1/338
Looks like no tags are added yet.
onderweg
en route
de verplaatsing
le déplacement
zakenreis
le voyage d’affaires
waar
où
dichtbij
proche
ver
loin
in het buitenland
à l’entranger
een (buur) land
un pays (voisin)
een stad
une ville
de taal
le langage, la langue
een taal vlot kunnen spreken
savoir parler couramment une langue
goede contacten hebben
avoir de bons contacts
een herkenningspunt
un repère
de weg vinden, zich oriënteren
se repérer, s’orienter
de gps, het navigatiesysteem
le système de navigation
de woonsplaats, de woning
le domicile
bij mij/jou/hem/haar thuis, naar huis
chez moi/toi/lui/elle
(zoals) thuis
(comme) chez soi
verblijven
séjourner
het verblijf (=tijdsduur)(vb een verblijf van een week)
le séjour (ex. un séjour d’une semaine)
het verblijf (=huis, adres) (vb een tweede verblijf)
la résidence (ex une seconde résidence)
een plek, een plaats (vb een toeristische plaats)
un endroit (ex un endroit touristique)
een ruimte, plek, plaats (vb een parkeerplaats, de grote markt)
une place (ex une place pour garer sa voiture, la grand’place)
een plaats (vb een geboorteplaats)
un lieu (ex le lieu de naissance)
een auto
une voiture/auto/(familier)bagnole
elektrisch-hybride-benzine-diesel
électrique-hybride-à essence-diesel (prononciation : « diézèl »)
iemand ergens heen rijden, iemand brengen naar
de snelheid
conduire quelqu’un quelque part
la vitesse
de veiligheidsgordel
la ceinture de sécurité
de airconditioning
la climatisation/la clim
het tankstation
la station-service
de brandstof
le carburant
(vol)tanken, brandstof tanken
faire le plein
(de batterij) opladen (bij elektrische voertuigen)
recharger (la batterie)
de oplaadpaal
la borne de recharge
het verkeer (druk/doorstromend verkeer)
la circulation (dense, fluide)
het verkeer
le trafic
een verkeersopstopping, een knelpunt, een file
un bouchon, un embouteillage, une file
langzaam rijdend verkeer
un ralentissement
het vliegtuig nemen/de trein/de bus/een taxi/de boot/de ferry/de pendeldienst
prendre l'avion/le train/le bus/un taxi/le bateau/ le ferry/la navette
inchecken
s’enregistrer
opstijgen
décoller
landen
atterrir
het uurverschil
le décalage horaire
tijd hebben
avoir le temps
zich haasten
se presser, se hâter
gehaast zijn
être pressé
zijn aansluiting missen (trein, vliegtuig)
rater sa correspondance (le train, l'avion)
op tijd
à l'heure
te laat
en retard
vertraging hebben
avoir du retard
de vertraging
le retard (¹ le délai)
stipt
ponctuel, ponctuelle
iemand verwittigen, iem. van iets op de hoogte brengen
prévenir/avertir qqn de qqc
de nationale feestdag
la fête nationale
de feestdag
le jour férié
werkdag
le jour ouvrable
In het Nederlands: geen lidwoord voor de naam van landen, noch voor de naam van steden
En français: tous les noms de pays sont précédés d’un article :“le” ou “la” ou “les”
les villes: sans article, comme en néerlandais ex. Tokyo, Londres
situeren, de ligging aangeven
gelegen zijn
situer géographiquement
se situer
Duitsland
l'Allemagne (fém)
Oostenrijk
l'Autriche (fém)
Engeland
l’Angleterre (fém)
Nederland
les Pays-Bas (masc. pluriel)
Denemarken
le Danemark
Verenigd Koninkrijk
le Royaume-Uni
Polen
la Pologne
Griekenland
la Grèce
Zweden
la Suède
Noorwegen
la Norvège
Zwitserland
la Suisse
de Europese Unie (EU)
l'Union Européenne (UE) (fém., 2 majuscules <nom officiel)
Europees (een Europese wet)
(bijv.nw -> hoofdletter in het Nederlands!)
européen, européenne (une loi européenne)
(adjectif de nationalité->minuscule!)
de Verenigde Staten
les États-Unis ( masc. pluriel)
India
l'Inde (fém)
China
la Chine
Brazilië
le Brésil
Japan
le Japon
Saoudi-Arabië
l'Arabie Saoudite (fém)
de moslim/moslima
le musulman/la musulmane
de Rijn
le Rhin (neusklank!)
de Maas
la Meuse
de Schelde
l'Escaut (masc)
het Kanaal (in de Noordzee = de drukst bevaren plek ter wereld)
la Manche
Henegouwen
le °Hainaut
de provincie
la province
de Provence (streek in Zuid-Frankrijk)
la Provence (région dans le Midi de la France)
vluchteling(e)
un réfugié, une réfugiée
een migrant, een inwijkeling
un migrant/immigré/immigrant
iemand met een buitenlandse achtergrond
quelqu’un d’origine étrangère
een expat
un expatrié
de ontmoeting
la rencontre
het onthaal
l'accueil (masc.)
de receptie (vb van een hotel)
la réception (ex. d’un hôtel)
welkom
bienvenue!
iemand onthalen
accueillir qqn
iem. ontvangen
recevoir qqn
begroeten
saluer
(elkaar) de hand schudden
(se) serrer la main
aangenaam!
enchanté!
aangename kennismaking
heureux (heureuse) de faire votre connaissance
het is me een genoegen
ravi de faire votre connaissance