Gezondheidspsychologie - Omgeving en individu

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/82

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 1:24 PM on 10/4/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

83 Terms

1
New cards

Het Rainbow-model (van Dahlgren en Whitehead, 1991)

Het model gaat van factoren die dicht bij het individu staan naar factoren die steeds verder van het individu staan.

De kern: bevat het individu met genetische kenmerken, leeftijd en geslacht.

De tweede laag: bevat leefstijlfactoren, oftewel het individuele gedrag

De derde laag: is de sociale omgeving en gemeenschapsnetwerken

De vierde laag: de leef en werkomstandigheden

De vijfde laag: de socio-economische, culturele en omgevingsomstandigheden

2
New cards

Lalonde’s Health Concept (Lalonde 1974)

Heeft vier categorieën van factoren die invloed hebben op gezondheidsgedrag:

1) Omgeving: waar het individu weinig invloed op heeft

2) De gezondheidszorg en de organisatie ervan (relaties van mensen valt er ook onder)

3) Biologische factoren: zoals genetische aanleg

4) Leefstijlfactoren: gedragskeuzes die het individu zelf maakt

3
New cards

Het AGELO-model (Swinburn)

Is een classificatie - model van omgevingsfactoren. Het model beschrijft NIET hoe deze factoren elkaar en gedrag beïnvloeden.

Bevat 2 omgevingsniveaus: Micro & Macro

Bevat 4 omgevingstypen: Fysiek, sociaal-cultureel, economisch en politiek

4
New cards

Micro-omgeving

Is een afgebakende setting waar groepen individuen bij elkaar komen met een specifiek doel en waar gedrag plaatsvindt. Bijv: school, sportclub, gezin, etc

5
New cards

Macro-omgeving

Omvat grotere overkoepelende settings, zoals voedingsindustrie, gezondheidszorg, beleidsmakers en marketing. Deze beïnvloeden de kleinere Micro-omgevingen

6
New cards

Fysieke omgeving

Omvat alles wat beschikbaar is. Zowel tastbare (fietspaden, fruitmand of verborgen sigaretten) als minder tastbare (beschikbaarheid van informatie).

7
New cards

Sociaal-culturele omgeving

Omvat de normen, waarden en attitudes die het gedrag zowel op Micro (klimaat of ethos binnen een gezin) als Macro niveau (bredere maatschappelijke cultuur en attitudes) beïnvloeden.

8
New cards

Politieke omgeving

Omvat alle formele en informele regels, wetten en beleid met betrekking tot gedrag. Micro (regels binnen een gezin of op school) en Macro (landelijk overheidsbeleid).

9
New cards

Economische omgeving

Omvat alle financiële kosten en de algehele betaalbaarheid die gedrag en gezondheidsgedrag beïnvloeden Micro (kosten van gezonde producten) en Macro (inflatie)

10
New cards

Ecologische Modellen

Leggen de nadruk op de rol van omgeving en beschrijven hoe het gedrag van een mens door de wisselwerking met zijn/haar omgeving wordt gevormd.

11
New cards

Ecologische modellen kunnen getypeerd worden door 4 kenmerken

1) Meerdere typen omgevingsinvloeden (zoals: fysiek, sociaal-cultureel, politiek en economisch)

2) Meerdere niveaus van omgevingsinvloeden (zoals: Micro & Macro)

3) Interacties tussen omgevingstypen en niveaus

4) Er is een directe invloed van omgeving op het gezondheidsgedrag van een individu

12
New cards

Duale Systeemmodellen

Duale systeemmodellen veronderstellen dat gedrag kan voortkomen uit beredeneerde overtuigingen of uit meer automatische en impulsieve reacties. Dit vormt een continuüm met aan de ene kant wordt weinig energie besteed aan het informatie verwerken is het het gedrag onbewust gebaseerd op gewoontes en routines — En aan de andere kant wordt informatie actief en bewust verwerkt

13
New cards

ENRG-raamwerk (Kramer et al)

Is een voorbeeld van een duaal systeemmodel. Het uitganspunt van het raamwerk is dat gedrag dat leidt tot gewichtsstijging zowel op een beredeneerde manier (cognitief) tot stand komt, maar ook een direct gevolg kan zijn van de omgeving.

14
New cards

Kremer benoemt vier componenten van automatische gedrag (checklist)

  • Gebrek aan bewustzijn

  • Gebrek aan controle

  • Gebrek aan intentie

  • Voor efficiëntie

Deze hoeven niet allemaal tegelijk aanwezig te zijn.


15
New cards

Kremers et al, beschrijven 4 verschillende mechanisme die aan automatische reacties ten grondslag liggen.

