HC 3: Inschrijving en gebruiksverplichting

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/249

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 6:38 PM on 10/11/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

250 Terms

1
New cards

Wat betekent een attributief registratiestelsel in het merkenrecht?

Het exclusieve geregistreerde merkrecht wordt in beginsel door inschrijving verkregen; eerste gebruik alleen schept dat recht niet.

2
New cards

Wat is het onderscheid tussen een attributief en een declaratief registratiestelsel?

Attributief: inschrijving is vereist voor het ontstaan van het geregistreerde recht. Declaratief: het recht bestaat al door eerste gebruik en registratie bevestigt het.

3
New cards

Welke bepaling regelt hoe een Beneluxmerkrecht wordt verkregen?

Art. 2.2 BVIE: in beginsel door inschrijving van het merk.

4
New cards

Welke bepaling regelt de verkrijging van een Uniemerk?

Art. 6 UMVo: het Uniemerk wordt verkregen door inschrijving.

5
New cards

Waarom staat voorgebruik ondanks het attributieve stelsel juridisch niet buitenspel?

Voorgebruik kan relevant zijn voor inburgering, beoordeling van kwade trouw, bescherming van algemeen bekende merken en de feitelijke gebruikssituatie.

6
New cards

Welke uitzondering op de hoofdregel van registratie wordt in HC3 besproken?

Het algemeen bekende merk van art. 6bis Verdrag van Parijs (VvP).

7
New cards

Wat is de hoofdregel van art. 2.19 lid 1 BVIE?

Bescherming van een teken als merk kan in rechte in beginsel alleen worden ingeroepen op basis van een ingeschreven gedeponeerd merk, behoudens wettelijke uitzonderingen.

8
New cards

Waarom is een 'algemeen bekend merk' niet zonder meer hetzelfde als een 'bekend merk' in andere inbreukregels?

Art. 6bis VvP ziet hier op bijzondere bescherming van een niet-ingeschreven algemeen bekend merk; een bekend merk kan in andere bepalingen ruimere bescherming wegens reputatie genieten.

9
New cards

Wat is het onderscheid tussen een depot en een inschrijving?

Depot is de aanvraag om merkbescherming; inschrijving is de registratie waardoor het geregistreerde recht ontstaat.

10
New cards

Wat moet de aanvrager bij een merkaanvraag in beginsel vermelden?

Het teken, de aangevraagde merksoort, de identiteit van de aanvrager en de waren of diensten waarvoor bescherming wordt verlangd.

11
New cards

Wat betekent de depotdatum?

De datum van de merkaanvraag, die in beginsel bepalend is voor de rangorde tussen concurrerende aanvragen en het begin van de tienjarige beschermingsduur.

12
New cards

Welk juridisch effect heeft de inschrijvingsdatum?

Op inschrijving berust de verkrijging van het geregistreerde merk; voor normaal gebruik geldt een afzonderlijke relevante registratiedatum voor de eerste vijfjaarstermijn.

13
New cards

Vanaf welk moment werkt een eenmaal ingeschreven Beneluxmerkrecht in beginsel terug?

Volgens de in HC3 genoemde boekstof geldt het recht op een eenmaal ingeschreven merk in beginsel vanaf de indiening van de aanvraag.

14
New cards

Welke datum is uitgangspunt voor de tienjarige geldigheidsduur van een Beneluxregistratie?

De aanvraagdatum, art. 2.9 BVIE.

15
New cards

Waarom mag je de eerste vijfjaarstermijn voor normaal gebruik niet automatisch op de depotdatum laten beginnen?

Omdat volgens de HC3-boekstof de eerste gebruikstermijn aan de toepasselijke relevante inschrijvingsdatum is gekoppeld.

16
New cards

Wie kan volgens HC3 merkhouder zijn?

Onder meer een natuurlijk persoon, rechtspersoon of stichting; ook gezamenlijke rechthebbenden zijn mogelijk.

17
New cards

Waarom is de waren- en dienstenlijst bij een depot essentieel?

Zij bepaalt het gevraagde beschermingsbereik en is later relevant voor oppositie, nietigheid, verval en bewijs van normaal gebruik.

18
New cards

Wat is de praktische betekenis van het specialiteitsbeginsel bij merkregistratie?

Een merk wordt beschermd in relatie tot bepaalde waren en diensten; registratie geeft niet automatisch een monopolie voor elke productcategorie.

19
New cards

Wat is de Nice-classificatie?

Een administratieve indeling van waren en diensten in klassen voor merkenregistraties.

