1/31
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Een menselijke cel bestaat voornamelijk uit:
Bestanddeel | Ongeveer | Wat? |
|---|---|---|
Water | 70% | Belangrijk oplosmiddel in de cel |
Macromoleculen | 26% | Grote organische moleculen |
Ionen + kleine moleculen | 4% | Kleine stoffen die o.a. nodig zijn voor reacties |
De macromoleculen bevatten vooral de elementen:
C = koolstof
H = waterstof
O = zuurstof
N = stikstof
De 4 categorieën macromoleculen
Proteïnen/eiwitten → 58%
belangrijkste biomoleculen
bestaan uit aminozuren
Nucleïnezuren → 27%
DNA en RNA
bestaan uit nucleotiden
Polysachariden/koolhydraten → 8%
bijvoorbeeld zetmeel
opgebouwd uit suikers
Lipiden/vetten → 7%
bijvoorbeeld vetten en fosfolipiden
⚠ Belangrijk: de percentages slaan op de verdeling van de macromoleculen, niet op de volledige cel.
2. Wat zijn monomeren en polymeren?
Een monomeer = één kleine bouwsteen.
Een polymeer = een grote molecule die uit veel bouwstenen bestaat.
Denk aan:
monomeer + monomeer + monomeer → polymeer
Bijvoorbeeld:
aminozuur + aminozuur + aminozuur → eiwit
Polymerisatie door condensatie
Bij condensatie worden monomeren aan elkaar gekoppeld en wordt H₂O afgesplitst.
Bijvoorbeeld vereenvoudigd:
monomeer + monomeer → groter molecuul + H₂O
Daarbij ontstaat een covalente binding tussen de monomeren.
. Hydrolyse
Bij hydrolyse gebeurt ongeveer het omgekeerde.
Je hebt een groot molecuul en voegt H₂O toe.
Daardoor wordt de binding verbroken en krijg je kleinere moleculen.
polymeer + H₂O → kleinere moleculen
Bijvoorbeeld:
zetmeel → glucose
Dit gebeurt onder andere tijdens de vertering.
Anabolisme
opbouwende stofwisseling waarbij kleine moleculen worden gebruikt om grotere moleculen te maken. Dit kost energie
Katabolisme
afbrekende stofwisseling waarbij grote moleculen worden afgebroken tot kleinere moleculen, waarbij energie vrijkomt.
Glycolyse
De glycolyse is een voorbeeld van katabolisme.
Daarbij wordt:
glucose → pyruvaat
Glucose is een relatief grote molecule en wordt afgebroken.
Tijdens dit proces komt energie vrij.
n daarbij gevormd:
2 ATP
2 NADH
ATP en NADH zijn energierijke stoffen/energiedragers.
Energiekoppeling
Als katabolisme energie vrijmaakt, kan die energie gebruikt worden voor anabolisme.
Dus:
Katabolisme
→ energie komt vrij
⬇
energiedragers
→ nemen energie op / geven energie af
⬇
Anabolisme
→ gebruikt energie om moleculen op te bouwen
Dit noemen we energiekoppeling.
Voorbeeld
Je eet voedsel.
Voedingsstoffen → afbraak → energie
Die energie kan vervolgens worden gebruikt om bijvoorbeeld:
aminozuren → eiwitten
te maken.
Wat zijn chemische energiedragers?
Dit zijn kleine moleculen die energie kunnen opnemen en later weer afstaan.
Een belangrijk voorbeeld is:
ATP
ATP kan energie leveren voor processen in de cel.
Je kunt ATP zien als een soort kleine energie-eenheid die de cel gemakkelijk kan gebruiken.
Ook NADH is een belangrijke energierijke molecule.
Wat is metabolisme?
Het geheel van alle biochemische processen die in een organisme plaatsvinden.
metabolisme omvat alle chemische reacties waarmee het organisme energie en bouwstoffen verkrijgt en gebruikt en zijn eigen bestanddelen opbouwt en afbreekt.
Metabolisme bij de mens
Dat voedsel bevat biomoleculen zoals:
koolhydraten + eiwitten + vetten
Deze worden afgebroken.
Bijvoorbeeld:
koolhydraten → glucose
De afbraak levert:
energie
bouwstenen
De bouwstenen kunnen daarna opnieuw gebruikt worden om lichaamseigen biomoleculen te maken.
