1/318
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Periode van pre en protohistorie
Wetenschap die menselijke gedrag van deze periode bestudeer en Periode zonder geschreven bronnen
Driedeling
Het evolueren van technologie (steen, brons, ijzer)
typologische methode
Typologie (oftewel typochronologie of typologische methode) is het indelen van archeologische vondsten op basis van fysieke kenmerken
Cultuurhistorische benadering
Legt een archeologisch verband tussen artefacten binnen een periode, gebied stijl, stammen en of periodes. DOEL? Het verklaren van archeologische culturen en het verklaren van onderlinge relaties. (Diffusie, invasie en migratie) = cultuurhistorische benadering.
New archeaology
Reconstrueren en verklaren van processen via wetmatigheden. Culturen ≠ enkel materiële cultuur. Een groot complex systeem van soc, ideologisch, eco, tech, ...Gebruik van beschrijving om te verklaren. Nood aan tools: middle range research
Middle range research
Het linken van menselijk gedrag in het heden met artefacten uit het verleden
Post-processuele archeologie
Wetmatigheden bestaan niet.Het individu bepaalt de materiële cult. Belang v/d context v/h voorwerp waarbij interpretatie een grote invloed heeft. 100procent objectief zijn is niet mogelijk.
Etnoarcheologie
Bestudeert ruimtelijke contacten in relatie met sporen
tafonomie
Het proces van een artefact vanaf het moment dat het in de grond zit tot dat het wordt opgegraven.
Abris-sous roche
Overhangende terrassen en rotsen die gebruikt worden als woonplaats. Worden door verschillende generaties bewoond en hebben een sterke stratigrafie. Kaklrijkrijk milieu = goede bewaring
openluchtnederzetting
Site in een niet afgesloten context. Vaak aangetaste sporen. Houten constructie gebouwd door de mens. Zichtbaar door resten van paalkuilen
Alluviale site
Gevonden in de afzetting van een rivier. (Water = noodzakelijk voor de mens; grote verzameling aan sites). Vaak niet in situ: verplaatst door het water
Eolische sediment
Afgezet door de wind. Stratigrafie goed zichtbaar. Ideaal = heuvelruggen
Organische sediment
Verlanding van meren, ideaal voor reconstructie van het milieu
Antropologisch sediment
Afval dat achterblijft door sedentarisatie
afvalhopen
Vanaf neolithicum aanwezig op elke site. Geeft info over bewoners, voedselresten, leefomstandigheden,...
begraafplaatsen
Vaak best bewaarde deel van de site. Quasi enige bron van laat-neolithicum. Intentionele begraving in de grond.
Monumentale structuren
Megalithisme: meeste in W-EU
Lithisch materiaal
Primaire bronsbestand voor de steentijd (rest is niet bewaard). Gemaakt via een reductie proces. Veel afval (belang van productie locatie)
Reductie proces
1. Grondstof verwerving (vooral vuursteen) 2. Selectie (vorm, volume en kwaliteit) 3. Debitage (scherven afslaan van oorspronkelijke steen = afslagsysteem, kling-reductiesysteem) 4.werktuigproductie 5. Gebruik 6. afdanking (remontage of refitting)
remontage of refitting
Afslagen in juiste sequentie terug puzzelen
Grondstofverwerving
Voornamelijk vuursteen: kunnen makkelijker in primaire context worden gevonden zoals in krijtlagen maar ook binnen een alluviale context. = petrografisch onderzoek
Selectie grondstoffen
Op basis van vorm volume en kwaliteit
debitage
Afhalen van scherven van de oorspronkelijke grondstof op basis van directe of indirecte slagen of een druktechniek. Wat overblijft = kern
Debitage-systeem
Afslagdebitage = kleine debitage doormiddel van 1knol te bewerken tot 1 werktuig. Kling-afslagtechniek = stenen met 2 parallelle boorden (klingen) die worden afgeslagen van de kern als werktuig. Kern blijft over en kan ook bewerkt worden.