20
New cards

Zijn waren in dezelfde Nice-klasse automatisch juridisch soortgelijk?

Nee. De Nice-classificatie is geen automatische soortgelijkheidstoets.

21
New cards

Kunnen waren uit verschillende Nice-klassen toch juridisch soortgelijk zijn?

Ja. Juridische soortgelijkheid hangt niet uitsluitend van de administratieve klassenindeling af.

22
New cards

Welke bepalingen eisen een duidelijke en nauwkeurige waren- en dienstenomschrijving?

Art. 2.5bis BVIE en art. 33 UMVo.

23
New cards

Wat is de norm voor de formulering van een waren- en dienstenlijst?

De omschrijving moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn zodat derden en instanties het gevraagde beschermingsbereik kunnen vaststellen.

24
New cards

Waarom maakt registratie voor 'kleding' tegenover 'sokken' verschil in een niet-gebruikprocedure?

De omvang van de registratie bepaalt welke waren en mogelijke zelfstandige subcategorieën voor behoud of gedeeltelijk verval moeten worden beoordeeld.

25
New cards

Welke bepaling regelt in het BVIE de merkaanvraag of het depot?

Art. 2.5 BVIE.

26
New cards

Wat betekent internationale voorrang bij merkregistratie?

Onder voorwaarden kan een latere aanvraag voor rangorde teruggrijpen op de datum van een eerdere buitenlandse aanvraag.

27
New cards

Welke bepalingen zijn relevant voor internationaal voorrangsrecht?

Art. 4 Verdrag van Parijs en art. 2.6 BVIE.

28
New cards

Welke termijn geldt in beginsel voor internationale merkvoorrang?

Zes maanden na de eerdere relevante merkaanvraag.

29
New cards

Welke voorwaarden staan centraal bij een beroep op internationale merkvoorrang volgens HC3?

Een eerdere geschikte buitenlandse merkaanvraag, een tijdig later depot voor hetzelfde merk en de betrokken waren, en een beroep volgens de voorgeschreven formaliteiten.

30
New cards

Wat is het verschil tussen internationale voorrang en senioriteit?

Voorrang laat onder voorwaarden een eerdere buitenlandse aanvraagdatum meetellen; senioriteit houdt onder voorwaarden een oudere nationale of Beneluxpositie via een Uniemerk in stand.

31
New cards

Welke instantie beheert de inschrijving van Beneluxmerken?

Het BOIP, ook aangeduid als BBIE, voor Nederland, België en Luxemburg.

32
New cards

Welke instantie beheert Uniemerken?

Het EUIPO voor het gebied van de Europese Unie.

33
New cards

Hoe lang duurt een Benelux- of Uniemerkregistratie in beginsel?

Tien jaar, telkens met tien jaar te vernieuwen.

34
New cards

Wat is volgens de HC3-samenvatting de oppositietermijn voor een Beneluxaanvraag?

Twee maanden vanaf de publicatie van de aanvraag.

35
New cards

Wat is volgens de HC3-samenvatting de oppositietermijn voor een Uniemerkaanvraag?

Drie maanden vanaf de publicatie van de aanvraag.

36
New cards

Wat is het Madridsysteem bij merken?

Een internationale registratieroute voor bescherming in aangewezen landen of gebieden, niet één automatisch wereldwijd merkrecht.

37
New cards

Wat zijn de zes hoofdfasen van een merkinschrijvingsprocedure volgens HC3?

Aanvraag/depot; formele toetsing; absolute toetsing; publicatie; mogelijke oppositie; inschrijving of definitieve weigering.

38
New cards

Wat is het doel van publicatie van een merkaanvraag?

Derden kunnen kennisnemen van de aanvraag en, waar de wet dat toestaat, tijdig oppositie instellen.

39
New cards

Wat kan het BOIP op grond van art. 2.11 BVIE doen?

Een aanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren op absolute gronden.

40
New cards

Wat gebeurt er doorgaans bij een voorgenomen absolute weigering door het BOIP?

De aanvrager krijgt in beginsel de redenen en gelegenheid om te reageren voordat een gemotiveerde definitieve beslissing volgt.

41
New cards

Garandeert formele acceptatie van een aanvraag dat geen oudere merkrechten bestaan?

Nee. Het BOIP verricht niet noodzakelijk een volledige ambtshalve clearance van alle conflicten met oudere rechten.

42
New cards

Wat is de hoofdvraag bij een absolute weigeringsgrond?

Is het teken als zodanig voor de betrokken waren of diensten op grond van het merkenrecht toelaatbaar?

