1/62
Looks like no tags are added yet.
Organismen
Levende wezens zoals planten, dieren, schimmels en bacteriƫn
Stofwisseling
Alle chemische (scheikundige) reacties in een organisme
Soort
Organismen die zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen voortbrengen
Levenscyclus
Alle individuen van een soort doorlopen tijdens hun levensloop dezelfde fasen of stadia (ei, rups (larve), pop, volwassen dier)
DNA
Molecuul dat de erfelijke informatie van een organisme bevat
Cel
Een grotere biologische eenheid en een hoger organisatieniveau dan een molecuul; alle organismen bestaan uit een of meer cellen
Organellen
Onderdelen van een cel met een bepaalde functie
Weefsel
Een groep van een of meer verschillende celtypen die een gemeenschappelijke functie hebben
Orgaan
Deel van een organisme met een specifieke bouw en functie
Orgaanstelsel
Aantal organen dat samen een bepaalde functie uitoefent
Populatie
Groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leeft en zich onderling voortplant
Levensgemeenschap
Alle verschillende populaties die in een gebied samenleven
Ecosysteem
Min of meer begrensd gebied met bepaalde eigenschappen. Zowel de levende als de niet-levende natuur in dat gebied maakt deel uit van het ecosysteem
Systeem aarde
Geheel aan ecosystemen op aarde, ook biosfeer genoemd
Emergente eigenschap
Als er op een hoger organisatieniveau een nieuwe eigenschap ontstaat die er op het lagere organisatieniveau niet is
Tussencelstof
Bij veel weefsels liggen de cellen niet direct tegen elkaar aan, maar komt tussencelstof voor. Het soort tussencelstof hangt samen met de functie van het weefsel
Celmembraan
Buitenste laag van een cel die het inwendige van de cel, het cytoplasma (celplasma), scheidt van het milieu buiten de cel
Celwand
Stevig laagje om een plantaardige cel heen dat niet tot de cel behoort (is tussencelstof)
Cytoplasma (celplasma)
Inhoud van de cel die bestaat uit het grondplasma met daarin allerlei organellen, ook celplasma genoemd
Grondplasma
Bestanddeel van het cytoplasma dat bestaat uit water en opgeloste stoffen
Celkern
Organel in het cytoplasma dat omsloten is door het kernmembraan en DNA bevat
Vacuole
Blaasje gevuld met vacuolevocht in het cytoplasma; veel plantaardige cellen bevatten een grote centrale vacuole
Plastiden
Organellen in plantaardige cellen waarvan verschillende typen bestaan: bladgroenkorrels, chromoplasten en leukoplasten
Chloroplasten
Plastiden die groene kleurstoffen bevatten, ook bladgroenkorrels genoemd
Chlorofyl
Groene kleurstoffen in chloroplasten
Chromosomen
Lange moleculen DNA die rondom eiwitten zijn gewikkeld
Erfelijke eigenschappen
Informatie die de bouw en functie van een cel bepaalt
Kernlichaampje
Plaats in het kernplasma waar delen van ribosomen worden gemaakt
Kernporie
Opening met eiwitten die het transport van stoffen in en uit de kern kan regelen
Ribosomen
Kleine bolvormige organellen die eiwitten produceren met behulp van de informatie die is vastgelegd in het DNA
Endoplasmatisch reticulum
Een uitgebreid netwerk van dubbele membranen in het cytoplasma dat is aangesloten op het kernmembraan
Ruw endoplasmatisch reticulum
Endoplasmatisch reticulum waarbij zich ribosomen op de membranen bevinden
Golgisysteem
Opeengestapelde platte membranen in het cytoplasma waarin eiwitten worden bewerkt totdat ze hun definitieve vorm hebben
Exocytose
Afsnoeren van blaasjes door het celmembraan om stoffen naar buiten de cel te transporteren
Lysosomen
Afgesnoerde blaasjes van het golgisysteem met eiwitten (enzymen) die in de cel blijven; na versmelting met een ander blaasje kunnen de enzymen de eiwitten in dit blaasje verteren
Enzymen
Eiwitten die stoffen kunnen afbreken
Mitochondriƫn