Artefacten uit been en gewei
Minder sterk van lithisch materiaal , apart bewerkingsproces (vb harpoen, naalden, ...)
ceramiek
Vanaf neolithicum. Interessante vorm, techniek, gebruik van zuurstof, ... + residu analyse
palynologie
Via resten van stuifmeelkorrels leren over de gewassen en het milieu
Archeozoologie
Onderzoek naar de dieren: info over dieet, slachtpatronen, microfauna isotopen analyse), ...
anthracologie
Houtsoorten bepalen
stratigrafie
Aarde korst is opgebouwd uit lagen (strata), de oudste lagen zijn het diepst. In principe zijn voorwerpen van deze laag van dezelfde leeftijd. Problemen: erosie en bodemvorming
seriatie
Analyse van vormen, technologie, versieringen, ... aangezien deze constant in veranderen zijn.
Dendrochronologie
Datering aan de hand van boomjaarringen
C14 methode
Opmeten van C14 deeltjes in organisch materiaal.
pleistoceen
2,400,000-10,000 BP (ijstijden en tussenijstijden)
holoceen
10,000 BP-nu = na laatste ijstijd
Ijstijd van het pleistoceen
Meer ijskappen (tot in NL), minder water in de oceanen, dalende biodiversiteit (bos => toendra), deposities van zand
Tussentijden pleistoceen
Groeiende biodiversiteit en bodemvorming, meer los water en hogere temperaturen
Saale ijstijd
(Pleistoceen) Ijstijd (230-130k BP): N-ijskap komt tot in NL en de Vla vallei ontstaat
Eemiaan
(Pleistoceen) Tussenijstijd (130k-115 k BP): verschillende vegetaties (geen beuk, wel haagbeuk en taxus), water vloeit in Vlaamse vallei (ideaal voor neanderthaler nederzettingen)
Weichseliaan
(Pleistoceen) Laatste ijstijd (115-10k BP): Vla = toendra, steppes en poolwoestijnen. Ijskappen tot in Denemarken. Veel wind en los sediment zoals zand en klei Loess. Vult Vlaamse vallei met zand
laatglaciaal
Ook wel finaalglaciaal genoemd (15-10k BP) stijgende temperatuur met afwisselende koude en warme periodes. Zorgt voor groeiende biodiversiteit en verschillende soorten komen voor het eerst met elkaar in contact.
Isotopen analyse
Het opmeten van zeebodems en ijskernen naar zuurstof isotopen zoals O18 en O16. Dit geeft een beeld van de temperatuur van het water dus ook het klimaat.
Preboreaal
(pre-Holoceen) (10,000-9000 BP) groeiende bebossing: Berk en Den. Klimaat is vergelijkend met nu: droog
Boreaal
(pre-Holoceen) (9000-7500 BP) Bebossing: eik, berk opkomende hazelaar (door hazelnoten die handmatig worden verplaatst door mesolithische mensen)
atlantium
(pre-Holoceen) (7500-5000 BP) groeiende eikenbossen (linde, eik en den) relatief vochtig. Door het smelten van de poolkappen ontstaat het kanaal tussen Engeland en EU
subboreaal
(laat-Holoceen) (5000-2500 BP) intrede van de beuk (# den en linde daalt) warmer en droger klimaat ivm nu. Ontstaan van heide door intensief gebruik van hout door de mens.
Subatlanticum
(laat-Holoceen) (2500-nu) beuk en hagenbeuk + cultuurgewassen en gebruik va overstromingsrivieren door de mens. Kouder en vochtiger klimaat. Door ontbossing veel zandverstuiving en zandsediment.
Quercus
Eik
tilia
linde
fagus
Beuk
Oldowiaan
(Vroeg-paleolithicum) (2,6-1,7mil BP) periode waarin eerste homo's zijn gevonden in Tanzania. Hier worden de oudste artefacten terug gevonden van homo habilis. Deze regio was ideaal door de oppervlakkige vulkanische stenen die te vinden waren. Het dieet van deze vroege mensen bestond uit Flora (knollen) & fauna (eieren, slakken, termieten, ...) maar waren ook aaseters (nog geen jagers). Deze eenvoudige organisaties verzamelden voedsel, kadavers ... naar centrale locaties = Bivak (typisch voor de mens).