  • Onbewust doelgerichtheid - van huis naar universiteit (unconscious goal persuit)

  • Onbewust gedrag nadoen - eetgedrag koppieren (unconscious behavioural mimmicry)

  • Automatische reactie op de omgeving - formuleren implementatie intentie (automotive enviroment)

  • Lichaamstaal en emoties - lichaamstaal en emoties kunnen gedrag beinvloeden


16
New cards

Cognitieve Mediators

Cognitieve mediators zijn de psychologische factoren (gedachten, overtuigingen en gevoelens) die de schakel vormen tussen de objectieve omgeving en het uiteindelijke gedrag van een persoon. De omgeving bepaalt het gedrag namelijk niet direct, maar via deze mentale tussenstappen.

Binnen modellen zoals het ENRG-raamwerk en de Theory of Planned Behavior onderscheiden we de volgende vier kern-mediators:

  • Attitude: De persoonlijke (positieve of negatieve) houding tegenover het gedrag ("Ik vind sporten leuk/belangrijk").

  • Subjectieve norm: De ervaren sociale druk vanuit de omgeving ("Mijn vrienden vinden dat ik moet sporten").

  • Waargenomen gedragscontrole: De inschatting of het gedrag haalbaar is met de beschikbare middelen en vaardigheden ("Ik kan niet sporten, want ik heb geen geld voor een abonnement").

  • Intentie: De uiteindelijke motivatie of het concrete plan om het gedrag uit te voeren ("Ik ben van plan om vanaf morgen vaker te gaan sporten"). De attitude, subjectieve norm en gedragscontrole bepalen samen hoe sterk deze intentie is.




17
New cards

Moderatoren

Moderatoren zijn factoren die de sterkte of richting van de relatie tussen de omgeving en het gedrag beïnvloeden. Omdat niet ieder individu hetzelfde reageert op omgevingsfactoren, bepalen moderatoren waarom de invloed van de omgeving voor de ene mens anders is dan voor de ander (ze werken als een 'dimmer' of 'versterker').

Binnen gedragsmodellen onderscheiden we de volgende vier persoons- en gedragskenmerken als belangrijke moderatoren:

  • 1. Demografische kenmerken: Basiseigenschappen zoals geslacht, leeftijd en sociaal-economische status (SES), die bepalen hoe hard een omgevingsprikkel binnenkomt.

  • 2. Persoonlijkheid: Specifieke karaktertrekken; zo worden trekken zoals extraversie in verband gebracht met een hogere gevoeligheid voor fysieke activiteit in bepaalde omgevingen.

  • 3. Bewustzijn: De mate waarin iemand zich bewust is van zijn of haar eigen gedrag. Dit is een cruciale voorwaarde om gedragsverandering überhaupt te laten slagen.

  • 4. Betrokkenheid: De mate van persoonlijke motivatie bij het gedrag. Als iemand niet betrokken is, zal een stimulerende omgeving alsnog weinig effect hebben op het vertonen van het gedrag.


18
New cards

Systeemdenken (Bartlink et al)

Een veelheid van onderling afhankelijke elementen binnen een verbonden geheel. → Waar het binnen systeemdenken om gaat is de samenhang en het samenspel tussen deze elementen wat bepaalde settings/systemen complex maakt. Bijvoorbeeld: bij het invoeren van een interventie

19
New cards

Er zijn 10 kenmerken van complexe systemen

  • Dynamische populatie

  • Geneste systeemstructuren

  • Autonome actoren

  • Interactie en adaptie

  • Zelforganisatie

  • Feedbackloops

  • Dynamische context

  • Unieke context

  • niet-lineair

  • Onvoorspelbaar


20
New cards

Een van de kernelementen van systeemtheorie is interactie. De 5 kenmerken van complexe systemen die bijdrage aan interactie zijn?

  • Geneste systeemstructuren: verschillende (Micro) systemen staan in interactie met elkaar. Binnen het systeemdenken betekent dit dat elk systeem is opgebouwd uit kleinere subsystemen, terwijl het tegelijkertijd zelf onderdeel is van een groter bovensysteem (suprasysteem).

  • Interactie en adaptie: interactie vind constant op verschillende niveaus plaats binnen het systeem. Dit zorgt voor adaptie (aanpassing) binnen het systeem. Het systeem is als het ware op zoek naar naar een nieuwe staat (homeostase).

  • Dynamische context: door de continue interacties en aanpassing van het systeem aan veranderingen, beweegt een systeem mee met veranderende omstandigheden.

  • Feedbackloops: factoren in een systeem beïnvloeden het gedrag en het gedrag beïnvloedt de factoren.

  • Niet-lineair: Als gevolg van de interacties tussen de factoren in een systeem reageren systemen verschillend op dezelfde input (bijvoorbeeld: een interventie heeft een ander effect op twee unieke scholen).


21
New cards

Positieve feedbackloop (Lechner et al)

Betekent dat een toename van de ene factor leidt tot een verandering in de andere factor de eerste (oorspronkelijke) factor nog verder toeneemt.

