week 5 o&r

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/46

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

47 Terms

1
New cards

Kostensoorten (categoriale indeling)

Grond, grond- en hulpstoffen, arbeid, duurzame productiemiddelen (afschrijving), diensten van derden, belastingen, interest.

2
New cards

Grondstof of hulpstof

Grondstof zit in het eindproduct (papier). Hulpstof niet (schoonmaakmiddel).

3
New cards

Wordt op grond afgeschreven?

Nee, grond neemt niet af in waarde (behalve bij mijnbouw).

4
New cards

Is btw een kostenpost?

Nee. De onderneming int de omzetbelasting voor de overheid en draagt haar af. Alleen kostprijsverhogende belastingen zijn kosten.

5
New cards

Waarvan hangt de afschrijving af?

Vier subjectieve factoren: aanschafprijs, economische levensduur, restwaarde en afschrijvingsmethode.

6
New cards

Lineair afschrijven en afschrijven op boekwaarde

Lineair: elk jaar een vast percentage van de aanschafprijs, dus een gelijk bedrag. Op boekwaarde: elk jaar een vast percentage van de boekwaarde aan het begin van het jaar, dus een dalend bedrag.

7
New cards

Wordt met afschrijvingen geld gespaard voor vervanging?

Nee. Afschrijving rekent alleen kosten toe aan een periode. Er wordt niets opzijgezet.

8
New cards

Directe en indirecte kosten

Direct: speciaal voor één product (grondstoffen). Indirect: voor het bedrijf als geheel (huur, administratie). Indirecte kosten worden vaak met de opslagmethode verdeeld: een percentage bovenop de directe kosten.

9
New cards

Constante kosten

Veranderen niet als de productie verandert, binnen de capaciteit (huur, afschrijving). Per product dalen ze als je meer maakt. Ook capaciteits- of periodekosten. Bij een flinke uitbreiding (groter pand) stijgen ze wel.

10
New cards

Variabele kosten

Het totaal verandert met de productie (grondstoffen, uitzendkrachten). Proportioneel: stijgen evenredig. Degressief: per eenheid dalend.

11
New cards

Integrale kostprijs

Constante kosten per product + variabele kosten per product. Ook: totale kosten / aantal producten.

12
New cards

Dekkingsbijdrage

Verkoopprijs min variabele kosten per product (p - v). Wat overblijft om de constante kosten te dekken.

13
New cards

Break-even afzet

Constante kosten / dekkingsbijdrage = C / (p - v). Break-even omzet = die afzet × prijs. Daar is de winst nul.

14
New cards

Winstverschil bij extra afzet

Extra afzet × dekkingsbijdrage. De constante kosten blijven gelijk, dus die tel je niet mee.

15
New cards

Extra order tegen lagere prijs accepteren?

Ja, als de prijs hoger is dan de variabele kosten (positieve dekkingsbijdrage) en de order binnen de capaciteit valt. De constante kosten veranderen niet.

16
New cards

Wanneer stop je met produceren?

Als de verkoopprijs lager is dan de variabele kosten. Ligt de prijs tussen de variabele kosten en de integrale kostprijs, dan maak je verlies maar dek je nog een deel van de constante kosten: doorgaan.

17
New cards

Sunk costs (verzonken kosten)

Kosten die al gemaakt zijn en niet terug te draaien, zoals de afschrijving op een machine of onderzoekskosten. Niet relevant voor een beslissing over de toekomst.

18
New cards

Opportunity costs

De opbrengst van het beste alternatief dat je niet kiest. Bijvoorbeeld de verkoopopbrengst van een machine als je doorproduceert: je vergelijkt bedrijfswaarde met opbrengstwaarde.

19
New cards

Bedrijfswaarde berekenen

Toekomstige opbrengsten min toekomstige variabele kosten (de extra kasstromen) over de resterende levensduur. Constante kosten en de boekwaarde tel je niet mee.

20
New cards

Doorgaan of verkopen?

Is de bedrijfswaarde hoger dan de opbrengstwaarde, dan doorgaan. Is ze lager, dan verkopen.

21
New cards

Operationeel risico en hefboomeffect

Hoe groter het aandeel constante kosten, hoe gevoeliger de winst is voor een verandering in de afzet (hoge hefboom). Meer risico, maar ook meer winststijging bij meer afzet.

22
New cards

Financieel risico

Komt door de vermogensstructuur: meer vreemd vermogen betekent meer vaste rente en aflossing.

23
New cards

Gevoeligheids- of scenarioanalyse

Doorrekenen wat er met het resultaat gebeurt als de omzet, de variabele of de constante kosten veranderen. Onderdeel van risicomanagement.

24
New cards

Vermogensbehoefte

Hoeveel vermogen de onderneming nodig heeft (eerste vraag van de financiering). De tweede vraag is hoe dat gefinancierd wordt.

25
New cards

Soorten financiering

Actief: welke activa moeten worden gefinancierd. Passief: met welk vermogen. Partieel: per actief een eigen bron (hypotheek voor een pand). Totaal: de hele behoefte als geheel. Intern: uit eigen winst en operationele kasstroom. Extern: van vermogensverschaffers (financieringskasstroom).