Metabolisme bij planten
Planten kunnen hun organische stoffen zelf opbouwen met behulp van fotosynthese.
Daarbij gebruiken ze onder andere:
zonlicht
CO₂
water
om organische stoffen te produceren.
Heel vereenvoudigd:
CO₂ + H₂O + lichtenergie → glucose + O₂
Kankercellen
Kankercellen kunnen sterk afhankelijk zijn van glycolyse voor hun energieproductie, zelfs wanneer zuurstof beschikbaar is.
Dus ze gebruiken relatief veel:
glucose → glycolyse → pyruvaat + ATP
Dit wordt vaak het Warburg-effect genoemd.
Waarom hebben we enzymen nodig?
Je lichaam is ongeveer 37 °C.
Bij zo'n relatief lage temperatuur zouden veel chemische reacties te traag verlopen om het leven mogelijk te maken.
Daarom heeft het lichaam enzymen nodig.
Een enzym is een biologische katalysator.
Enzymen zorgen ervoor dat chemische reacties veel sneller kunnen verlopen, zonder zelf opgebruikt te worden.
Voorbeeld: amylase
Wanneer je brood eet, zit daarin onder andere zetmeel.
Het enzym amylase helpt bij de afbraak van zetmeel:
zetmeel → kleinere suikers → glucose
Amylase komt bijvoorbeeld voor in speeksel
Hemoglobine
→ eiwit
→ transporteert zuurstof (O₂) in het bloed
Energiedragers
Energiedragers zijn moleculen die energie in de cel kunnen opnemen en afgeven.
De twee belangrijkste hier zijn:
ATP
NADH
ATP
ATP = adenosinetrifosfaat
ATP heeft 3 fosfaatgroepen.
Je kunt ATP zien als een soort opgeladen energiedrager.
Wanneer de cel energie nodig heeft:
ATP + H₂O → ADP + Pi + energie
waarbij:
ATP = adenosinetrifosfaat
ADP = adenosinedifosfaat
Pi = losse fosfaatgroep
Een fosfaatgroep wordt dus afgesplitst.
Wat gebeurt er?
ATP → ADP + fosfaat + energie
ATP is relatief energierijk. Bij hydrolyse wordt ATP omgezet in het minder energierijke ADP en komt energie beschikbaar.
Hoe wordt ADP weer ATP?
Daarvoor is energie nodig.
Die energie kan bijvoorbeeld afkomstig zijn van de afbraak van voedingsstoffen.
Dus:
ADP + Pi + energie → ATP
Daarna kan ATP opnieuw worden gehydrolyseerd.
Je krijgt dus een ATP/ADP-cyclus:
voedselafbraak → energie → ADP → ATP
en vervolgens:
ATP → ADP + energie → cel gebruikt energie
NADH
NADH is ook een energiedrager, maar werkt een beetje anders dan ATP.
NADH kan vooral elektronen dragen.
De twee vormen zijn:
NAD⁺ ↔ NADH
NADH geeft elektronen af
Wanneer NADH elektronen afgeeft:
NADH → NAD⁺ + elektronen
NADH wordt daarbij geoxideerd.
Bij deze overdracht kan energie beschikbaar komen.
NAD⁺ neemt elektronen op
Omgekeerd:
NAD⁺ → NADH
NAD⁺ neemt elektronen op en wordt daardoor gereduceerd.
Hiervoor is energie nodig.
Belangrijk:
Oxidatie = elektronen afstaan
Reductie = elektronen opnemen
Een handige geheugenregel:
OIL RIG
Oxidation Is Loss
Reduction Is Gain
Dus:
NADH → NAD⁺ = oxidatie
NAD⁺ → NADH = reductie
Proteïnen
Proteïnen zijn opgebouwd uit aminozuren.
Er zijn ongeveer 20 verschillende aminozuren.
Een eiwit kan uit heel veel aminozuren bestaan.
De volgorde waarin de aminozuren voorkomen, bepaalt uiteindelijk hoe het eiwit zich gaat opvouwen en dus welke functie het krijgt.