22
New cards

Negatieve feedbackloop (Lechner et al)

Betekent dat een toename in de ene factor leidt tot een verandering in de andere factor waardoor de eerste (oorspronkelijke) factor afneemt.

23
New cards

(Dave van Kann) omschrijft type omgeving die invloed op het beweeggedrag bij kinderen

  • Fysieke omgeving: (dat wat beschikbaar is in de omgeving) → hoeveel ruimte thuis, een tuin, speelfaciliteiten thuis of op school of in de wijk.

  • Sociale omgeving: (dat wat andere doen en/of belangrijk vinden) → ondersteuning van ouders, gedrag van docenten, sociale interactie tussen leeftijdsgenootjes.

  • Politieke omgeving: (beleid, wetgeving en regels rondom gedrag) → regels van ouders, opa en oma, school en kinderopvang.


24
New cards

Volgens van Kann is beweeggedrag van kinderen complex om 3 redenen

1) Kinderen hebben te maken met verschillende Micro-systemen waarin ze opgroeien (thuis, opa en oma, kinderopvang, vriendjes en vriendinnetjes).

2) Verschillen tussen settings maakt het moeilijk om gezonde gedragspatronen in te slijpen.

3) Er is interactie tussen de verschillende type omgevingen, maar ook tussen de verschillende Micro-systemen

25
New cards

Obesogene omgeving

Een omgeving met kenmerken die gerelateerd zijn aan overgewicht en obesitas, die mensen stimuleert om te veel en ongezond te eten en te weinig te bewegen.

26
New cards

Kritieken BMI

De standaard afkapwaarde >25 (overgewicht) en >30 (obesitas) zijn niet voor alle bevolkingsgroepen en mensen van toepassing. (bijvoorbeeld: bij erg kleine of lange mensen, veel spiermassa, zwangere vrouwen, borstvoeding, Aziatische achtergrond of ouder dan 69).

27
New cards

Welke indicator wordt aanvullend op de BMI gebruikt?

Wordt ook de middelomtrek als indicator gebruikt. Vooral buikvet is een risicofactor voor diabetes type-2 en hart & vaatziekte.

28
New cards

Gezondheidsrisico’s van overgewicht/obesitas

  • Diabetes type-2

  • Hoge bloeddruk, hart- & vaatziekte

  • Metabolsyndroom

  • Verschillende vormen van kanker

  • Galsteen

  • Niet alcoholische leververvetting

  • Psychologische klachten

  • Gewrichtsontstekingen en- slijtage

  • Ademhalingsproblemen, waaronder kortademigheid en slaapapneu

  • Menstruatie stoornissen

  • Vruchtbaarheidsproblemen

  • Bij ouderen: meer kans op mobiliteitsbeperking en beperkingen in het dagelijks functioneren


29
New cards

Obesitas per werelddeel en land

  • Hoog (>30%): Noord en Zuid-Amerika, Europa en Midden-Oosten.

  • Midden (ongv. 20%): Afrika (grote verschillen → Zuid-Afrika 50% van de vrouwen vs Ethiopië 11%).

  • Laag (9-10%): Zuidoost-Azie, Western pacific


30
New cards

Doubele burden of malnutrition (lage/middeninkomenslanden)

Definitie: overvoeden en ondervoeding komen tegelijkertijd voor op 3 niveaus:

  • Individu: overgewicht en vitamines tekort.

  • Huishouden: bijv. moeder met overgewicht en kind met ondervoeding.

  • Bevolking: beide groepen sterk aanwezig in dezelfde samenleving.


31
New cards

Verklarende factoren voor over/ondervoeding (wereldwijd)

  • Economie en transport: welvarende landen vaker auto; armere landen vaker lopen of fiets.

  • Schoonheidsidealen: Stille oceaan (dik=mooi) vs andere landen (dun=mooi/ideaal).

  • Voedselimport: afhankelijke landen importeren veel bewerkt/goedkoop eten, omdat vers eten gekoeld moet worden en te duur is.


32
New cards

Verdeling overgewicht Nederland

  • Hoog: Zuid-Limburg, Drenthe-Flevoland en West-Brabant.

  • Laag: Utrecht, AMsterdam en Nijmegen


Verklaring:

  • Leeftijd: Overgewicht stijgt met leeftijd (Zuid-Limburg en Drenthe wonen meer ouderen).

  • Opleiding: Utrecht en Amsterdam hebben meer hoogopgeleiden



33
New cards

(NOS video) - Oorzaken/determinanten voor obesitas

  • Genetische aanleg

  • Eet cultuur

  • Slaaptekort

  • Darmflora

  • Stress

  • Medicijngebruik

  • Crashdieet

  • Bruin vetweefsel


34
New cards

(Voedingscentrum) - Noemt de volgende redenen die kunnen bijdragen aan obesitas/overgewicht.