43
New cards

Wat is de hoofdvraag bij een relatieve weigeringsgrond?

Botst de jongere aanvraag met een toepasselijk ouder recht?

44
New cards

Welke bepalingen regelen absolute versus relatieve gronden in het BVIE?

Art. 2.2bis BVIE (absoluut) en art. 2.2ter BVIE (relatief).

45
New cards

Welke bepalingen regelen absolute versus relatieve gronden bij Uniemerken?

Art. 7 UMVo (absoluut) en art. 8 UMVo (relatief).

46
New cards

Wat regelt art. 2.2bis lid 1 sub a BVIE?

Weigering van tekens die niet voldoen aan de vereisten om een merk te kunnen vormen.

47
New cards

Wat regelt art. 2.2bis lid 1 sub b BVIE?

De absolute weigeringsgrond voor merken die ieder onderscheidend vermogen missen.

48
New cards

Wat regelt art. 2.2bis lid 1 sub c BVIE?

De absolute weigeringsgrond voor beschrijvende tekens en benamingen voor de betrokken waren of diensten.

49
New cards

Wat regelt art. 2.2bis lid 1 sub d BVIE?

De absolute weigeringsgrond voor tekens die gebruikelijk zijn geworden in gangbaar taalgebruik of bonafide handelsverkeer.

50
New cards

Wat regelt art. 2.2bis lid 1 sub e BVIE?

Bijzondere uitsluitingen voor vormen of andere kenmerken die door de aard van de waar, een technische uitkomst of wezenlijke waarde zijn bepaald.

51
New cards

Wat regelt art. 2.2bis lid 1 sub f BVIE?

Weigering wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden.

52
New cards

Wat regelt art. 2.2bis lid 1 sub g BVIE?

Weigering van merken die het publiek kunnen misleiden over kenmerken van de waren of diensten.

53
New cards

Welke onderwerpen vallen volgens HC3 onder art. 2.2bis lid 1 sub h tot en met l BVIE?

Bijzondere uitsluitingen, onder meer betreffende bepaalde officiële tekens, geografische aanduidingen en beschermde namen.

54
New cards

Kunnen absolute gronden sub b en sub c tegelijk van toepassing zijn?

Ja. Een beschrijvend teken mist voor de betrokken waren vaak ook onderscheidend vermogen, maar het zijn zelfstandige gronden.

55
New cards

Welke hoofdgevallen noemt HC3 bij de relatieve gronden?

Identieke tekens voor identieke waren/diensten; verwarringsgevaar bij overeenstemming; oudere bekende merken onder wettelijke voorwaarden; andere aangewezen oudere rechten.

56
New cards

Welke factoren staan centraal bij de verwarringsgevaargrond als relatieve grond?

De identiteit of overeenstemming van tekens, identiteit of soortgelijkheid van waren/diensten en het gevaar dat het publiek zich over herkomst vergist.

57
New cards

Wat kan een ouder bekend merk onder voorwaarden beschermen via een relatieve grond?

Tegen ongerechtvaardigd voordeel uit of afbreuk aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van dat oudere merk.

58
New cards

Wat is oppositie in het merkenrecht?

Een procedure waarin een oudere rechthebbende zich binnen de termijn verzet tegen een gepubliceerde jongere merkaanvraag.

59
New cards

Welk wetsartikel vormt de grondslag voor oppositie in het BVIE?

Art. 2.14 BVIE.

60
New cards

Welke BVIE-bepalingen noemt HC3 bij het verloop van oppositie en gebruiksbewijs?

Art. 2.16 en 2.16bis BVIE.

61
New cards

Welk UMVo-artikel noemt HC3 bij gebruiksbewijs in oppositie?

Art. 47 UMVo.

62
New cards

Wat gebeurt er met het merkrecht na tijdige vernieuwing?

De registratie loopt in beginsel weer tien jaar door, zonder wettelijk vast maximumaantal verlengingen.

63
New cards

Maakt vernieuwing een oorspronkelijk nietige merkinschrijving automatisch geldig?

Nee. Een nietigheidsgrond wordt niet door loutere verlenging weggenomen.

64
New cards

Kan een vernieuwd merk alsnog vervallen wegens niet-gebruik?

Ja. Vernieuwing ontslaat de merkhouder niet van de gebruiksverplichting.

65
New cards

Mag een merkhouder bij gewone vernieuwing het geregistreerde teken wezenlijk veranderen?

Nee. Een wezenlijk ander teken kan een nieuwe aanvraag vereisen; gebruik in licht afwijkende vorm is een afzonderlijk vraagstuk.

