Les 5: Wat doet taal met ons? Deel 3

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/34

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

35 Terms

1
New cards

Wat is het verschil tussen taalvermogen en een taal?

  • Taalvermogen is de aangeboren menselijke capaciteit om taal te leren en te gebruiken.

  • Een taal is een concrete, historisch gegroeide taal die we aanleren binnen een bepaalde sociale context.


2
New cards

Wat zijn de kenmerken van het menselijke taalvermogen?

  • Het is aangeboren, abstract, universeel, soortgebonden en tijdloos.

  • Het is geen specifieke taal, maar een menselijke capaciteit.


3
New cards

Wat is de interaction engine volgens Levinson?

  • Het menselijke vermogen om complexe sociale en talige interacties aan te gaan.

  • Mensen zijn als het ware aangelegd voor sociale interactie.


4
New cards

Hoe leren mensen een concrete taal?

  • Via sociale interactie en input uit hun omgeving, vooral tijdens de primaire socialisatie.

  • Zo leren ze één of meerdere specifieke talen.


5
New cards

Wat is het verschil tussen taalvermogen en een concrete taal?

  • Taalvermogen: aangeboren, abstract, universeel en soortgebonden.

  • Concrete taal: aangeleerd, historisch gegroeid, context- en groepsgebonden.


6
New cards

Hoe groepeert een concrete taal mensen?

Een taal verdeelt de menselijke populatie in kleinere taalgroepen, maar verbindt tegelijk de mensen die dezelfde taal delen.

7
New cards

Wat leren de vaststellingen over taal en populaties ons?

  • Er zijn veel meer mensen dan talen.

  • Zowel geïsoleerde als dichtbevolkte gebieden kunnen veel verschillende talen en taalgroepen bevatten.


8
New cards

Hoe beïnvloedt een gedeelde taal onze sociale identiteit?

  • Een gedeelde taal maakt groepslidmaatschap herkenbaar.

  • Ze verbindt mensen, onderscheidt groepen en beïnvloedt onze attitudes tegenover de eigen en andere taalgroepen.


9
New cards

Wat is het verschil tussen common bond groups en common identity groups?

  • Common bond groups: gebaseerd op persoonlijke banden en relaties, zoals een familie.

  • Common identity groups: gebaseerd op een gedeelde identiteit of identificatie, zoals een voetbalploeg.


10
New cards

Wat is een taalgroep en tot welk type groep behoort ze?

  • Een taalgroep is een groep mensen die zich identificeert met een gedeelde taal.

  • Het is een common identity group.

  • De leden hoeven niet in hetzelfde land of gebied te wonen.


11
New cards

Wat is een identitair discours?

  • Een manier waarop mensen hun identiteit en groepslidmaatschap benadrukken of bespreken.

  • Een taal kan daarbij een belangrijk identiteitskenmerk worden.


12
New cards

Wat tonen Kongish en cryptolalie over taal en groepsidentiteit?

  • Kongish is een creatieve mengvorm van Kantonees en Engels, geschreven in een westers schrift. Het kan de identiteit van Hongkongers versterken.

  • Cryptolalie is geheimspraak waarmee een groep communicatie afschermt van buitenstaanders. Kongish werd tijdens de protesten van 2019 gebruikt om boodschappen minder toegankelijk te maken voor mensen uit Mainland China.


13
New cards

Hoe kunnen dialecten en regionale taalverschillen groepsidentiteit zichtbaar maken?

  • Verschillen in accent, uitspraak en woordgebruik kunnen aangeven waar iemand vandaan komt.

  • Zo herkennen mensen bijvoorbeeld verschillen tussen Nederland en Vlaanderen of tussen Vlaamse regio's.

  • Die verschillen kunnen ook attitudes tegenover sprekers oproepen.


14
New cards

Wat stelt Tajfels sociale-identiteitstheorie?

  • Onze identiteit bestaat uit een persoonlijk deel en een sociaal deel.

  • Dat sociale deel ontstaat door ons lidmaatschap van groepen en de emotionele en evaluatieve betekenis die we daaraan geven.


15
New cards

Welke drie soorten interactie onderscheidt men?

  • Interpersoonlijk: interactie tussen individuen als afzonderlijke personen.

  • Intergroep: interactie tussen mensen als vertegenwoordigers van verschillende groepen.

  • Intragroep: interactie tussen leden van dezelfde groep.


16
New cards

Wat zijn een ingroup en een outgroup?

  • Ingroup: de groep waarmee iemand zich identificeert en waartoe die persoon zichzelf rekent.

  • Outgroup: een groep die iemand als buiten de eigen groep beschouwt.


17
New cards

Wat zijn ingroup favouritism en outgroup homogeneity?

  • Ingroup favouritism: de neiging om de eigen groep positiever te beoordelen of te bevoordelen.

  • Outgroup homogeneity: de neiging om leden van andere groepen als meer gelijk aan elkaar te zien dan ze werkelijk zijn.


18
New cards

Wat zijn groepsnormen en waarom zijn ze belangrijk?

  • Groepsnormen zijn formele of informele regels over gedrag en attitudes.

  • Ze organiseren het gedrag van groepsleden en onderscheiden de groep van andere groepen.

  • Ze kunnen ook vertrouwen binnen de eigen groep versterken.


19
New cards

Wat betekent entitativity en wat is saliency?

  • Entitativity: de mate waarin een groep als een samenhangende, herkenbare eenheid wordt gezien.

  • Saliency: de mate waarin een bepaalde groepsidentiteit opvalt in een specifieke context. Een Vlaming kan zich bijvoorbeeld sterker met andere Vlamingen identificeren in het buitenland.