  • Meer eten en drinken dan een persoon nodig heeft

  • Eten terwijl afgeleid

  • Minder bewegen en sporten

  • Grote veranderingen in het leven die impact hebben op hoeveel iemand eet of beweegt.

  • Stoppen met roken

  • Terugkomen op gewicht na zwangerschap

  • Tekort aan slapen en/of slechte slaapkwaliteit

  • Chronische stress

  • Medicatie die invloed heeft op het gewicht

  • Mentale problemen

  • Genetische aanleg


35
New cards

Er zijn nog vele andere factoren die kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van overgewicht/obesitas:

  • Emotioneel eten

  • Gebrek aan kennis over gezond eten

  • Chronische vermoeidheid waardoor iemand niet of minder kan sporten/bewegen

  • Fysieke beperkingen waardoor iemand moelijker kan sporten/bewegen

  • Stigma op overgewicht

  • Ruime beschikbaarheid van ultra bewerkt voedsel

  • Drugsgebruik

  • Voedsel marketing


36
New cards

Poeleman et al (2021) gebruikte 3 maten om voedselomgeving te karakteriseren

  • Food Enviroment Healthiness Index (FEHI) → alle voedselverkooppunten in de omgeving van een deelnemer (in een straal van 500 of 1000 meter van diens huis) kregen een score wat betreft gezondheid en werden opgeteld (hoge score = gezond) (lage score = ongezond)

  • Food Enviroment Diversity Index (FEDI) → Deze index meet de variatie/diversiteit aan voedselwinkels in de directe woonomgeving (500-1000m)die gezond of ongezond voedsel aanbieden.

  • Fast-food Density → Het aantal fastfood verkooppunten binnen een straal van 500 of 1000m rondom het huis van een deelnemer


37
New cards

De belangrijkste bevindingen van Poelemans onderzoek

Over het algemeen hadden mensen Niet-Nederlandse afkomst een mindergezonde voedselomgeving dan mensen met een Nederlandse afkomst (FEHI score). En waren er bij deze mensen in de omgeving meer winkels die Niet-basisvoedingsmiddelen verkochten dan bij mensen met een Nederlandse afkomst. Tot slot waren er ook meer fastfoodverkooppunten in de omgeving van mensen met een Niet-Nederlandse afkomst ten opzichte van Nederlandse afkomst.


  • Interessante uitkomst: ondanks de hogere toegang tot ongezonde voedselaanbieders in de woonomgeving van Niet-Nederlandse afkomst, was er geen verschil in het eetpatroon tussen de 2 groepen


Verklaringen:

  • Verschil in gebruik van omgeving - groepen gaan mogelijk anders om met dezelfde voedselomgeving door specifieke barrières (budget OV) en keuzes (religie).

  • Sociale normen: cultuur en groepsnormen bepalen hoe men naar voedsel kijkt en er mee omgaat.

  • Voedselkosten: wegen voor de ene groep zwaarder dan voor de ander.


38
New cards

Built environment

Omvat alle gebouwen, ruimtes en producten die door de mensen zijn aangepast of gebouwd. → Het heeft een grote invloed op hoeveel mensen bewegen en hoeveel en wat ze eten en dus ook op overgewicht en obesitas.

39
New cards

Pontin et al benoemen maten van Built environment

  • Gemengde gebruik van grond (bijv. woonhuizen, kantoren, winkels en parken/groen).

  • Verbinding van straten (in hoeverre punten met elkaar verbonden zijn door straten/wegen en er alternatieven routes zijn).

  • Bereikbaarheid (hoe goed zijn verschillende faciliteiten bereikbaar).

  • Dichtheid/activiteit binnen een specifiek gebied (aantal huizen of bewoners per km2)

  • Hoe veilig is de bebouwde omgeving (bijv. aparte fietspaden/trottoirs en fietspaden)

  • Hoe mooi is de buurt (is de buitenomgeving aantrekkelijk, is er graffiti aanwezig?)

  • In welke maten zijn er parken/bossen/rivieren (green/blue space)

  • Transportvoorzieningen (OV mogelijkheden in de buurt)


40
New cards

Yen et al (2021) De positieve effecten van fysieke activiteit in een groen/blauwe omgeving

  • Mensen lijken langer, vaker en intensiever te bewegen

  • Het verhoogt motivatie

  • Mensen voelen zicht minder uitgeput of vermoeid tijdens de fysieke activiteit

  • Mensen ervaren meer energie, onafhankelijkheid, competentie en hebben het idee dat ze ontsnappen aan het dagelijkse leven

  • Hun gemoedtoestand, aandacht, geluk, emoties en zelfvertrouwen verbeteren zich

  • Stress en angst neemt af


Verklaring: De visuele herkenning van de kleur groen/blauw en de connectie met de natuur kunnen deze positieve effecten verklaren.