Chopper
Aan 1 zijde bewerkte werktuigen. Geen vast ontwerp stompe hoeken van 90 graden
Chopping tool
Aan 2 zijden bewerkte werktuigen
polyelders
Veelzijdig bewerkte werktuigen
Affar vlakte
oudste artefacten (= 2,5mil BP) gevonden in Ethiopië
Achereleaan
(Vroeg-paleolithicum) Gebruik van houtskool en dus ook vuur. Om vuur te maken is er nood an organisatie en onderhoud. Gebruikt voor wapens, koken werktuigen verbetering via verbranding. Noordelijke gebieden worden verkend door Homo Erectus
Vuistbijlen
Typisch voor achereleaan: 1ste bijlen 1,5mil BP; evolutie van de choppingtools => vormen symmetrie, 2 vlakkig en scherpe rand. Is multifunctioneel en vervangt andere werktuigen zoals noordschrabbers of choppingtools. (Artefact: Bournemouth)
Vroeg-paleolithicum in EU
1ste industrieën & acheuleaan
1ste industrieën
Ten vroegste gedateerd in W-EU rond 500k BP
Out of Africa I
1,8mil BP: H. Erectus verlaat Afrika
Acheuleaan
(500k-300k BP) goed gedocumenteerd door erosie processen tijdens opeenvolgende ijstijden. Ontstaan van eerste industrieën in W-EU (site: Tautavel: L'arago grot), (Site: Grotte de Sprimont) (Site: Torralaba)
Technologie en industrie (Acheuleaan)
Een meer verfijnde afslagstijl gericht op de vervaardiging van meestal massieve werktuigen die aan beide zijden bewerkt zijn. Het Clactoniaan kenmerkt zich door korte maar massieve (vaak aangepunte of getande) afslagen, vaak verkregen door directe percussie op een aambeeld (rots). (Site: Boxgrove)
Bewoning (Acheuleaan)
Ze kunnen opgedeeld worden in twee grote klassen: de openluchtsites en de beschutte sites. Doordat ze vaak gevonden worden in fluviatiele contexten is er twijfel over de reconstructie.
Overlevingsstrategie (Acheuleaan)
De eerste Europeanen leefden waarschijnlijk in zekere mate van de jacht, vermoedelijk jacht op niet te groot wild, mogelijk ook op zieke, jonge of oude dieren. Heel waarschijnlijk was hij ook nog deels een aaseter.
Begraving (Acheuleaan)
Echte graven zijn er voorlopig niet gekend uit het VroegPaleolithicum. Merkwaardig is echter het voorkomen op sommige sites van menselijke beenderresten met duidelijke snijsporen en intentionele breuken na de dood opgelopen.
Midden-paleolithicum
Mousteriaan
Mousteriaan
(400k-30k BP)
Technologie en industrie (Mousteriaan)
Het Mousteriaan kenmerkt zich door een algemene overschakeling van de kerntechniek (vuistbijlen) op de afslagtechniek (bijv. de Levalloistechniek).
Begraving (Mousteriaan)
Weinig sporen van een duidelijke ruimtelijke organisatie of functionele specialisatie. Onmiskenbare resten van bovengrondse structuren zoals hutten en/of tenten zijn er nauwelijks. Bovendien bestaat er nog steeds veel discussie over de betrouwbaarheid en interpretatie van deze sporen.
Sociale structuren (Mousteriaan)
De jacht op vrij groot wild veronderstelt een zekere sociale organisatie in groepen van de Neanderthaler. Reconstructies stellen groepen van een 30-tal (of minder) individuen voor.
Overlevingsstrategie (Mousteriaan)
De midden-paleolithische mens was beslist een goed jager, al viel hij vermoedelijk ook nog deels terug op krengen (aaseter). Visvangst speelde ook een rol, maar dan vooral op sites gelegen langsheen open water.
