1/27
Oefenflashcards over theorieën, verklaringsmodellen, diagnostische instrumenten (zoals SSI-4 en KiddyCAT) en de NVLF-richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van stotteren.
Stotteren (definitie Guitar & Peters)
Een stoornis in de flow van de spraak gekarakteriseerd door een abnormaal hoge frequentie en/of duur van onderbrekingen, die zich uiten als herhalingen, verlengingen en blokkades.
Prevalentie van stotteren
Het percentage van de bevolking dat op een specifiek meetmoment stottert; dit bedraagt circa 0,7% tot 1% van de wereldbevolking (Seery & Yairi, 2015).
Incidentie van stotteren
Het percentage van de totale bevolking dat op enig moment in het leven heeft gestotterd; dit wordt geschat op 5% tot 17%.
Natuurlijk herstel
Het spontaan verdwijnen van stotteren zonder therapeutische interventie. Volgens recente studies (Ambrose et al., 2015; Kefalianos et al., 2017) herstelt 65% tot 67% van de kinderen vanzelf.
Geregistreerd logopedist NVLF-register Stotteren
Een logopedist die jaarlijks minimaal 12 uur bijscholing volgt op het gebied van stotteren en minstens 75 uur per jaar personen die stotteren behandelt.
Logopedist-stottertherapeut
Een gespecialiseerde logopedist met een voltooide ESS-opleiding (European Specialization in Fluency Disorders) die jaarlijks minstens 100 uur behandelt, 20 uur bijscholing volgt en 6 uur deelneemt aan een kwaliteitskring.
Normale onvloeiendheden
Spraakonderbrekingen die typisch voorkomen in de normale spraakontwikkeling (≤10 per 100 woorden), zoals interjecties ('uh'), revisies, zinsdeelherhalingen en enkelvoudige ontspannen woordherhalingen.
Borderline stotteren (Grensgeval)
Ontwikkelingsniveau volgens Guitar met meer dan 10 onvloeiendheden per 100 woorden, herhalingen van meer dan 2 eenheden per woord en meer verlengingen/herhalingen dan revisies, waarbij de onderbrekingen nog los en ontspannen zijn.
Beginnend stotteren (Ontwikkelingsniveau Guitar)
Stotterniveau gekenmerkt door een stotterfrequentie boven de 10%, fysieke spanning, een stijgende toonhoogte aan het eind van herhalingen, vaste articulatiestanden (blokkades) en eerste ontsnappingsgedragingen of frustratie.

Stuttering Severity Instrument-4 (SSI-4)
Een gestandaardiseerd diagnostisch instrument (Riley, 2009) om de waarneembare ernst van stotteren vast te stellen op basis van stotterpercentage (%SS), de gemiddelde duur van de drie langste stotters en fysieke bijbewegingen.

Physical Concomitants (SSI-4)
Vier categorieën secundair gedrag op de SSI-4 gescoord op een schaal van 0 tot 5: storende geluiden (Distracting Sounds), gelaatsuitdrukkingen (Facial Grimaces), hoofdbewegingen (Head Movements) en bewegingen van de extremiteiten (Movements of the Extremities).

KiddyCAT
Een gestandaardiseerde communicatie-attitudevragenlijst voor kinderen van 3 tot en met 6 jaar bestaande uit 12 ja/nee-vragen, waarmee de spreekattitude ten opzichte van leeftijdsgenoten wordt gemeten.

Natuurlijkheid van spreken (Speech Naturalness)
Een 9-puntsschaal ter beoordeling van de spraakkwaliteit, lopend van 1 (uiterst natuurlijk klinkende spraak) tot 9 (uiterst onnatuurlijk klinkende spraak).