41
New cards

(Gubbels et al, 2014) benoemen dat omgeving vooral belangrijk is voor kinderen voor 3 redenen

1) Het gedrag van kinderen is grotendeels cognitief onberedeneerd, ongepland en omgevingsgestuurd, waardoor traditionele gedragsverklaringsmodellen meestal ongeschikt zijn.

2) De variëteit en complexiteit van de omgevingen neemt toe in de loop van het leven. De toepassing op het gedrag van kinderen moet dus gezien worden als een startpunt, dat de extrahering naar andere omgevingen, leeftijd en gedragingen mogelijk maakt.

3) Energie-balansgerelateerde gedragingen (EBRB-gewoonte) worden vaak op jonge leeftijd gevormd en worden de rest van het leven vastgehouden, waardoor het essentieel is om EBRB’s op jonge leeftijd aan te leren.

42
New cards

Kenmerken van een gezonde omgeving

Omgeving kan ondersteunen in het maken van gezonde keuzes

  • Biedt een goede toegang tot voorzieningen

  • Nodigt uit tot een gezonde leefstijl (wandelen, spelen, ontspannen en sporten)

  • nodigt uit elkaar te ontmoeten, samen te ontspannen en te recreëren

  • Is schoon onbeschadigd en fysiek veilig

  • Is toegankelijk voor alle gebruikers


43
New cards

Welke kenmerken bevat een gezonde omgeving als je specifiek kijkt naar mentale gezondheid?

  • De omgeving is veilig: psychologische veiligheid (goed verlichte fietspaden, ontbreken van graffiti of geen afval op straat) stimuleert mensen naar buiten te gaan. Een onveilige omgeving kan stress verhogend werken.

  • Er is sociale cohesie: sociale verbinding kan gezondheid ondersteunen door bijv. eenzaamheid tegen te gaan (ontmoetingsplekken creëren en activiteiten organiseren).

  • De omgeving is aantrekkelijk en groen: een groene omgeving draagt bij aan mentaal welbevinden en de mentale gezondheid.

  • Er is een gezonde thuisomgeving: goede huisvesting is belangrijk voor de mentale gezondheid. Een ongezond huis (te klein en vochtig) en/of bestaansonzekerheid zijn een bron van stress wat een groot effect heeft op de mentale gezondheid.


44
New cards

De leefplekmeter

Door het invullen van de leefplekmeter wordt in een oogopslag duidelijk waar de krachten en waar de kansen van een buurt, wijk of dorp liggen. De leefplekmeter is een instrument om met bijvoorbeeld bewoners in gesprek te gaan over hoe zij hun leefplek ervaren, qua: mobiliteit; inrichting en voorzieningen; mensen, percepties en cultuur; eigenaarschap en onderhoud.

Hiermee kunnen prioriteiten worden gesteld over hoe een leefplek er uit moet komen te zien of welke aanpassingen er aan een leefplek doorgevoerd moeten worden.



45
New cards

Herstel (restoration)

De vernieuwing en terugwinning van adaptieve hulpbronnen of capaciteiten die zijn uitgeput door de eisen van het dagelijkse leve.

46
New cards

Herstellende omgeving

Wordt gedefinieerd als een omgeving die door kenmerken herstel mogelijk maakt en bevordert.

Natuurlijke omgevingen hebben visuele kenmerken waardoor zij herstel bevorderen in tegenstelling tot een stedelijke omgeving.

47
New cards

Roger Ulrich - Stressreductie Theorie (SRT)

Neemt aan dat uitputting ontstaat door stress op een dreigende situatie. De theorie is gebaseerd op de aanname, dat de primaire reactie van een individu op de omgeving. Een automatische emotionele reactie uitlokt binnen in een fractie van een seconde (affectieve reactie) gebaseerd op de visuele aspecten van een omgeving.


Een herstellend omgeving zorgt voornamelijk voor onbewuste positieve emoties, waaronder andere negatieve gedachten worden geblokkeerd en er fysiologische herstel kan optreden.

48
New cards

Kaplan en Kaplan - De aandacht-herstel Theorie (ART)

Focust op gerichte aandacht dat moet worden hersteld. Gerichte aandacht raakt op wanneer het langdurig inzet wordt. Deze is nodig voor taken die aandacht en concentratie vragen om te volbrengen, zoals studeren of werken.

In tegenstelling tot de SRT benadrukt ART het cognitief mechanisme in plaats van een meer affectieve reactie.

49
New cards

Een natuurlijke omgeving kan helpen bij het herstellen van gerichte aandacht. De ART beschrijft 4 kenmerken van een herstellende omgeving

  • Fascinatie: de natuur trekt automatisch je aandacht zonder dat het moeite kost.

