MOD1 HC6

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/41

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 6:40 AM on 10/5/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

42 Terms

1
New cards

humorale immuniteit

dankzij b cellen want maken antilichamen

2
New cards

plasmacel

uiteindelijke ontwikkeling b cel maakt veel antilichamen geen oppervlakte immunoglobuline of MHC 2 kunnen niet meer groeien, somatische hypermutatie doen of isotype veranderen (alleen naieve b cellen)

3
New cards

naieve b cel

heeft BCR en MHC 2 na herkenning antigeen geactiveerd -> plasmacel

4
New cards

structuur Ig

y vorm 2 identieke zware, 2 identieke lichte ketens verbonden met disulfidebindingen 2 Fab-fragmenten: aan antigeen, neutraliseert antigeen 1 Fc-fragment (achterkant): bindt aan Fc receptor immuuncellen en complementsysteem

5
New cards

constante regios

bepalen welke effectorfuncties antilichaam kan doen want daar kunnen cellen en complement aan binden

6
New cards

isotypen

Ig GAMED

7
New cards

IgM

pentameer

8
New cards

IgA

dimeer neutralisatie

9
New cards

IgG

neutralisatie IgG1, IgG2, IgG3, IgG4 verschillende capaciteiten voor neutralisatie, opsoisatie, complementactivatie, activatie Fc-receptoren

10
New cards

isotype switching

class switch recombination zware keten verandert -> effectorfunctie welke isotype afh van cytokinen in omgeving

11
New cards

neutralisatie

antilichaam bindt pathogeen/toxine -> kan niet meer op receptor lichaamscel -> opgeruimd door fagocyten vooral IgG en IgA

12
New cards

opsonisatie

pathogeen bedekt met antilichaam Fc-receptoren op fagocyten binden -> fagocytose

13
New cards

complementsysteem activeren

door IgM en IgG C1q bindt Fc van antilichaam -> complementcascade ->complement bindt pathogeen -> fagocyten met complementreceptoren fagocyteren

14
New cards

hoeveel antilichamen nodig voor complementcascade

IgG: minimaal 2 dicht bij elkaar IgM-pentameer: 1

15
New cards

gevolg complement cascade

  • rekrutering ontstekingscellen
  • opsonisatie -> fagocytose
  • perforatie celmembraan pathogeen
16
New cards

op welke cellen Fc receptoren

macrofagen neutrofielen eosinofielen NK mest B-cel

17
New cards

als Fc receptor aan Fc bindt

activerend of remmend signaal

18
New cards

FcεRI-receptor

hoge affiniteit voor IgE op mestcellen allergiën

19
New cards

FcγRIII-receptor

ook wel CD16 op NK cel

20
New cards

antibody dependent cellular cytotoxity ADCC

antilichaam op antigeen op doelcel NK herkent Fc mbv FcγRIII (CD16) crosslinken Fc-receptoren-> NK cel actief -> induceert apoptose op doelcel

21
New cards
hoe worden mestcellen geactiveerd
FcεRI-receptor bindt sterk aan IgE
-> meerder aan 1 antigeen
-> FcεRI-receptor gecrosslinkt
-> degranulatie -> histamine en ontstekingsmediatoren
22
New cards
waar is IgG
bloed en kan naar extravasculair
23
New cards
waar is monomeer IgA
bloed en kan naar extravasculair
24
New cards
waar is dimeer IgA
epitheel
bescherming mucus bv luchtwegen en maag-darm
25
New cards
waar is IgM
pentameer -> groot dus vooral in bloed
26
New cards
waar is IgE
heel klein beetje in serum, vooral aan FcεRI-receptor gebonden
27
New cards
placenta
IgG kan door placenta heen
IgM kan niet door placenta (groot) -> anti A en anti B antistoffen zijn vooral IgM
28
New cards
na geboorte
veel maternale IgG, wordt minder in maanden na geboorte
snel eigen IgM
langzaam eigen IgG (dus in eerste maanden weinig IgG)
29
New cards
borstvoeding
dimeer IgA krijgen
30
New cards
epitopen
delen antigeen die herkend kunnen worden
31
New cards
poliklonale antilichaamrespons
antilichamen van verschillende B-cel-typen die ieder eigen epitoop van hetzelfde antigeen herkennen
32
New cards
polyklonale antilichamen therapeutisch
antistoffen van dieren isoleren en bij mensen toedienen
33
New cards
monoklonale antilichamen
van 1 type b cel
allemaal zelfde antigeenspecificiteit
34
New cards
hybridoma techniek
monoklonale antilichamen maken
B cellen van immuun dier fuseren met myeloom
->hybridomacellen maken antistoffen en vermeerderen snel
-> dan juiste hybridoma selecteren met juiste antilichaam
-> klonen
35
New cards
diagnostiek
monoklonale antilichamen kunnen specifieke moleculen aanwijzen
36
New cards
flowcytometrie
cellen met gelabelde antilichamen aangekleurd -> identificeren celtype of type eiwit
37
New cards
monoklonaal antilichaam en tumor
ADCC door NK stimuleren
complement systeem activeren
intracellulair signaal voor groeiremming/apoptose
radioactieve component gericht naar tumorcel brengen
38
New cards
anti drug antibodies
als antilichamen van dieren als lichaamsvreemd worden ervaren en aangevallen worden -> minder effectieve therapie
39
New cards
hoe humaan antilichaam
muizenantilichaam
chemere antilichaam
gehumaniseerde antilichaam
volledig humaan antilichaam
heo groter deel van antilichaam humaan, hoe kleiner de kans dat het als lichaamsvreemd wordt gezien
40
New cards
RA (reuma)
antilichamen op ontstekingsbevorderende cytokinen en signaalroutes
41
New cards
CAR-T-celtherapie
T cellen pt gemodificeerd zodat ze CAR tot expressie brengen
42
New cards
CAR
chimeric antigeen receptor
antigeenherkennende deel vanuit variabele domeinen monoklonaal antilichaam aan eigen constante deel T cel