons handelen dat zinvol betrokken is op dat van anderen (in het verleden, nu, in de toekomst).

36
New cards

Doelrationeel handelen

Handelen om een doel te bereiken binnen handelingssituatie, condities kunnen niet gemanipuleerd worden, maar middelen kunnen ons helpen. We gaan afwegen welke middelen mogelijk geschikt zijn en we kunnen inzetten (efficiëntie).

37
New cards

Waarderationeel handelen

Het handelen zelf heeft betekenis vanuit bijvoorbeeld een religieuze roeping, vanuit een esthetisch ideaal, vanuit een persoonlijke loyaliteit, vanuit een inherent plichtsgevoel.

38
New cards

Affectief handelen

Intuïtief, gevoelsmatig handelen.

39
New cards

Traditioneel handelen

Handelen vanuit een gewoonte, traditie of routine.

40
New cards

Doxing

Het openbaar maken of delen van persoonlijke informatie op internet (sociale media, sms, mail, tweets) om iemand te intimideren.

41
New cards

sociale positie

Een plaats in een netwerk van sociale relaties, een knooppunt als het ware. Daarom hangt een positie dus ook niet zozeer samen met de persoon die deze plaats inneemt. Sociale posities zijn eerder onafhankelijk van concrete mensen.

42
New cards

sociale status

De waardering die we aan anderen geven afhankelijk van hun sociale positie.

43
New cards

Sociale rol

verwachtingen van anderen in een groep of samenleving over de manier waarop iemand een sociale positie vervult

44
New cards

Rolconflicten

Wanneer de diverse rollen die bij een of meerdere posities horen, niet met elkaar te verzoenen zijn. Over de posities die we bekleden, bestaan (uiteenlopende) verwachtingen bij anderen/in de sociale omgeving. We onderscheiden interne en externe rolconflicten.

45
New cards

Rolattributen

Uiterlijke kenmerken die de bedoeling hebben om mensen snel en juist in hun positie te herkennen.

46
New cards

statussymbool

uiterlijk teken van macht, rijkdom en aanzien

47
New cards

Dyade

Het kleinst mogelijk sociaal netwerk; van twee personen of actoren.

48
New cards

Sociaal kapitaal

Geheel van onze sociale contacten (netwerken), het vertrouwen dat hiermee samenhangt en de gedeelde waarden en normen.

49
New cards

bonding

Het ontwikkelen van sterke banden binnen een homogene groep.

50
New cards

bridging

Het aanhalen van banden of verbinding zoeken met andere groepen in de samenleving.

51
New cards

Comparatieve referentiegroepen

Andere groepen die de basis zijn om de eigen situatie in te schatten en te beoordelen. (zwakkere vorm)

52
New cards

Normatieve referentiegroepen

Groepen met waarden en normen die de richtlijn zijn voor het eigen gedrag. (sterkere vorm)

53
New cards

Anticiperende socialisatie

Proces waarin een individu zich al gedrag gaat aanmeten eigen aan een referentiegroep waartoe hij nog niet behoort maar graag deel van zou gaan uitmaken.

54
New cards

Sociale beweging

De groepering van een aantal organisaties en losse actoren omtrent een maatschappelijk thema, (die) probeert op dit domein door collectieve actie buiten de geïnstitutionaliseerde politieke kanalen (zoals verkiezingen) maatschappelijke veranderingen (of het behoud van een toestand) te realiseren.

55
New cards

cultuur

Het min of meer samenhangende geheel van waarden, normen, verwachtingen en doeleinden, dat door samenlevingsverbanden wordt gedragen, dat zorgt voor de specificatie en verduurzaming van het sociaal handelen, voor het bestendigen van het betreffende samenlevingsverband en dat door de leden van een samenlevingsverband wordt aangeleerd en doorgegeven (socialisatie). Verwijzend naar onze gehele manier van leven.

56
New cards

Cultureel kapitaal

De culturele rijkdom; verwijzend naar zowel immateriële (zie definitie cultuur) als materiële goederen (Bourdieu onderscheidt daarbij geïncorporeerd, geïnstitutionaliseerd en geobjectiveerd cultureel kapitaal).

57
New cards

waarden

principes die mensen belangrijk vinden om na te streven

58
New cards

Normen

Concrete gedragsregels om het gedrag van anderen voorspelbaar te maken en als middel voor sociale controle en juridische controle.