26
New cards

Functies van het eigen vermogen

Financiering zonder terugbetalingsplicht (permanent vermogen), risicodragend vermogen, en buffer of garantie voor schuldeisers.

27
New cards

Winstbepaling en winstbestemming

Bepaling: de winst berekenen via de W&V. Bestemming: wat ermee gebeurt (dividend uitkeren of reserveren), meestal geregeld in de statuten.

28
New cards

Dividend op de balans

Na het besluit tot uitkering: van het EV naar 'te betalen dividend' (kort vreemd vermogen). Bij betaling dalen kas en die schuld. Dividend is een onttrekking en komt niet op de W&V.

29
New cards

Pay-out ratio

Uitgekeerd dividend / totale winst.

30
New cards

Winstreserve

Alle niet-uitgekeerde winsten uit het verleden min de verliezen. Is vrij: er mag uit worden uitgekeerd, ook in een verliesjaar, als de regels van kapitaalbescherming worden nageleefd.

31
New cards

Agioreserve

Wat nieuwe aandeelhouders bovenop de nominale waarde betalen, ter compensatie van hun recht op de bestaande reserves. Voorbeeld: emissie tegen intrinsieke waarde € 1,50 bij nominaal € 1, dus € 0,50 per aandeel naar de agioreserve.

32
New cards

Herwaarderingsreserve

Ontstaat als een actief op actuele waarde wordt gewaardeerd en die waarde stijgt. De waardestijging gaat niet via de W&V maar naar deze reserve. Het is een wettelijke reserve en niet uitkeerbaar.

33
New cards

Wanneer ontstaan wettelijke reserves?

Bij ongerealiseerde herwaardering, ingehouden winsten van deelnemingen en het activeren van bepaalde immateriële vaste activa. Ze beschermen schuldeisers, want er mag niet uit worden uitgekeerd.

34
New cards

Intrinsieke waarde per aandeel

Eigen vermogen / aantal geplaatste aandelen.

35
New cards

Nominale waarde, intrinsieke waarde, beurswaarde

Nominaal: de vrij gekozen waarde die op het aandeel staat. Intrinsiek: EV per aandeel (boekwaarde). Beurswaarde: de koers op de beurs. Koersschommelingen raken de balans van de vennootschap niet.

36
New cards

Voorziening: karakter en voorbeelden

Middelen ingehouden ten laste van de winst voor toekomstige risico's die nu hun oorzaak hebben. Subjectieve schatting die volgt uit het voorzichtigheidsbeginsel. Voorbeelden: garantie-, pensioen-, belasting- en reorganisatievoorziening. Is geen geldpotje maar een verplichting aan de creditzijde.

37
New cards

Voorwaarden voor vreemd vermogen

Rentevergoeding, looptijd, zekerheden. Een hoger risico of een langere looptijd betekent meestal een hogere rente.

38
New cards

Obligatielening

In stukken verdeelde lening, uitgegeven op de openbare of onderhandse markt, met nominale waarde, looptijd en rente. Converteerbaar: kan tegen een vooraf bepaalde koers worden omgezet in aandelen.

39
New cards

Onderhandse lening

Lening bij één financiële instelling, op maat onderhandeld. Geen emissiekosten, maar slecht verhandelbaar en daardoor iets hogere rente.

40
New cards

Rekening-courantkrediet

Rood staan bij de bank tot een limiet. Kort vreemd vermogen, maar bij langdurig gebruik in feite lang vermogen.

41
New cards

Transitorische (overlopende) posten

Overlopende activa of passiva die uitgaven en ontvangsten aan de juiste periode toerekenen, zoals vooruitbetaalde huur (actief) of nog te betalen huur (passief).

42
New cards

Rangorde vermogensverschaffers

1 preferente schuldeisers, 2 concurrente (gewone) schuldeisers, 3 achtergestelde schuldeisers, 4 aandeelhouders.

43
New cards

Meer spreiding in de waarde van de onderneming

Gunstig voor aandeelhouders (meer kans op een hoge uitkomst), ongunstig voor schuldeisers (meer kans dat ze niet volledig worden betaald).

44
New cards

Netto contante waarde

Contante waarde van de toekomstige kasstromen min de investering. Positief betekent dat de investering waarde toevoegt. CW = som van C(t) / (1 + r)^t.

45
New cards

Boekwaardebalans en marktwaardebalans

Boekwaarde: gebaseerd op feiten uit het verleden, betrouwbaarder, gebruikt voor de jaarrekening (titel 9, continuïteit). Marktwaarde: contante waarde van verwachte kasstromen, relevanter voor de waarde van de onderneming, maar subjectiever. Ze gaat tegen het realisatiebeginsel in.

46
New cards

Geldt titel 9 voor eenmanszaak en personenvennootschap?

In beginsel niet. Er geldt wel een boekhoudplicht.

47
New cards

Vier kenmerken onderneming (literatuur week 5)

Organisatie, productie, doel om winst of waarde te behalen, en onzekerheid of dat lukt.