1/46
Looks like no tags are added yet.
Kostensoorten (categoriale indeling)
Grond, grond- en hulpstoffen, arbeid, duurzame productiemiddelen (afschrijving), diensten van derden, belastingen, interest.
Grondstof of hulpstof
Grondstof zit in het eindproduct (papier). Hulpstof niet (schoonmaakmiddel).
Wordt op grond afgeschreven?
Nee, grond neemt niet af in waarde (behalve bij mijnbouw).
Is btw een kostenpost?
Nee. De onderneming int de omzetbelasting voor de overheid en draagt haar af. Alleen kostprijsverhogende belastingen zijn kosten.
Waarvan hangt de afschrijving af?
Vier subjectieve factoren: aanschafprijs, economische levensduur, restwaarde en afschrijvingsmethode.
Lineair afschrijven en afschrijven op boekwaarde
Lineair: elk jaar een vast percentage van de aanschafprijs, dus een gelijk bedrag. Op boekwaarde: elk jaar een vast percentage van de boekwaarde aan het begin van het jaar, dus een dalend bedrag.
Wordt met afschrijvingen geld gespaard voor vervanging?
Nee. Afschrijving rekent alleen kosten toe aan een periode. Er wordt niets opzijgezet.
Directe en indirecte kosten
Direct: speciaal voor één product (grondstoffen). Indirect: voor het bedrijf als geheel (huur, administratie). Indirecte kosten worden vaak met de opslagmethode verdeeld: een percentage bovenop de directe kosten.
Constante kosten
Veranderen niet als de productie verandert, binnen de capaciteit (huur, afschrijving). Per product dalen ze als je meer maakt. Ook capaciteits- of periodekosten. Bij een flinke uitbreiding (groter pand) stijgen ze wel.
Variabele kosten
Het totaal verandert met de productie (grondstoffen, uitzendkrachten). Proportioneel: stijgen evenredig. Degressief: per eenheid dalend.
Integrale kostprijs
Constante kosten per product + variabele kosten per product. Ook: totale kosten / aantal producten.
Dekkingsbijdrage
Verkoopprijs min variabele kosten per product (p - v). Wat overblijft om de constante kosten te dekken.
Break-even afzet
Constante kosten / dekkingsbijdrage = C / (p - v). Break-even omzet = die afzet × prijs. Daar is de winst nul.
Winstverschil bij extra afzet
Extra afzet × dekkingsbijdrage. De constante kosten blijven gelijk, dus die tel je niet mee.
Extra order tegen lagere prijs accepteren?
Ja, als de prijs hoger is dan de variabele kosten (positieve dekkingsbijdrage) en de order binnen de capaciteit valt. De constante kosten veranderen niet.
Wanneer stop je met produceren?
Als de verkoopprijs lager is dan de variabele kosten. Ligt de prijs tussen de variabele kosten en de integrale kostprijs, dan maak je verlies maar dek je nog een deel van de constante kosten: doorgaan.
Sunk costs (verzonken kosten)
Kosten die al gemaakt zijn en niet terug te draaien, zoals de afschrijving op een machine of onderzoekskosten. Niet relevant voor een beslissing over de toekomst.
Opportunity costs
De opbrengst van het beste alternatief dat je niet kiest. Bijvoorbeeld de verkoopopbrengst van een machine als je doorproduceert: je vergelijkt bedrijfswaarde met opbrengstwaarde.
Bedrijfswaarde berekenen
Toekomstige opbrengsten min toekomstige variabele kosten (de extra kasstromen) over de resterende levensduur. Constante kosten en de boekwaarde tel je niet mee.
Doorgaan of verkopen?
Is de bedrijfswaarde hoger dan de opbrengstwaarde, dan doorgaan. Is ze lager, dan verkopen.
Operationeel risico en hefboomeffect
Hoe groter het aandeel constante kosten, hoe gevoeliger de winst is voor een verandering in de afzet (hoge hefboom). Meer risico, maar ook meer winststijging bij meer afzet.
Financieel risico
Komt door de vermogensstructuur: meer vreemd vermogen betekent meer vaste rente en aflossing.
Gevoeligheids- of scenarioanalyse
Doorrekenen wat er met het resultaat gebeurt als de omzet, de variabele of de constante kosten veranderen. Onderdeel van risicomanagement.
Vermogensbehoefte
Hoeveel vermogen de onderneming nodig heeft (eerste vraag van de financiering). De tweede vraag is hoe dat gefinancierd wordt.
Soorten financiering
Actief: welke activa moeten worden gefinancierd. Passief: met welk vermogen. Partieel: per actief een eigen bron (hypotheek voor een pand). Totaal: de hele behoefte als geheel. Intern: uit eigen winst en operationele kasstroom. Extern: van vermogensverschaffers (financieringskasstroom).