Begravingen (Mousteriaan)
De Neanderthaler is de eerste in Europa die zijn doden zal begraven. Dit is zowat de enige spirituele bekommernis die archeologisch relatief eenvoudig kan worden nagegaan. Grotten met een opvallende ligging in het landschap kunnen over verschillende duizenden jaren gebruikt zijn als rustplaats voor de doden, waarbij de doden in verschillende discontinue fasen zijn bijgezet. Op verschillende schedels van Neanderthalers zijn snij-, breuk- en brandsporen aangetroffen. Volgens sommigen verwijzen ze naar kannibalisme bij de Neanderthalers, volgens anderen eerder naar een begrafenisritueel, waarbij ontvlezing een belangrijke rol speelde.
Levallois-reductiesysteem (Mousteriaan)
Met knol enkele symmetrische afslagen produceren. Deze technologie is in vss regio's ontstaan (EU, Azi, Afr,...). Uit deze techno ontstaan 60 tal type werktuigen (spitsen, vuistbijlen, noordschrabbers, ....)
Laat-paleolithicum
( 40k-9,5k BP) Oude fase: Chatalperroniaan, Aurignaciaan, midden fase: Gravettiaan, Solutreaan, Recente fase: Magdaleniaan, Hamburgiaan. De vooruitgangen voor laat-paleolithicum zijn relatief gelijk doorheen de subperiodes.
Sociale structuren (Laat-paleolithicum)
Men neemt aan dat de kerngroep ("band") in die tijd bestond uit maximum 20 tot 30 individuen, zoals blijkt uit de studie van de nederzettingsstructuren. Verschillende groepen, tussen 100 en 500 individuen, vormden vermoedelijk één grotere groep, met preferentiële sociale contacten. Vermoedelijk komen deze grotere groepen samen naar aanleiding van de jacht (ontwikkeling van speerdrijver). (allianatie zou uniformiteit van werktuigen verklaren)
nederzettingen (Laat-paleolithicum)
Vooral grotten (veel vss occupaties), openluchtkampen op: strategische ligging, opgebouwde/tijdelijke constructies (haard), ... Duidelijk een ruimtelijke organisatie en een systematisch afvalverwijdering.
Overlevingsstrategieën (Laat-paleolithicum)
De mens leefde quasi uitsluitend van de jacht, hoewel visvangst, en soms pluk ook wel een rol konden spelen. Jacht op speciefieke dieren (seizoenale migratie) het volgen van bepaalde kuddes.
Begravingen (Laat-paleolithicum)
Vergeleken met het Midden-Paleolithicum worden de riten gevarieerder en complexer; grafgiften komen vaker voor. De meeste graven zijn individuele bijzettingen (oor mobiliteit). Meestal ligt de dode op zijn zij, met opgetrokken knieën, soms zelfs in foetale positie. Anderen liggen dan weer op hun rug. Gebruik van rood oker op de lijken
Rotskunst (Laat-paleolithicum)
In de meeste gevallen worden de figuren op de wanden geschilderd, getekend of gegraveerd (of een combinatie van beide). De afbeeldingen zijn bijzonder divers. Absoluut dominant binnen de rotsschilderingen zijn uiteraard de dierlijke voorstellingen. Maar ook niet-figuratieve afbeeldingen of tekens komen veelvuldig voor. Sommige vorsers denken aan religieuze motieven, waarbij de grotten als tempels moeten worden beschouwd. Nog anderen menen dat de rotskunst als een soort illustratie en geheugensteun fungeerden van verhalen die aan de groep werden verteld en de traditie van de groep verderzetten.