6. Structuur van een aminozuur
Een aminozuur heeft vier belangrijke onderdelen:
1. Aminogroep
–NH₂
2. Carboxylgroep
–COOH
3. Waterstof
–H
4. Restgroep
–R
De R-groep is het belangrijkste verschil tussen de verschillende aminozuren.
Dus:
Alle aminozuren hebben dezelfde basisstructuur, maar verschillen in hun R-groep.
Primaire structuur
De primaire structuur is simpelweg:
De exacte volgorde van aminozuren in een polypeptideketen.
Bijvoorbeeld:
Ala – Gly – Lys – Ser – Glu – ...
De volgorde is belangrijk omdat die bepaalt hoe het eiwit uiteindelijk gaat plooien.
Secundaire structuur
De polypeptideketen begint zich lokaal te plooien.
Dit gebeurt door onder andere waterstofbruggen (H-bruggen).
Er zijn twee belangrijke vormen.
α-helix
De polypeptideketen vormt een soort spiraal.
De H-bruggen ontstaan binnen dezelfde polypeptideketen.
🌀 Denk aan een veer.
β-plaat
De polypeptideketen vormt een soort gevouwen plaat.
Er ontstaan H-bruggen tussen delen van de polypeptideketen.
📄 Denk aan een gevouwen papier.
🧠 Onthouden:
α-helix = spiraal
β-plaat = plaat
9. Tertiaire structuur
u gaat de volledige polypeptideketen zich verder driedimensionaal opvouwen.
Hierbij spelen de eigenschappen van de R-groepen een belangrijke rol.
Sommige aminozuren zijn:
Polair
→ houden van water
→ hydrofiel
Apolair
→ houden niet van water
→ hydrofoob
Omdat de eiwitvouwing plaatsvindt in een waterig milieu, zullen apolaire groepen meestal meer naar binnen zitten.
Polaire groepen zitten vaker aan de buitenkant, waar ze contact kunnen hebben met water.
Heel belangrijk:
hydrofoob → naar binnen
hydrofiel → naar buiten
Dit helpt het eiwit zijn specifieke 3D-vorm te krijgen.
Quaternaire structuur
Niet elk eiwit heeft een quaternaire structuur.
Die ontstaat wanneer een eiwit bestaat uit twee of meer polypeptideketens.
Elke afzonderlijke keten noemen we een subeenheid.
Dus:
2+ polypeptideketens → quaternaire structuur
Een bekend voorbeeld is hemoglobine, dat uit meerdere subeenheden bestaat.
Conformatie
De uiteindelijke 3D-vorm van een eiwit noemen we de conformatie.
En dit is heel belangrijk:
De conformatie van een eiwit bepaalt zijn functie.
Waarom?
Omdat de vorm bepaalt waarmee het eiwit kan binden.
Een eiwit met een bepaalde vorm kan bijvoorbeeld een bepaald molecuul herkennen, terwijl een ander molecuul niet past.
Enzymwerking
enzymen zijn proteïnen die als biologische katalysatoren werken.
Een enzym heeft een speciaal gebied:
Actief centrum
Dat is de plaats waar het substraat aan het enzym bindt.
Het substraat = de stof waarop het enzym werkt.
Bijvoorbeeld:
amylase + zetmeel → afbraakproducten
Zetmeel = substraat.
Waarom is een enzym specifiek?
Omdat het actieve centrum een bepaalde 3D-vorm heeft.
Alleen een passend substraat kan goed binden.
Je kunt het vergelijken met:
🔑 enzym = slot
🗝 substraat = sleutel
Als de sleutel niet past:
→ geen goede binding
→ geen enzym-substraatcomplex
→ geen reactie
Enzym-substraatcomplex
Wanneer het substraat aan het actieve centrum bindt, ontstaat:
enzym + substraat → enzym-substraatcomplex
Daarna vindt de reactie plaats.
Vereenvoudigd:
E + S → ES → E + producte
Induced fit
Het is niet altijd zo dat het enzym en substraat vanaf het begin perfect in elkaar passen.
Wanneer het substraat bindt, kan het enzym een beetje van vorm veranderen.
Dit noemen we:
Induced fit / substraat-geïnduceerde pasvorm
dus:
substraat komt bij enzym
↓
substraat bindt gedeeltelijk
↓
enzym verandert lichtjes van vorm
↓
actief centrum past beter
↓
reactie kan plaatsvinden