  • Betrokkenheid (being away): Je voelt je los van je dagelijkse verplichtingen.

  • Uitgestrektheid: de omgeving voelt als een samenhangend geheel en geeft je het gevoel dat je erin op kunt gaan.

  • Compatibiliteit: de omgeving past bij je wat je nodig hebt om te ontspannen


50
New cards

De meest gangbare omgevingen voor herstellend vermogen zijn (Collado et al, 2017)

  • Woonomgeving: het herstellend vermogen in deze omgeving hangt sterk af van de toegang tot natuurlijke elementen in de woonomgeving. Dit is bijv. ook gerelateerd aan de mensen meer actief zijn in een groene omgeving.

  • Werkomgeving: dat zicht op de natuur, bijv. uit een raam of door planten in een kantooromgeving, of afbeeldingen van natuur in het kantoor kunnen helpen in het herstellend vermogen van de werkomgeving.

  • Schoolomgeving: natuurlijke elementen op het schoolplein of in de buurt van de school kunnen ondersteunen in de fysieke gezondheid van kinderen. Op een natuurlijk schoolplein zijn kinderen meer fysiek actief, halen er mentale voordelen uit, presteren beter op school en hebben minder problematisch gedrag.

  • Zorgomgeving: kunnen natuurlijke elementen helpen om minder stress en angst te ervaren in een vaak onzekere of stressvolle situatie. Natuurlijke elementen kunnen helpen om met pijn om te gaan, en kunnen bijdragen aan hoe bezoekers de instelling waarderen.


51
New cards

Green exercise (bewegen in de natuur)

Bewegen op zich zelf is goed voor de gezondheid en mentale welzijn, en door in de natuur te bewegen kunnen deze effecten worden versterkt.

Bewegen in de natuur heeft een sterker effect op de fysieke en mentale gezondheid dan bewegen in de bebouwde kom of binnen omgeving.

Verklaringen: in een natuurlijke omgeving kost bewegen minder moeite en is het daardoor makkelijker vol te houden, de aandacht wordt verlegt van de inspanning naar de natuurlijke omgeving, en de natuurlijke omgeving is altijd beschikbaar en heeft daardoor minder praktische barrières.

52
New cards

Gezondheidsverschillen

Zijn oneerlijke en vermijdbare verschillen in levensverwachting en gezondheid, afhankelijke van iemands positie in de maatschappij (SEP). Wordt bepaald op basis van opleidingsniveau, inkomen en positie op de arbeidsmarkt


53
New cards

Er zit verschil in het voorkomen (prevalentie) van aandoeningen tussen mensen in een lage SEP en hoge SEP

Mensen met een lage SEP hebben vaker diabetes, een hartinfarct, COPD, chronische stress, angst, depressie en obesitas. Ook perintale sterfte (miskraam).

Ook risicofactoren zijn oneerlijk verdeeld. Ongunstige leefstijlfactoren, zoals roken komen vaker voor, vaker sprake van psychische klachten, laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheden


54
New cards

Gezondheidsongelijkheid

Geeft weer dat er gezondheidsverschillen zijn zonder dat er een waarde aan wordt gehecht. Er is bijv. gezondheidsongelijkheid tussen rokers en niet-rokers, mede door hun eigen keuzes.

55
New cards

Gezondheidsongelijkwaardigheid

Is het verhoogd risico op bijv. hart -en vaatziekte of diabetes dat mensen hebben die in een laag-inkomenswijk wonen, door bijv. het gebrek aan mogelijkheden tot bewegen (geen parken of speeltuinen), of het verhoogde aanbod van ongezonde voeding in de wijken.

Bij rijkere wijken daarentegen zijn voorzieningen voor een gezonde leefstijl (meestal) wel aanwezig.

56
New cards

Hoe moeten sociaaleconomische gezondheidsverschillen aangepakt worden? (Pharos)

Zoals Pharos omschrijft, vraagt de aanpak van gezondheidsverschillen om een brede benadering en niet alleen binnen het volksgezondheidsdomein. De aanpak moet domein overstijgend zijn en ook bijv. armoede, huisvesting, onderwijs, werk en ruimtelijke ordening omvatten.

57
New cards

Het Pharos rapport onderscheidt drie factoren in de leefomgeving die invloed hebben op gezondheidsverschillen

  • Sociale factoren: populatiesamenstelling, sociale veiligheid, omgevingsgeluid en criminaliteit

  • Voorzieningen in de omgeving: zorg, veilige infrastructuur, sport/speel/ontmoetingsplekken en groen, natuur en water.

  • Schadelijke factoren: luchtvervuiling, binnenmilieu (lood, schimmels in huis) en temperatuur

Deze factoren beïnvloeden het gezondheidsgedrag en de mate van stress die iemand ervaart, wat weer gerelateerd is aan de fysieke en mentale gezondheid. Mensen die in een ongunstige leefomgeving wonen hebben hierdoor hogere risico’s op aandoeningen, en ontstaan gezondheidsverschillen.


