1/34
Deze flashcards behandelen de belangrijkste begrippen uit de ontwikkelingspsychologie, de acht stadia van Erikson, en de specifieke ontwikkelingen per levensfase van adolescentie tot rijpheid.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Ontwikkelingspsychologie
Bestudeert hoe mensen veranderen en zich ontwikkelen tijdens hun leven binnen drie domeinen: lichamelijke, cognitieve en psychosociale ontwikkeling.
Lichamelijke ontwikkeling
Een domein van ontwikkeling dat betrekking heeft op het uiterlijk en mannelijke/vrouwelijke kenmerken.
Cognitieve ontwikkeling
Een domein van ontwikkeling gericht op het brein en de denkwijze.
Psychosociale ontwikkeling
Een domein van ontwikkeling gericht op het mentale welzijn en de omgeving.
Ontwikkelingsstadium: Baby
De eerste fase gekenmerkt door het conflict tussen vertrouwen vs wantrouwen.
Ontwikkelingsstadium: Peuter
De fase gekenmerkt door zelfstandigheid/autonomie vs schaamte/twijfel.
Ontwikkelingsstadium: Kleuter
De fase gekenmerkt door initiatief vs schuld.
Ontwikkelingsstadium: Lagere schoolkind
De fase gekenmerkt door vlijt/trots vs minderwaardigheid.
Ontwikkelingsstadium: Adolescent
De fase gekenmerkt door identiteit vs identiteitsverwarring.
Ontwikkelingsstadium: Jongvolwassene
De fase gekenmerkt door imiteit vs isolement.
Ontwikkelingsstadium: Volwassene
De fase gekenmerkt door generativiteit vs stagnatie.
Ontwikkelingsstadium: Rijpheid
De laatste fase gekenmerkt door integriteit vs wanhoop.
Adolescentie
Levensfase tussen lagere schoolkind en jongvolwassene, die plaatsvindt tussen de 12 jaar tot ongeveer 18/20 jaar.
Identiteitsvorming vs rol verwarring
De psychosociale ontwikkelingsopgave voor jongeren volgens Erikson.
Abstrakt denken
De verandering in de cognitieve ontwikkeling tijdens de adolescentie waarbij jongeren niet meer alleen concreet denken.
Jongvolwassenheid
De levensfase tussen de 20−30 jaar.
Intimiteit
Het succesvol aangaan van een relatie tijdens de jongvolwassenheid.
Isolement
Het onsuccesvol aangaan van relaties of bindingsangst tijdens de jongvolwassenheid.
Lichamelijke volwassenheid
De vorm van volwassenheid waarbij het lichaam volledig volgroeid is; de hersenen zijn dit pas na 29 jaar.
Maatschappelijke volwassenheid
Volwassenheid gebaseerd op werken en het voldoen aan maatschappelijke verwachtingen.
Juridische volwassenheid
Wettelijke meerderjarigheid, die ingaat vanaf 18 jaar.
Psychologische volwassenheid
Mentale volwassenheid waarbij men verantwoordelijkheden neemt en de hersenen volgroeid zijn.
Prefrontale cortex
Deel van het brein dat rijpt tijdens de jongvolwassenheid en zorgt voor beter plannen, risicoanalyse en emotiecontrole.
Postformeel denken
Een cognitieve ontwikkeling in de jongvolwassenheid waarbij men toekomstgericht denkt en met meer zaken rekening houdt.
Middenvolwassenheid
De levensfase tussen de 30−65 jaar.
Generativiteit
Socio-emotionele ontwikkeling waarbij men zorgt voor anderen en iets bijdraagt aan de volgende generatie.
Stagnatie
Socio-emotionele toestand waarbij men vastzit in zichzelf, geen groei voelt en zich doelloos of nutteloos voelt.
Midlifecrisis
Een periode waarin iemand twijfelt over de manier van leven en verandering wil.
Burn out
Een toestand van overbelasting veroorzaakt door te veel stress.
Bore out
Een toestand van onderprikkeling veroorzaakt door te weinig uitdaging.
Rijpheid
De levensfase vanaf 65+ jaar.
Normale cognitieve ontwikkeling (Rijpheid)
Een normaal proces van het brein waarbij het functioneren intact blijft, maar men bijvoorbeeld afspraken vergeet of info moeilijk onthoudt.
Dementie
Een toestand waarbij het cognitief functioneren uit de hand loopt, zoals het vergeten van personen of het doen van aparte dingen.
Integriteit
Gevoel van blijdschap bij het terugkijken op bereikte resultaten in het leven, resulterend in minder angst om te sterven.
Wanhoop
Gevoel van spijt bij het terugkijken op levenskeuzes en de dingen die men wel of niet heeft gedaan.