59
New cards

universals

Normen die voor iedereen in een samenlevingsverband gelden zoals wetten, vaak ook mondiaal bijvoorbeeld mensenrechten.

60
New cards

Specialties

Die cultuurelementen die eigen zijn aan bepaalde verbanden zoals specifieke beroepen (bijvoorbeeld artsen) of aparte cultuurgemeenschappen.

61
New cards

Folkways

Minder belangrijke normen of gewoonten (zie ook Kann-Erwartungen), die wel het dagelijkse leven (kunnen) sturen, maar met een geringe afdwingbaarheid en sanctionering.

62
New cards

Mores

Belangrijke normen, in casu zeden of morele regels en hun juridische vormgeving. Bij overtreding worden ze strikt negatief worden gesanctioneerd (bestraft).

63
New cards

doeleinden

De gewenste resultaten van ons gedrag, die maar al te vaak meetbaar worden geacht.

64
New cards

verwachtingen

Om te voorspellen hoe iemand zich in een positie zal gaan gedragen. Vallen niet helemaal samen met de normen.

65
New cards

Hoge cultuur

Het cultuurpatroon van het elite of 'upper class' van de samenleving.

66
New cards

Generatieculturen

Voorbeeld van subculturen naar leeftijdsgroepen; vanuit een eigen economische context, prioritaire waarden en eigen focus op het samen leven.

67
New cards

dominante cultuur

Cultuurpatroon dat de toon zet in een samenleving en het normenkader bepaalt, verbonden aan de meerderheidsgroep en/of machtigste groep in een samenleving.

68
New cards

subcultuur

Een bevolkingsgroep binnen de hoofdcultuur die op een aantal cultuurkenmerken afwijkt van deze hoofdcultuur.

69
New cards

Contracultuur

Cultuurpatroon dat de dominante cultuur radicaal afwijst, aanzet tot emancipatie, sensibilisering en tegenmacht tegenover het dominante normenkader. Betrokkenen verwerpen de geaccepteerde cultuurpatronen en voeren oppositie tegen de bestaande maatschappelijke orde.

70
New cards

institutie

Een vast, collectief bepaald gedragspatroon of dus een geijkte procedure van normen die in een bepaalde volgorde elkaar opvolgen en dit rond essentiële sociale functies. Om een cultuurpatroon te verankeren in de samenleving dient het dwingend karakter en specifieke normen.

71
New cards

Totale institutie

Een institutie die het hele handelen en het leven binnen én buiten de institutie zal proberen te reguleren. Een individu verliest iets (tot veel) van zijn persoonlijkheid binnen het sociale verband. Deze instituties die proberen om het hele handelen en het leven van de leden maatgevend te reguleren, zowel binnen als buiten de instelling. Ze slokken de hele persoonlijkheid op. Sekten zijn een voorbeeld.

72
New cards

beschaving

Het geheel van middelen die mensen in het leven roepen om hun leefomstandigheden onder controle te krijgen (ook technologische middelen).

73
New cards

Liquid families

Verwijzend naar nieuw samengestelde gezinnen of meer algemeen naar de groeiende variëteit in gezinsvormen.

74
New cards

acculturatie

Proces van cultuuroverdracht tussen grotere sociale gehelen; zoals tussen verschillende generaties, sociale klassen of gemeenschappen op macro-sociologisch niveau.

75
New cards

primaire socialisatie

Proces van cultuuroverdracht in primaire groepen (gezin, peergroup), die vooral informeel en onbewust zal plaatsvinden.

76
New cards

secundaire socialisatie

Proces van cultuuroverdracht in formele organisaties (verenigingen, school, werk,...), die vooral doelrationeel van aard is.

77
New cards

Overgangsrituelen

Rituele gebruiken die de overgang naar een volgende levensfase zullen onderstrepen. Deze transitie betekent een nieuwe rol, een herschikking van rechten en plichten en een nieuw geformuleerde sociale identiteit.

78
New cards

Tertiaire socialisatie

Proces van cultuuroverdracht via de massamedia (krant tv, maar ook sociale media).