58
New cards

Direct effect op gezondheidsverschillen

Wanneer een factor in de leefomgeving een direct invloed heeft op de gezondheid en vaker voorkomt in minder welvarende wijken.

  • Minder welvarende wijken liggen vaker dicht bij industrie of snelwegen met als gevolg meer fijnstof.

  • Woningen hebben vaak een ongezond binnenklimaat door bijv. vocht of slechte temperatuurregulatie.

  • Deze vervuiling van de leefomgeving kan direct leiden tot gezondheidsproblemen zoals astma bij kinderen.


59
New cards

Indirect effect op gezondheidsverschillen

Wanner de gezondheid niet direct maar via andere factoren wordt beïnvloedt

1) Via leefstijl en voorzieningen:

  • De leefomgeving kan gezond gedrag stimuleren of juist bemoeilijken

  • In minder welvarende wijken zijn er vaak minder of minder kwalitatieve voorzieningen (groenvoorzieningen, sportveldje, sportmogelijkheden, etc)

  • Veiligheid van de omgeving (een onveilige wijk kan mensen ervan weerhouden om buiten te bewegen)

  • Groenvoorzieningen: minder groen of minder kwalitatief groen in lage SES wijken

2) Via stress:

  • De leefomgeving kan een bron van langdurige stress zijn

  • Langdurige stress kan leiden tot een overbelasting van het stress-systeem (Allostatische overbelasting), wat gevolgen heeft voor de lichamelijke en mentale gezondheid met een verhoogd risico op: Hart- en vaatziekte, diabetes, astma, gewrichtsontstekingen. obesitas, angst, depressie en Burn-out

- Bij mensen met een lage SEP is vaak sprake van een stapeling van meerdere stressfactoren in de leefomgeving

- Zij hebben soms ook mindere mogelijkheden om met deze stressfactoren om te gaan.


60
New cards

De schijft van vijf

Is een richtlijn voor een gezonde voedingspatroon. Een voedingspatroon volgens de schijf van 5 kan ziektes als diabetes type-2, hart- en vaatziekte en kanker voorkomen, en helpt gezond/duurzame voedingskeuzen te maken.

61
New cards

Mediterraans dieet

Het traditionele Mediterrane dieet bestaat uit voornamelijk plantaardige producten (fruit, groente, brood, noten en zaden), minimaal bewerkte seizoens en verse producten. Voornamelijk olfijfolie als bron van vetten, gematigde consumptie van gevogelte en vis, weinig rood vlees en gematigde consumptie van rode wijn bij de maaltijd.

Het draait om de combinatie van de voedselproducten wat het zo gezond maakt

  • Het minst duurzame in het mediterraanse dieet is: consumptie van vis en zeevruchten


62
New cards

Wat zijn en wat wordt bedoeld met de basisbehoeften uit de Zelf-determinatie Theorie? (Vollink, 2018))

Autonomie: wordt omschreven als het gevoel dat je eigenaar bent van je eigen gedragskeuzes

Competentie: wordt omschreven als het gevoel hebben om in staat te zijn een bepaalde uitkomst te bereiken en het gewenste gedrag uit te voeren

Verbondenheid (relatedness): wordt omschreven als door andere gerespecteerd en begrepen worden en voor andere zorgen.

Deze factoren leiden tot het volhouden van het gezondheidsgedrag.

  • Iemand die autonoom tot een bepaalde keuze komt is meer gemotiveerd

  • Iemand die zich meer competent voel om het gewenste gedrag uit te voeren (hangt nauw samen met eigen effectiviteit), kan in moeilijke situaties naar oplossingen zoeken en toch volhouden in het gewenste gedrag

  • Verbondenheid zorgt ervoor dat iemand zich gesteund voelt door de omgeving om het gewenste gedrag uit te voeren.


63
New cards

Wat kan een gezondheidspsycholoog doen om bij te dragen aan het bevorderen van een autonome gedragsverandering, verhogen van competentie en het versterken van de verbondenheid?

Motiverende Gespreksvoering toepassen (MG), vaardigheden verkennen en aanleren om de competentie te versterken en gebruik maken van de sociale omgeving van de client om het gewenste gedrag te ondersteunen.

64
New cards

Op basis van 2 mechanisme kan sociale verbondenheid de gezondheid van mensen bevorderen en leiden tot een gezonde gedragskeuze (Vollink, 2018)

1) Interactie met vrienden en familie op een manier die voldoening geeft behoort tot onze basisbehoefte (Zelf-determinatie Theorie), wat betekent dat we intrinsiek gemotiveerd zijn om moeite en tijd te investeren in sociale relaties.