66
New cards

Casus: een oudere merkhouder komt na publicatie tijdig op tegen een verwarringwekkend jonger teken. Welke route past daarbij?

Oppositie op basis van een toepasselijke relatieve grond in art. 2.2ter BVIE, met de oppositieprocedure van art. 2.14 e.v. BVIE.

67
New cards

Wat is de kern van de beschrijvingsgrond van art. 2.2bis lid 1 sub c BVIE?

Een teken dat in de handel kan dienen om kenmerken van de betrokken waren of diensten te beschrijven, is op deze absolute grond in beginsel niet registreerbaar.

68
New cards

Waarom speelt het vrijhoudingsbelang bij beschrijvende tekens?

Concurrenten moeten gewone aanduidingen van productkenmerken kunnen blijven gebruiken zonder daarop rustende ongerechtvaardigde exclusieve merkclaims.

69
New cards

Waarom moet je beschrijvendheid in de concrete waren- en dienstencontext toetsen?

Hetzelfde woord kan in de ene productcategorie een beschrijving vormen en in een andere categorie onderscheidend of fantasievol zijn.

70
New cards

Waarom moet je bij een samengesteld woordmerk zowel de delen als het geheel beoordelen?

Afzonderlijk beschrijvende bestanddelen kunnen samen beschrijvend blijven, maar een onverwachte of paradoxale totaalbetekenis kan de beoordeling veranderen.

71
New cards

Wat is de verhouding tussen beschrijvendheid en ontbreken van onderscheidend vermogen?

Beschrijvendheid (sub c) en ontbreken van onderscheidend vermogen (sub b) zijn zelfstandige gronden die vaak tegelijk aan de orde zijn.

72
New cards

Welke mogelijkheid biedt art. 2.2bis lid 3 BVIE bij bepaalde absolute gronden?

Een teken dat wegens sub b, c of d aanvankelijk niet registreerbaar is, kan onder voorwaarden door gebruik onderscheidend vermogen hebben verkregen: inburgering.

73
New cards

Waarom maakt langdurig gebruik van een bedrijfsnaam nog niet dat een specifiek productteken is ingeburgerd?

Inburgering vereist bewijs dat het relevante publiek juist het concrete aangevraagde teken als commerciële herkomstaanduiding herkent.

74
New cards

Welk arrest uit HC3 betreft een beschrijvende combinatie voor huisdierproducten en een beroep op inburgering?

BenGH Pet's Budget (15 juni 2020, C 2019/6/9).

75
New cards

Wat was het aangevraagde teken in Pet's Budget?

PET'S BUDGET, voor verschillende huisdierproducten in de klassen 3, 5, 18, 20, 21 en 31.

76
New cards

Waarom weigerde het BOIP PET'S BUDGET aanvankelijk?

Wegens beschrijvendheid en gebrek aan onderscheidend vermogen voor de betrokken huisdierproducten.

77
New cards

Welke opvallende regel staat in r.o. 66 van Pet's Budget volgens de HC3-samenvatting?

Het is niet noodzakelijk dat het publiek onmiddellijk en zonder verder nadenken een productkenmerk in het teken herkent om de beschrijvingsgrond relevant te achten.

78
New cards

Waarom werd PET'S BUDGET als geheel beschrijvend beoordeeld?

Het geheel kon worden begrepen als een aanduiding van goedkope of voordelige producten voor huisdieren, zonder voldoende afwijkende totaalbetekenis.

79
New cards

Waarom maakte de apostrof-s het teken PET'S BUDGET volgens het Hof niet onderscheidend?

Die eenvoudige taalkundige toevoeging wijzigde de beschrijvende totaalindruk onvoldoende.

80
New cards

Wat benadrukt r.o. 77 van Pet's Budget volgens de samenvatting?

Het vrijhoudingsbelang: andere aanbieders moeten voordelige waren voor huisdieren met gewone marktinformatie kunnen beschrijven.

81
New cards

Waarom slaagde het beroep op inburgering in Pet's Budget niet?

De stukken bewezen onvoldoende dat het relevante publiek PET'S BUDGET zelf voor de betrokken waren als herkomstaanduiding herkende.

82
New cards

Welke soorten gegevens kunnen relevant zijn voor bewijs van inburgering volgens Pet's Budget?

Onder meer marktaandeel, duur en intensiteit van merkgebruik, reclame-investeringen, publieksherkenning en verklaringen uit de sector.

83
New cards

Wat was de uitkomst van Pet's Budget?

