HC 4

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/211

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

DNA herstel en kanker

212 Terms

1
New cards

Waarom is nauwkeurige DNA-replicatie belangrijk?

Dochtercellen moeten vrijwel identieke genetische informatie erven.

2
New cards

Welke drie oorzaken van mutaties worden in HC4 behandeld?

Replicatiefouten, externe DNA-schade en chemische instabiliteit.

3
New cards

Hoe ontstaan replicatiefouten?

DNA-polymerase bouwt incidenteel een verkeerde nucleotide in.

4
New cards

Hoe veroorzaken externe factoren mutaties?

Ze beschadigen DNA; foutief herstel of replicatie kan een mutatie vastleggen.

5
New cards

Wat betekent chemische instabiliteit van DNA?

DNA-basen kunnen spontaan chemisch veranderen of verloren gaan.

6
New cards

Hoeveel baseparen worden volgens de samenvatting per celdeling gekopieerd?

Ongeveer 6 × 10^9 baseparen.

7
New cards

Hoe lang duurt DNA-duplicatie ongeveer volgens de samenvatting?

Ongeveer vijf uur.

8
New cards

Wat is het verschil tussen DNA-schade en een mutatie?

Schade is een laesie; een mutatie is een blijvende sequentieverandering.

9
New cards

Leidt iedere DNA-laesie tot een mutatie?

Nee, tijdig en correct herstel kan mutaties voorkomen.

10
New cards

Waarom verhoogt herhaalde celdeling het mutatierisico?

Er zijn herhaaldelijk kansen op replicatiefouten of fixatie van schade.

11
New cards

Wat is base misincorporation?

Inbouw van een verkeerde nucleotide tegenover de matrijs.

12
New cards

Wat is de aanvankelijke foutfrequentie van DNA-polymerase op de slides?

Ongeveer 10^-5 per gekopieerde base.

13
New cards

Hoeveel theoretische inbouwfouten ontstaan zonder correctie per celdeling?

Ongeveer 60.000 volgens de slides.

14
New cards

Wat is proofreading?

Directe controle en verwijdering van verkeerd ingebouwde nucleotiden.

15
New cards

Welke enzymatische activiteit verzorgt proofreading?

De 3′→5′-exonucleaseactiviteit van replicatieve DNA-polymerasen.

16
New cards

Is proofreading een geheel losstaande reparatieroute?

Nee, het is gekoppeld aan de werking van DNA-polymerase.

17
New cards

In welke richting verwijdert proofreading fouten?

3′ naar 5′ vanaf het pas gesynthetiseerde DNA-uiteinde.

18
New cards

Wat gebeurt er na verwijdering van een verkeerd nucleotide?

DNA-polymerase synthetiseert het DNA opnieuw.

19
New cards

Welke foutfrequentie blijft over na proofreading?

Ongeveer 10^-7 per base volgens de slides.

20
New cards

Hoeveel fouten blijven na polymerase en proofreading theoretisch over?

Ongeveer 600 per celdeling.

21
New cards

Welke DNA-polymerasen worden met proofreading-defecten geassocieerd?

POLE (polymerase ε) en POLD1 (polymerase δ).

22
New cards

Welke ziektebeelden kunnen kiembaanvarianten in POLE/POLD1 predisponeren?

Colorectale adenomen en carcinomen.

23
New cards

Welke functionele regio van POLE/POLD1 is daarbij vaak aangedaan?

Het exonuclease- of proofreadingdomein.

24
New cards

Waarom veroorzaken proofreadingdefecten veel puntmutaties?

Foutieve basen worden niet tijdig door de polymerase verwijderd.

25
New cards

Wat is de consequentie van proofreadingfalen voor genoomstabiliteit?

De mutatiefrequentie neemt sterk toe.

26
New cards

Waar staat MMR voor?

Mismatch repair: herstel van foutieve baseparing na DNA-replicatie.

27
New cards

Wanneer grijpt MMR in?

Bij mismatches die ondanks proofreading zijn achtergebleven.

28
New cards

Hoe werkt MMR globaal?

Herken mismatch, knip nieuw DNA weg, vul correct aan en ligeer.

29
New cards

Welke eiwitten herkennen mismatches volgens het slideschema?

MSH2 en MSH6 als herkenningscomplex.

30
New cards

Welke eiwitten coördineren herstel na herkenning?

MLH1 en PMS2.

31
New cards

Welke exonuclease kan het foutieve DNA-fragment verwijderen?

EXO1.

32
New cards

Wat doet DNA-polymerase in de MMR-route?

De verwijderde DNA-sectie opnieuw synthetiseren.

33
New cards

Wat doet DNA-ligase na MMR?