Mobiele kunst (Laat-paleolithicum)
De mobiele kunstvoorwerpen (kleinkunst) wordt vooral gedomineerd door de zgn. Venusbeeldjes. Ze dateren vrijwel allemaal uit de periode tussen 25.000 en 23.000 BP. Mogelijk fungeerden ze als een soort van fertiliteitsbeeldjes in een cultus rond een soort moedergodin. Anderen zien deze beeldjes als zelfportretten, gemaakt door vrouwen. Een reeks voorwerpen werd volledig gesculpteerd in been of steen of geboetseerd in klei. Het betreft meestal kleine dierenbeeldjes. (Artefact: Vogelherd Mamoet, Holenleeuw, paard)
Sierraden en kledij (Laat-paleolithicum)
"Sierraden komen vrij veel voor in het Laat-Paleolithicum. Men kent schelpen, benen amuletten of schijfjes, doorboorde tanden die hetzij als hangers gedragen werden, hetzij op de kledij werden genaaid. De variëteit is zeer groot. Voor de kledij weet men dat ze aan elkaar werden genaaid. Het is niet uitgesloten dat de paleolithische mens tatoeëring en lichaamsbeschildering kende, maar
Andere kunst (Laat-paleolithicum)
Onlangs zijn in de Zuid Duitse grot van Geissenklösterle drie ca. 30.000 jaar oude fluitinstrumenten, behorend tot het Aurignaciaan, opgegraven.
Eerste anatomische moderne mens
45k-35k BP en het is niet de Neanderthaler, start van verovering van de wereld door H.Sapiens (10k BP = overal ter wereld nederzettingen)
Technologie en industrie (Chatalperroniaan 40-35k BP)
De steenindustrie is ontwikkeld uit het Mousteriaan en het Acheuleaan en vertoont dus nog Midden-Paleolithische kenmerken. Nieuwe elementen zijn o.m. schrabbers en stekers op kling en de zgn. Châtelperronspits (spits met convex afgestompte boord). Gidsfossiel voor het Szeletiaan is de bladvormige spits, die bifaciaal vlak geretoucheerd is.
Technologie en industrie (Aurignaciaan 35-29k BP)
Gidsfossielen voor het Aurignaciaan zijn kielschrabbers, boogstekers en "lamelles Dufour". Onder de benen artefacten vermelden we vnl. assegaaien, dit zijn benen spitsen die gemonteerd werden op een houten lans en afgevuurd werden met een speerdrijver.
Bewoning (Aurignaciaan 35-29k BP)
De bewoning bestaat uit enkele ovale tot rechthoekige, ondiepe kuilen, die als woonkuilen worden geïnterpreteerd. Sommige met een merkwaardige vorm (kruis of H-vorm). Op de bodem van deze woonkuilen vindt men gewoonlijk één tot meerdere haarden.
Technologie en industrie (gravettiaan 29-22k BP)
Gidsfossiel is de zgn. Gravettespits, een smalle spits met een nagenoeg recht afgestompte boord. Ook de Font-Robertspits is typisch. Onder de organische werktuigen vermelden we vooral de zgn. "bâtons de commondements", dit zijn lange beenderen of geweien die aan één of beide uiteinden doorboord zijn.
Bewoning (gravettiaan 29-22k BP)
In West-Europa wordt vaker gebruik gemaakt van steen (als onderbouw) en hout (als bovenbouw); in Oost-Europa daarentegen wordt veelvuldig gebruik gemaakt van been en gewei (vnl. van mammoet en rendier). Vermoedelijk hangt dit samen met een verschil in biotoop.
Technologie en industrie (solutreaan 22-17k BP)
"Het Solutreaan wordt gekenmerkt door een zeer fijne en mooie steentechnologie, met zeer vlakke retouches, waarmee o.a. de zgn. laurierbladspitsen werden gemaakt.Kenmerkend zijn ook de eerste benen naalden.
Bewoning (magdaleniaan 17-12k BP)
Nagenoeg elke woonstructuur is opgebouwd uit een gestructureerde haard bestaande uit een stenen vloer of stenen krans. De leefruimte onmiddellijk rond deze haarden is schijnbaar opgedeeld in verschillende activiteitszones, waaronder slaapzones, een of meerdere vuursteenateliers, plaatsen waar de prooi verwerkt is en afvalzones. In OostEuropa ontwikkelt zich een nieuw type van structuur, waarin vooral met mammoetbeenderen wordt gewerkt.
Technologie en industrie (Hamburgiaan 17-12k BP)
"Zowel het Hamburgiaan en het Creswelliaan zijn uitgesproken Noord-Europese tradities.Gidsfossielen zijn voor het Hamburgiaan de Hamburg- en Haveltespits, voor het Creswelliaan de Creswell- en Cheddarspits (= trapezium vorig materiaal).