79
New cards

Differentiële socialisatie

Wanneer een proces van cultuuroverdracht specifieke voorschriften en verwachtingen met zich meebrengt, die verbonden worden aan een specifieke sociale categorie; een beroepsgroep, een gendergroep, een sociale klasse....

80
New cards

Horizontale segregatie

Kloof die geen boven- of onderschikking inhoudt, maar voornamelijk naar een verschillende inhoud verwijst; bijvoorbeeld typische mannen- versus vrouwenberoepen.

81
New cards

Verticale segregatie

Kloof die een boven- of onderschikking inhoudt, bijvoorbeeld het overwicht van mannen in de toplaag van veel organisaties en vrouwen in veel lagere uitvoerende banen.

82
New cards

Verwachtingen

Om te voorspellen hoe iemand zich in een positie zal gaan gedragen. Vallen niet helemaal samen met de normen.

83
New cards

Beïnvloeding

Interactie waarbij het gedrag van de ene actor verandert via het overtuigen van de andere actor.

84
New cards

Gezag

Een gerechtvaardigde beïnvloeding door anderen. De leden schikken zich naar de legitieme gezagdragers, ze aanvaarden de specifieke bevoegdheden die met hun positie verbonden zijn.

85
New cards

Machtselite

Zij die verschillende machtsbronnen combineren in een centraal knooppunt van netwerken.

86
New cards

Conformisme

Het bewust of onbewust opzoeken van grote overeenstemming tussen ons gedrag en wat de omgeving van ons verwacht.

87
New cards

Sociale controle

Het middel dat bewust of onbewust zal worden ingezet of zich zal voordoen om mensen tot conformisme te brengen (binnen de lijntjes kleuren, zich binnen het normenkader bewegen).

88
New cards

Deviant gedrag

Een relatief begrip dat door elke samenleving anders zal worden ingevuld (afhankelijk van ruimte en tijd) en dat refereert aan het handelen dat in strijd is met de spelregels van een samenlevingsverband.

89
New cards

Blaming the victim-syndroom

Wie onderworpen wordt aan een label/etiket in de samenleving, krijgt daar ook nog eens zelf de verantwoordelijkheid voor toegeschoven.

90
New cards

Schandpaaleffect

Mogelijk functioneel gevolg van deviant gedrag waarbij door een sanctie bij iedereen de heersende waarden en normen nog eens op scherp worden gesteld.

91
New cards

Institutionele breuklijnen

Een kloof in ons samenleven die het gevolg is van het uitdrukkelijke en bedoelde ingrijpen van collectieve actoren (zoals de overheid). Bijvoorbeeld: sociale uitkeringen.

92
New cards

Ruimtelijke breuklijnen

Een kloof in ons samenleven die het gevolg is van processen van fragmentering in de (stedelijke) ruimte.

93
New cards

Sociale ongelijkheid

De ongelijke verdeling van allerlei soorten sociale goederen en de ongelijke waardering en behandeling van mensen op grond van hun maatschappelijke positie en levensstijl.

94
New cards

Armoede

Een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving.

95
New cards

Relatief armoederisico

Het aandeel van de bevolking dat leeft in een gezin met een huishoudinkomen lager dan 60% van het nationaal mediaan beschikbaar equivalent huishoudinkomen.

96
New cards

Precariaat

Een nieuwe sociale onderklasse; een proletariaat in precaire leef- en werkomstandigheden.

97
New cards

Sociale stratificatie

De sociale ongelijkheid waarbij er groepen van individuen bestaan die een ongeveer gelijke sociale status delen (de waardering van anderen voor een bepaalde positie). Het gaat om gestructureerde ongelijkheden tussen verschillende groeperingen van mensen. Deze sociale ongelijkheid is dus structureel en verankerd in de samenleving.

98
New cards

Sociale klasse

Elke bevolkingsgroep die een gemeenschappelijke positie inneemt t.a.v. vermogen, inkomen, beroep, onderwijsniveau en levensstijl (ruime zin). In de enge zin delen zij ook gemeenschappelijke opvattingen.

99
New cards

Sociale mobiliteit

Het stijgen of dalen op de sociale ladder van een persoon of een groep van de ene sociale positie naar de andere.

100
New cards

Innovatie

Aanvankelijk betekende het vooral een technologische vernieuwing, maar later gaat het evengoed om vernieuwing in de gehele samenleving.