Het resterende gat in de DNA-ruggengraat sluiten.

34
New cards

Welk eiwit houdt de polymerase tijdens herstel op DNA?

PCNA (processivity clamp).

35
New cards

Hoeveel vermindert MMR de foutfrequentie ongeveer?

Van 10^-7 naar circa 10^-9–10^-10 per base.

36
New cards

Hoeveel fouten blijven op onbeschadigd DNA na alle replicatiecorrectie over?

Minder dan één fout per celdeling volgens de slides.

37
New cards

Wat is MMR-deficiëntie?

Onvoldoende herstel van mismatches en kleine insertie-deletielussen.

38
New cards

Welke vier MMR-genen komen in HC4 steeds terug?

MLH1, MSH2, MSH6 en PMS2.

39
New cards

Welk erfelijk syndroom ontstaat door pathogene kiembaanvarianten in MMR-genen?

Lynchsyndroom.

40
New cards

Wat is het belangrijkste kankerrisico bij Lynchsyndroom?

Colorectaal carcinoom.

41
New cards

Welke gynaecologische kanker is sterk geassocieerd met Lynchsyndroom?

Endometriumcarcinoom.

42
New cards

Noem andere tumoren die bij Lynchsyndroom kunnen voorkomen.

Onder andere ovarium-, maag-, pancreas- en urinewegkanker.

43
New cards

Hoe erft Lynchsyndroom doorgaans over?

Autosomaal dominant als aanleg; tumorvorming vereist doorgaans extra somatische inactivatie.

44
New cards

Wat is microsatellietinstabiliteit (MSI)?

Lengteveranderingen in korte repetitieve DNA-sequenties bij MMR-defecten.

45
New cards

Wat is het verschil tussen MSI en MMR-deficiëntie?

MSI is een meetbaar gevolg; MMR-deficiëntie is het onderliggende hersteldefect.

46
New cards

Kan MMR-deficiëntie ook sporadisch ontstaan?

Ja, bijvoorbeeld door somatische of epigenetische uitschakeling van MMR-genen.

47
New cards

Waarom verhogen MMR-defecten de kans op kanker?

Meer mutaties hopen zich op, ook in genen die groei controleren.

48
New cards

Welke bronnen van DNA-schade worden op slide 10 onderscheiden?

Leefstijl, industrie/omgeving, voedsel en medische toepassingen.

49
New cards

Noem twee leefstijlfactoren die DNA-schade kunnen veroorzaken.

UV-blootstelling en roken.

50
New cards

Waarom kunnen antikankermiddelen zelf DNA-schade veroorzaken?

Sommige chemotherapeutica werken juist door tumor-DNA te beschadigen.

51
New cards

Wat zijn endogene bronnen van DNA-schade?

Reacties in de cel zelf, bijvoorbeeld oxidatieve stress.

52
New cards

Welke vier DNA-schadecategorieën toont slide 11?

Basemodificaties, bulky laesies, dubbelstrengsbreuken en interstrandcrosslinks.

53
New cards

Wat is een basemodificatie?

Chemische verandering van een nucleotidebase.

54
New cards

Welke oxidatieve basemodificatie is in de slides afgebeeld?

8-oxoguanine.

55
New cards

Wat betekent bulky DNA damage?

Een omvangrijke laesie die de DNA-helix vervormt.

56
New cards

Welke blootstelling kan pyrimidinedimeren veroorzaken?

UV-straling.

57
New cards

Wat is een dubbelstrengsbreuk?

Beide DNA-strengen zijn op of nabij dezelfde plek onderbroken.

58
New cards

Welke blootstelling kan dubbelstrengsbreuken veroorzaken?

Ioniserende straling.

59
New cards

Wat is een interstrandcrosslink (ICL)?

Een covalente verbinding tussen beide DNA-strengen.

60
New cards

Waarom is een interstrandcrosslink gevaarlijk?

De twee strengen kunnen niet goed worden gescheiden voor replicatie.

61
New cards

Welk chemotherapeuticum veroorzaakt platina-DNA-adducten?

Cisplatine.

62
New cards

Wat zijn cyclobutaanpyrimidinedimeren (CPD)?

UV-geïnduceerde covalente verbindingen tussen naburige pyrimidinen.

63
New cards

Wat is een 6-4-fotoproduct?

Een ander UV-geïnduceerd covalent DNA-fotoproduct.

64
New cards

Hoe kan een pyrimidinedimeer DNA-replicatie verstoren?

Het vormt een laesie die gewone replicatieve polymerasen moeilijk passeren.

65
New cards

Wat is translesiesynthese (TLS)?

DNA-synthese langs een DNA-laesie door gespecialiseerde polymerasen.