20
New cards

Wat is het attributieprobleem?

  • Het probleem dat ons groepslidmaatschap en onze stereotypes beïnvloeden hoe we het gedrag van anderen verklaren en beoordelen.

  • Hetzelfde gedrag kan anders geïnterpreteerd worden naargelang iemand tot onze eigen groep of een andere groep behoort.


21
New cards

Wat zijn het imposter/intruder effect en de underdog positie?

  • Imposter/intruder effect: iemand uit een outgroup voelt zich niet thuis in de ingroup: die persoon heeft het gevoel er eigenlijk niet te horen.

  • Underdog positie: iemand uit een outgroup moet zich extra bewijzen, omdat positieve prestaties als toevalstreffers worden beschouwd.


22
New cards

Wat zijn stereotype threat en acting white?

  • Stereotype threat: de stress om een negatief stereotype over de eigen groep niet te bevestigen. Die stress kan de prestaties negatief beïnvloeden.

  • Acting white: iemand uit een outgroup die zich volgens de eigen groep te veel gedraagt als een lid van de dominante ingroup, waardoor die persoon door de eigen achterban kan worden afgewezen.


23
New cards

Welke drie dimensies spelen volgens Tajfel een rol bij groepslidmaatschap?

  • Cognitief: weten dat je tot een groep behoort.

  • Evaluatief: een oordeel hebben over dat groepslidmaatschap.

  • Emotioneel: gevoelens verbinden aan het behoren tot die groep


24
New cards

Hoe beïnvloedt groepslidmaatschap de interpretatie van gedrag?

  • Positief gedrag van de eigen groep wordt vaak positief geïnterpreteerd, terwijl negatief gedrag van de eigen groep eerder aan de situatie wordt toegeschreven.

  • Bij de outgroup kan het omgekeerde gebeuren: negatief gedrag wordt sneller als kenmerk van de groep gezien.


25
New cards

Hoe kan taal de grenzen tussen ingroups en outgroups versterken?

  • Taal maakt groepslidmaatschap herkenbaar.

  • Mensen delen normen en waarden met hun eigen taalgroep en kunnen andere groepen als minder vertrouwd of als verschillend beschouwen.


26
New cards

Waarom kan taal als sociale lijm functioneren?

  • Een gedeelde taal bevordert verbondenheid, vertrouwen en gedeelde normen, waarden, geschiedenis, gewoonten en cultuur.

  • Ze versterkt de interne cohesie en het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’.


27
New cards

Hoe kan taal een identiteit versterken wanneer die onder druk staat?

  • Een groep kan de eigen taal sterker benadrukken om haar culturele of politieke identiteit te beschermen.

  • Voorbeelden zijn het Catalaans in Catalonië, het Oekraïens in Oekraïne en het Nederlands in Vlaanderen.


28
New cards

Hoe kan taal gebruikt worden om te controleren of iemand tot een groep behoort?

  • Mensen kunnen bepaalde woorden of uitspraken gebruiken als herkenningstest.

  • Tijdens de Brugse Metten werd bijvoorbeeld ‘schild en vriend’ gebruikt om te controleren wie tot de eigen groep behoorde.


29
New cards

Wat betekent Linguistic Intergroup Bias (LIB)?

De neiging om positief gedrag van de ingroup en negatief gedrag van de outgroup abstract te beschrijven, maar negatief gedrag van de ingroup en positief gedrag van de outgroup concreet te beschrijven.


30
New cards

Hoe werkt LIB bij de vier combinaties van gedrag en groepslidmaatschap?

Groep en gedrag

Beschrijving

Ingroup + positief

Abstract: ‘Ze zijn vriendelijk.’

Ingroup + negatief

Concreet: ‘Hij was gisteren boos.’

Outgroup + positief

Concreet: ‘Hij is een uitzondering.’

Outgroup + negatief

Abstract: ‘Ze zijn altijd rumoerig.’


31
New cards

Wat is een speech community volgens Wardhaugh?

  • “Some kind of social group whose speech characteristics are of interest and can be described in a coherent manner.”

  • Het gaat om een sociale groep waarvan de spraakkenmerken samenhangend beschreven kunnen worden.


32
New cards

Wat is het probleem met het idee van een homogene speech community?

  • Het veronderstelt te veel eenvormigheid. In werkelijkheid verschillen sprekers in dialect, accent en taalnormen.

  • Het doet denken aan Chomsky's geïdealiseerde homogene sprekersgemeenschap.


33
New cards

Wat tonen de voorbeelden van Nederlands in Nederland en Vlaanderen?

  • Ook binnen één taal bestaan regionale verschillen.

  • Zo wordt ‘luisteren’ in Vlaanderen doorgaans intransitief gebruikt (luisteren naar een podcast), terwijl het in Nederland ook transitief kan zijn (een podcast luisteren).

  • In Vlaanderen gebruikt men dan vaak beluisteren.


34
New cards

Waarom is sociolinguïstiek belangrijk?

  • Omdat taalgebruik en sociale context elkaar beïnvloeden.

  • We gebruiken taal in specifieke groepen en situaties, en onze sociale relaties beïnvloeden op hun beurt hoe we spreken


35
New cards

Hoe hangen taalvermogen, een concrete taal en sociale identiteit samen?

  • Het aangeboren taalvermogen maakt het mogelijk om een concrete taal te leren.

  • Die taal wordt vervolgens een herkenningsteken van groepslidmaatschap.

  • Zo helpt taal ons groepen te vormen, identiteiten uit te drukken en attitudes tegenover anderen te ontwikkelen