Het beroep werd verworpen; weigering wegens sub b en sub c bleef in stand en inburgering was niet voldoende aangetoond.

84
New cards

Welke procedurele beslissing was voorafgegaan aan het beroep in Goodbye Yellow?

Het BOIP had de inschrijving voor de betrokken waren gedeeltelijk nietig verklaard.

85
New cards

Wat was de rechtsvraag in Goodbye Yellow?

Of GOODBYE YELLOW de werking, bestemming of een ander kenmerk van cosmetische producten beschreef en daardoor onderscheidend vermogen miste.

86
New cards

Welke maatstaf formuleert Goodbye Yellow in r.o. 43 volgens de samenvatting?

Het woordteken is beschrijvend bij een voldoende direct en concreet verband met de betrokken waren, zodat het relevante publiek onmiddellijk en zonder verder nadenken een kenmerk herkent.

87
New cards

Waarom werd GOODBYE YELLOW beschrijvend geacht?

Het teken vertelde het publiek rechtstreeks over het beoogde resultaat of de bestemming van de cosmetische producten, in plaats van primair over de commerciële herkomst.

88
New cards

Moest in Goodbye Yellow vaststaan dat de cosmetica werkelijk iedere vorm van vergeling verwijderde?

Nee. De beschrijvendheidstoets richt zich op wat het publiek als producteigenschap of bestemming uit het teken begrijpt.

89
New cards

Wat was het resultaat in Goodbye Yellow?

Het beroep werd verworpen; gedeeltelijke nietigheid wegens beschrijvendheid en gebrek aan onderscheidend vermogen bleef in stand.

90
New cards

Welk arrest behandelt de mogelijke anti-beschrijvende betekenis van een paradoxaal woordmerk?

Hof Den Haag Impossible Burger (12 april 2022).

91
New cards

Wat was het aangevraagde teken in Impossible Burger?

IMPOSSIBLE BURGER.

92
New cards

Welke paradoxale totaalbetekenis zag het hof in IMPOSSIBLE BURGER?

Een 'onmogelijke burger' of 'burger die niet bestaat', wat niet rechtstreeks een concreet productkenmerk beschrijft.

93
New cards

Waarom aanvaardde het hof Nestlé's lovende uitleg niet als beslissende beschrijving?

Er was onvoldoende aannemelijk dat consumenten het hele teken direct als beschrijving van zo'n productkenmerk zouden opvatten.

94
New cards

Wat is het belangrijkste verschil tussen Goodbye Yellow en Impossible Burger?

GOODBYE YELLOW duidt volgens de uitspraak direct het beoogde effect aan; IMPOSSIBLE BURGER heeft volgens de uitspraak juist geen onmiddellijke concrete beschrijvende betekenis.

95
New cards

Wat is de expliciete bronnuance bij vergelijking van Pet's Budget, Goodbye Yellow en Impossible Burger?

Pet's Budget r.o. 66 verwerpt de noodzaak van onmiddellijk verband; Goodbye Yellow en Impossible Burger spreken juist over een voldoende direct verband. De samenvatting geeft geen vaststaande algemene verzoeningsregel.

96
New cards

Welk arrest is het voorgeschreven arrest over goede zeden en een vulgaire filmtitel?

HvJ EU Fack Ju Göhte (27 februari 2020, C-240/18 P).

97
New cards

Wat waren de feiten in Fack Ju Göhte?

Constantin Film vroeg de succesvolle Duitse filmtitel FACK JU GÖHTE als Uniemerk aan; EUIPO weigerde wegens goede zeden en het Gerecht bevestigde dat aanvankelijk.

98
New cards

Welke omstandigheden wezen in Fack Ju Göhte op mogelijke maatschappelijke acceptatie van de titel?

Het grote filmsucces, het ontbreken van evidente brede controverse, toegankelijkheid voor jonge kijkers en pedagogisch gebruik door het Goethe-Institut.

99
New cards

Waarom kan de betekenis van een Engelse grove uitdrukking in Duitsland verschillen van die in een Engelstalige omgeving?

De culturele en taalkundige context kan de gevoelswaarde en perceptie van het teken beïnvloeden.

100
New cards

Casus: een merk met een schuttingwoord is populair in een film en veroorzaakt nauwelijks ophef. Welke toets voer je uit?

Fack Ju Göhte: beoordeel vanuit een redelijk persoon met gemiddelde tolerantie de concrete maatschappelijke context en de vrijheid van meningsuiting; grofheid is niet automatisch voldoende.