66
New cards

Waarom kan TLS mutageen zijn?

Sommige TLS-polymerasen bouwen relatief vaak een verkeerde base in.

67
New cards

Wat is de functie van DNA-polymerase η (eta)?

Relatief nauwkeurige bypass van UV-geïnduceerde cyclobutaandimeren.

68
New cards

Is translesiesynthese hetzelfde als herstel van de DNA-laesie?

Nee, het is schade-tolerantie; de laesie kan blijven bestaan.

69
New cards

Wanneer wordt een verkeerde base-inbouw een blijvende mutatie?

Als de fout bij replicatie wordt vastgelegd en niet wordt gecorrigeerd.

70
New cards

Welke herstelroute verwijdert doorgaans UV-geïnduceerde bulky DNA-laesies?

Nucleotide-excisieherstel (NER).

71
New cards

Hoeveel basen gaan volgens de slides gemiddeld chemisch verloren per cel per dag?

Ongeveer 10.000.

72
New cards

Wat is depurinatie?

Hydrolytisch verlies van een purinebase uit DNA.

73
New cards

Welke twee basen zijn purines?

Adenine en guanine.

74
New cards

Wat blijft over na depurinatie?

Een abasic of AP-site zonder base.

75
New cards

Waarom is een AP-site gevaarlijk bij replicatie?

Er ontbreekt informatie voor correcte baseparing.

76
New cards

Hoe kan een AP-site leiden tot een mutatie?

Bypass of foutieve reparatie kan een verkeerd nucleotide opleveren.

77
New cards

Wat betekent deaminatie?

Verlies van een aminogroep van een DNA-base.

78
New cards

Wat ontstaat bij deaminatie van 5-methylcytosine?

Thymine.

79
New cards

Welke verkeerde baseparing ontstaat door deaminatie van 5-methylcytosine?

Een G:T-mismatch.

80
New cards

Welke substitutie kan hierdoor na replicatie ontstaan?

C:G naar T:A-transitie.

81
New cards

Waarom zijn methyl-CpG-locaties bekende mutatiehotspots?

5-methylcytosine kan spontaan naar thymine deamineren.

82
New cards

Wat gebeurt er als deze deaminaties tijdig worden hersteld?

De fout wordt verwijderd voordat een blijvende mutatie ontstaat.

83
New cards

Welke route herstelt kleine chemische baseschade?

Base-excisieherstel (BER).

84
New cards

Wat is de eerste stap bij BER?

Een DNA-glycosylase verwijdert de beschadigde base.

85
New cards

Wat ontstaat na verwijdering van een base door glycosylase?

Een AP-site.

86
New cards

Welk enzym kan de DNA-ruggengraat bij een AP-site knippen?

AP-endonuclease (bijvoorbeeld APE1).

87
New cards

Wat gebeurt er aan het einde van BER?

DNA-polymerase vult aan en ligase sluit af.

88
New cards

Noem een BER-gerelateerd glycosylase bij 8-oxoguanine.

OGG1.

89
New cards

Welk enzym is relevant bij MUTYH-geassocieerde polyposis?

MUTYH, een DNA-glycosylase in basenherstel.

90
New cards

Welke DNA-schade wordt vooral door NER aangepakt?

Volumineuze helixvervormende laesies, zoals UV-fotoproducten.

91
New cards

Wat is het kernprincipe van NER?

Een beschadigd DNA-segment verwijderen en opnieuw synthetiseren.

92
New cards

Welke erfelijke ziekte kan ontstaan door defecten in NER?

Xeroderma pigmentosum.

93
New cards

Wat is het kenmerk van xeroderma pigmentosum?

Extreme UV-gevoeligheid en verhoogd risico op huidkanker.

94
New cards

Hoe erft klassieke xeroderma pigmentosum doorgaans over?

Autosomaal recessief.

95
New cards

Wat is de XP-variant (XP-V)?

Defecte translesiesynthese door POLH/polymerase η, niet klassiek NER-defect.

96
New cards

Welk gen is geassocieerd met de XP-variant?

POLH, coderend voor DNA-polymerase η.

97
New cards

Welke herstelroute is relatief nauwkeurig bij dubbelstrengsbreuken?

Homologe recombinatie (HR).

98
New cards

Waarom is HR doorgaans relatief foutloos?

Er wordt een homologe DNA-sequentie als matrijs gebruikt.

99
New cards

Welke DNA-matrijs gebruikt HR bij voorkeur?

Een zusterchromatide.

100
New cards

Tijdens welke celcyclusfasen is HR vooral mogelijk?

S- en G2-fase, wanneer een zusterchromatide beschikbaar is.