Bewoning (Finaal-paleolithicum 12-5k BP)
Er sprake van basiskampen en extractiekampen. De eerste zijn locaties waar voltallige families samenwonen om er alle levensnoodzakelijke taken te verrichten. De extractiekampen daarentegen bevinden zich meestal rondom het basiskamp en werden slechts kortstondig en door een kleine groep bewoond. (residentiele en logistieke bewoningen. Residentiële bewoningen zijn redelijk vaste nederzettingen waar vast geleefd wordt. Logistieke kampen zijn tijdelijke kampen waar niet geleefd wordt voor lange periodes.)
Sociale structuren (Finaal-paleolithicum 12-5k BP)
De kern werd gevormd door de kleine familie, maar kenmerkend is toch dat deze kleinere groepen regelmatig in grotere gemeenschappen samenkwamen, tot mogelijkerwijze enkele 100 ind.; ter gelegenheid van deze samenkomsten, waar vermoedelijk ook feesten gehouden werden, wisselde men materiaal en informatie uit, en zocht men vermoedelijk ook partners uit.
Jacht (Finaal-paleolithicum 12-5k BP)
De jacht wordt dus kleinschaliger georganiseerd. In het steeds bosrijker landschap zal de mens ook gebruik maken van andere jachttechnieken, zoals het uitzetten van strikken, vallen enz. Mogelijk werd ook gejaagd met honden.
Zeevangst en pluk (Finaal-paleolithicum 12-5k BP)
Bessen, zaden en vruchten komen op veel sites voor. De belangrijkste directe indicaties zijn de talloze shell middens langsheen de Atlantische kust, waarin naast resten van schaaldieren ook visresten zijn aangetroffen. Indirecte aanduidingen van intensieve visvangst vinden we onder de vorm van vondsten van netten, fuiken, vishaken en visweren. Verder zijn er ook enkele boomstamkano's, die behoren tot Europa's oudste exemplaren.
Graven (Finaal-paleolithicum 12-5k BP)
In het Finaal-Paleolithicum en de vroege fasen van het Mesolithicum lijkt de begraving van de doden nog steeds niet in echte grafvelden te gebeuren. Meestal betreft het individuele bijzettingen. Vanaf het LaatMesolithicum (ca. 6.500 BP) ontstaan echte openluchtgrafvelden. Meestal individueel, vooral op de rug in gestrekte houding, grafriten gering tot matig aanwezig, courant gebruik van oker en weinig sociale differentiatie. Ook honden kregen soms een eigen graf of werden bij een dode begraven.
Klimaat Federmesser (12k-9,5k BP)
Flora: zeer dichte vegetatie waardoor erosie niet mogelijk is en er duinvorming plaats vind, koud met kleine temp vss, berk, wilg, populier, grassen, ... Fauna: # dieren zakt drastisch (gems, bever, ree edelhert, ...
Technologie en industrie Federmesser (12.000 - 9500 BP)
Beiden culturen sluiten nog zeer nauw aan bij het Magdaleniaan en het Hamburgiaan uit de recente fase van het Laat-Paleolithicum. Productie van klingen is nog steeds belangrijk, maar ze zijn minder verzorgt. de pijlbewapening valt vooral het verschijning van een nieuw spitstype op, de spits met één afgestompte boord. Hieruit kan worden afgeleid dat pijl en boog vanaf de Allerød het belangrijkste jachtinstrument geworden was.
Organisatie Federmesser (12.000 - 9500 BP)
"Gedetailleerd ruimtelijk onderzoek heeft uitgewezen dat de grote concentraties vermoedelijk restanten zijn van vroegere woonstructuren waarin rond een zandstenen haard diverse activiteiten werden verricht. De kleinere clusters stemmen eerder overeen met "special activity areas", voorbestemd o.m. voor de productie van de pijlbewapening, debitage-ateliers of dumps. (Site: Rekem - Federmesser)