Bolvormige organellen met dubbele membranen waarin met behulp van zuurstof energie wordt vrijgemaakt die tijdelijk is opgeslagen in ATP
ATP
Moleculen die worden gemaakt in de mitochondriƫn en de belangrijkste energieleverancier zijn voor processen in de cel
Cytoskelet
Netwerk van eiwitvezels binnen in cellen dat ervoor zorgt dat de cel zijn vorm behoudt en dat organellen op hun plaats blijven en dat een cel van vorm kan veranderen of zich kan verplaatsen
Ciliƫn
Organellen die behoren tot het cytoskelet; kunnen signalen uit de omgeving waarnemen en doorgeven aan de cel en hebben een functie bij de voortbeweging
Flagel
Zweephaar waarmee cellen zich kunnen voortbewegen
Motoreiwitten
Eiwitten die zich verplaatsen langs het cytoskelet en daarbij blaasjes en eiwitten transporteren
Fosfolipiden
Een fosfolipidemolecuul is een vetachtige stof die aan een kant bestaat uit een fosfaatgroep die in water oplosbaar is en aan de andere kant twee lange vetzuurmoleculen heeft die waterafstotend zijn
Membraaneiwitten
Eiwitten in het celmembraan; spelen vaak een rol bij het transporteren van stoffen in en uit de cel
Receptoreiwitten
Eiwitten met daaraan koolhydraatketens; spelen een rol bij de herkenning van een cel door eiwitten in het membraan van andere cellen
Endocytose
Het afsnoeren van blaasjes door het celmbraan om stoffen in de cel op te nemen
Diffusie
Verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie van die stof
Permeabel
Doorlatend membraan, wanneer moleculen kleiner zijn dan de poriƫn in het membraan kunnen ze er doorheen en kan diffusie optreden
Semipermeabel of selectief permeabel
Een membraan waar kleine moleculen wel doorheen kunnen, maar grote moleculen niet
Osmose
Diffusie van watermoleculen door een semipermeabel membraan van de plaats met de hoogste concentratie watermoleculen (de oplossing met de laagste osmotische waarde) naar de plaats met de laagste concentratie watermoleculen (de oplossing met de hoogste osmotische waarde)
Osmotische waarde
De osmotische waarde van een oplossing wordt bepaald door het aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid
Osmotische druk
Aanzuigkracht die de oplossing met de hoogste osmotische waarde uitoefent op de andere oplossing en die wordt bepaald door de concentratie van deeltjes die niet door het semipermeabel membraan heen kunnen
Isotoon
Oplossing waarvan de osmotische waarde gelijk is aan de osmotische waarde van het cytoplasma in een cel
Hypotoon
Oplossing waarvan de osmotische waarde lager is dan de osmotische waarde van het cytoplasma in een cel
Hypertoon
Oplossing waarvan de osmotische waarde hoger is dan de osmotische waarde van het cytoplasma in een cel
Turgor
Door de opname van water ontstaat druk op de celwand in een plantencel die ervoor zorgt dat de plantencel stevig is (dan is de druk in de cel groter dan de druk buiten de cel)
Plasmolyse
Wanneer een plantaardige cel stevigheid verliest doordat er zoveel water de cel uitgaat dat het celmembraan loslaat van de celwand (doordat de celwand niet kan krimpen)
Passief transport
Transport van stoffen door een membraan waarvoor geen energie nodig is, transport vindt plaats met het concentratieverval mee
Ionentransport
Transport door een membraan van ionen zoals Na+, K+, en Ca+
Transporteiwitten
Eiwitten die specifieke moleculen kunnen binden en transporteren door het membraan
Actief transport
Transport van stoffen door een membraan via membraaneiwitten waarvoor energie (omzetting ATP) nodig is, transport vindt plaats tegen het concentratieverval in
Validiteit
De resultaten geven ook echt antwoord op de onderzoeksvraag
Betrouwbaarheid
De resultaten zijn op een objectieve manier verkregen en herhaling van het onderzoek is mogelijk