ScreeningsLijst voor Stotteren (SLS)
Een door ouders in te vullen screeningslijst (Riley & Riley) van 6 onderdelen (soorten, reacties, hoeveelheid, kindbeleving, omgevingsreactie, duur); wegens het ontbreken van diverse risicofactoren niet meer opgenomen in de Richtlijn Stotteren 2020.
Zwaarwegende risicofactoren voor blijvend stotteren
De vier primaire indicatoren voor chronisch stotteren uit de richtlijn: het kind is 5 jaar of ouder, blijvend stotteren in de familie (65% kans), mannelijk geslacht (3:1 ratio volwassenen), en het stotteren bestaat minstens een jaar zonder duidelijke verbetering.
Overige risicofactoren voor blijvend stotteren
Secundaire factoren die meewegen bij de beslissing tot behandeling: zwakke fonologische/spraakmotorische vaardigheden, zwakke taalontwikkeling, langdurig bovengemiddelde taalontwikkeling, negatieve reactiviteit (temperament) en bijkomende stoornissen.
Monitoring (Richtlijn Stotteren)
Het systematisch volgen van het natuurlijk herstel bij kinderen jonger dan 4;6 jaar bij wie het stotteren minder dan 6 maanden bestaat, met herhaalonderzoeken bij voorkeur rond 6, 9 en 12 maanden na onset.
Criterium 'Lijden onder het stotteren'
Een directe indicatie om direct met therapie te starten ongeacht de stotterduur; herkenbaar aan controleverlies, frustratie, boosheid, spreekvermijding, fluisteren, stemmetjes opzetten of opmerkingen zoals 'ik weet het niet meer'.

Klinisch Werkmodel Stotteren (Ad Bertens, 1993)
Model waarin stotteren wordt verklaard door een kwetsbare timing van spraakmotorische processen (idee -> woorden -> klanken -> spieren), versterkt door spanning, snelheid en belemmeringen, leidend tot vecht-, vlucht- of bevriesreacties.

Demands and Capacities Model (DCM)
Model van Starkweather (1990) dat stelt dat stotteren optreedt wanneer de communicatieve en omgevingseisen zwaarder zijn dan de fysieke en linguïstische mogelijkheden van het kind op motorisch, linguïstisch, sociaal-emotioneel of cognitief niveau.

Bucketanalogy (Yaruss et al., 2009)
Een metafoor waarbij stotteren ontstaat zodra de emmer overloopt door een opeenstapeling van communicatieve stressoren, interpersoonlijke stressoren en persoonlijke kindfactoren.

Erasmus-viercomponentenmodel (4CM)
Model (Stournaras, 1980; Bezemer & Bouwen) dat stotteren indeelt in vier dynamisch op elkaar inwerkende domeinen: de verbale/verbaalmotorische component, cognitieve component, emotionele component en sociale component.

Iceberg Analogy of Stuttering
Metafoor van Sheehan/Hicks die illustreert dat het hoorbare stotteren slechts het topje boven water is, terwijl het overgrote deel onder water bestaat uit emoties en cognities zoals angst, schaamte, schuld, isolatie en ontkenning.

ICF-model bij stotteren
Classificatiemodel van de WHO waarmee de impact van stotteren integraal wordt beschreven via anatomische eigenschappen/functies (stotters), activiteiten (spreken), participatie (klas/werk) en beïnvloedende externe en persoonlijke factoren.

Praktijkmodel stotteren (Oonk et al., 2022)
Recent praktijkmodel dat het ontstaan (aanleg, hersenontwikkeling, spraaksysteem) en beloop (natuurlijk herstel versus chronische ontwikkeling via een bio-psychosociale cirkel en VAS-schalen voor ernst en last) inzichtelijk maakt voor de spreekkamer.

Levenslijn (Oonk et al., 2022)
Een visuele representatie van het individuele beloop van een persoon die stottert, opgebouwd uit vijf lagen: levensfasen, ontwikkelingsmijlpalen, toevallige gebeurtenissen/externe reacties, genotype/interne reacties en de resulterende stotterernst en stotterlast.

Ouder-kind interactieformulier (RESTART-DCM)
Observatie-instrument om tijdens vrij spel en een gestructureerde taak (puzzelen) zes interactiedomeinen van ouders te beoordelen: vragen, beurtgedrag, reactie op stotteren, taalgedrag, spreektempo en overig gedrag.
Beslisregel risicofactoren (Behandelen vs. Monitoren)
Klinische vuistregel: bij 3 zwaarwegende risicofactoren start behandeling zo snel mogelijk; 1 zwaarwegende factor verkort de monitoring met 3 maanden; 2 overige factoren tellen als 1 zwaarwegende factor.