Functies van het eigen vermogen
Financiering zonder terugbetalingsplicht (permanent vermogen), risicodragend vermogen, en buffer of garantie voor schuldeisers.
Winstbepaling en winstbestemming
Bepaling: de winst berekenen via de W&V. Bestemming: wat ermee gebeurt (dividend uitkeren of reserveren), meestal geregeld in de statuten.
Dividend op de balans
Na het besluit tot uitkering: van het EV naar 'te betalen dividend' (kort vreemd vermogen). Bij betaling dalen kas en die schuld. Dividend is een onttrekking en komt niet op de W&V.
Pay-out ratio
Uitgekeerd dividend / totale winst.
Winstreserve
Alle niet-uitgekeerde winsten uit het verleden min de verliezen. Is vrij: er mag uit worden uitgekeerd, ook in een verliesjaar, als de regels van kapitaalbescherming worden nageleefd.
Agioreserve
Wat nieuwe aandeelhouders bovenop de nominale waarde betalen, ter compensatie van hun recht op de bestaande reserves. Voorbeeld: emissie tegen intrinsieke waarde € 1,50 bij nominaal € 1, dus € 0,50 per aandeel naar de agioreserve.
Herwaarderingsreserve
Ontstaat als een actief op actuele waarde wordt gewaardeerd en die waarde stijgt. De waardestijging gaat niet via de W&V maar naar deze reserve. Het is een wettelijke reserve en niet uitkeerbaar.
Wanneer ontstaan wettelijke reserves?
Bij ongerealiseerde herwaardering, ingehouden winsten van deelnemingen en het activeren van bepaalde immateriële vaste activa. Ze beschermen schuldeisers, want er mag niet uit worden uitgekeerd.
Intrinsieke waarde per aandeel
Eigen vermogen / aantal geplaatste aandelen.
Nominale waarde, intrinsieke waarde, beurswaarde
Nominaal: de vrij gekozen waarde die op het aandeel staat. Intrinsiek: EV per aandeel (boekwaarde). Beurswaarde: de koers op de beurs. Koersschommelingen raken de balans van de vennootschap niet.
Voorziening: karakter en voorbeelden
Middelen ingehouden ten laste van de winst voor toekomstige risico's die nu hun oorzaak hebben. Subjectieve schatting die volgt uit het voorzichtigheidsbeginsel. Voorbeelden: garantie-, pensioen-, belasting- en reorganisatievoorziening. Is geen geldpotje maar een verplichting aan de creditzijde.
Voorwaarden voor vreemd vermogen
Rentevergoeding, looptijd, zekerheden. Een hoger risico of een langere looptijd betekent meestal een hogere rente.
Obligatielening
In stukken verdeelde lening, uitgegeven op de openbare of onderhandse markt, met nominale waarde, looptijd en rente. Converteerbaar: kan tegen een vooraf bepaalde koers worden omgezet in aandelen.
Onderhandse lening
Lening bij één financiële instelling, op maat onderhandeld. Geen emissiekosten, maar slecht verhandelbaar en daardoor iets hogere rente.
Rekening-courantkrediet
Rood staan bij de bank tot een limiet. Kort vreemd vermogen, maar bij langdurig gebruik in feite lang vermogen.
Transitorische (overlopende) posten
Overlopende activa of passiva die uitgaven en ontvangsten aan de juiste periode toerekenen, zoals vooruitbetaalde huur (actief) of nog te betalen huur (passief).
Rangorde vermogensverschaffers
1 preferente schuldeisers, 2 concurrente (gewone) schuldeisers, 3 achtergestelde schuldeisers, 4 aandeelhouders.
Meer spreiding in de waarde van de onderneming
Gunstig voor aandeelhouders (meer kans op een hoge uitkomst), ongunstig voor schuldeisers (meer kans dat ze niet volledig worden betaald).
Netto contante waarde
Contante waarde van de toekomstige kasstromen min de investering. Positief betekent dat de investering waarde toevoegt. CW = som van C(t) / (1 + r)^t.
Boekwaardebalans en marktwaardebalans
Boekwaarde: gebaseerd op feiten uit het verleden, betrouwbaarder, gebruikt voor de jaarrekening (titel 9, continuïteit). Marktwaarde: contante waarde van verwachte kasstromen, relevanter voor de waarde van de onderneming, maar subjectiever. Ze gaat tegen het realisatiebeginsel in.
Geldt titel 9 voor eenmanszaak en personenvennootschap?
In beginsel niet. Er geldt wel een boekhoudplicht.
Vier kenmerken onderneming (literatuur week 5)
Organisatie, productie, doel om winst of waarde te behalen, en onzekerheid of dat lukt.