2) Door een hoge mate van sociale verbondenheid met een groep, kunnen bepaalde normen en waarde en gedragskeuzes gaan behoren tot onze persoonlijke identiteit.

65
New cards

Binnen de Self Determination Theory (SDT), wordt gesproken over Controled Motivation

Komt tot stand als iemand wordt verleid, gedwongen of onder druk wordt gezet om bepaald gedrag uit te voeren. Dit wordt gedaan door het voorkomen van potentiële negatieve consequenties of door hoge beloningen (carrot on a stick)

Kan worden toegepast door iemand ervan te overtuigen dat meer bewegen leidt tot een beter gezondheid en door aan de geven way de risico’s zijn van een ongezonde leefstijl met weinig beweging.

66
New cards

Binnen de Self Determination Theory (SDT), wordt gesproken over Autonomous Motivation

Komt voort uit persoonlijke interesses of plezier of omdat het gedrag overeenkomt met bepaalde overtuigingen/waarden die voor een persoon leidend zijn bij het maken van keuzes.

Autonomous Motivation kan worden gebruikt door via motiverende gespreksvoering te zoeken naar de intrinsieke motivatie van iemand.

Autonomous Motivation hangt positief samen met verhoogde creativiteit, wat leidt tot een sterker probleemoplossend vermogen.

67
New cards

Wat is de bijdrage van de Social Identity Theory en de Self Categorisation Theory, waarmee gezondheidspsychologen de gezondheid kunnen bevorderen (Jetten et al, 2014)

De Theorien bieden principes en mechanisme die kunnen helpen om beter te bergijpen hoe, waarom en waneer sociale verbondenheid invloed heeft op welzijn en gezondheid. De theorie biedt een raamwerk dat verder kijkt dan alleen het vaststellen van een relatie tussen sociale verbondenheid enerzijds en welzijn en gezondheid anderzijds.

Ten tweede wordt genoemd dat inzicht in de mechanisme van sociale verbondenheid mogelijkheden biedt voor gezondheidspsychologen om mensen te helpen beter gebruik te maken van hun sociale omgeving.

68
New cards

The social identity approach (Jetten et al, 2014)

Bevat de Social Identity Theory en de Self-Categorization Theory

69
New cards

(Jetten et al, 2014) beschrijven 5 concepten binnen de Social Identity Theory

  • Social connectednes: het aantal en de kwaliteit van de relaties van een individu.

  • Social networks: de manier waarop de sociale connecties zijn verbonden.

  • Social integration: participatie in een brede range van sociale relaties met zowel een gedragscomponent als een cognitief component.

  • Sociale isolatie: beperkte participatie in of het afwezig zijn van betekenisvolle relatie.

  • Sociale support: de sociale steun van relaties in het netwerk van een individu, als mensen van je houden, om je geven en er voor je zijn in tijden van nood.

Relatedness van de SDT kom het meeste overeen met Social support


70
New cards

Verbondenheid met een groep kan ook negatieve gevolgen hebben voor iemands gezondheid (Jetten et al, 2017)

  • De sociale identiteit wordt ontleend aan een groep die wordt gestigmatiseerd of een lage status heeft

  • Een groep waaraan je je sociale identiteit ontleent heeft ongezonde normen

  • Een groep biedt geen sociale ondersteuning als je dat nodig hebt

  • De groep slaagt er niet in om bepaalde eigenschappen of kwaliteiten van hun eigen groepsleden positief te beoordelen ten opzichte van andere groepen

  • Een individu uit een minderheidsgroep verlaat de groep en vertrekt naar een hogere- statusgroep die hem/haar niet of niet volledig accepteert.


71
New cards

Er worden 4 psychologische bronnen (resources) verkregen als een persoon zich identificeert met een groep (=sociale identiteit) (Jetten et al, 2017)

1) Social connection: het gevoel dat je je sterk verbonden voelt met andere groepsleden

2) Samenwerken aan specifieke collectieve uitkomsten (doel en gemeenschappelijke focus)

3) Het geven en krijgen van social support van de groepsleden (een belangrijke waarde voor identificatie met een groep)

4) Het delen van een sociale identiteit door lidmaatschap van een groep

72
New cards

Nudgin

Is een simpele, doelbewuste en transparante aanpassing in de keuzeachtitectuur die gewenst gedrag beïnvloedt door in te spelen op de heuristische manier waarop mensen keuzes maken zonder alternatieve keuzes onmogelijk te maken.

73
New cards

Bij Nudging zijn 4 aspecten belangrijk

  • Simpele aanpassingen aan de keuzearchitectuur: het plaatsen van (ongezonde) snacks op ooghoogte bij de kassa in de supermarkt.

  • Gewenst gedrag: Hierbij gaat het meestal om het benadrukken van het gewenste gedrag voor het individu of de samenleving

  • Heuristische basis voor keuzes: heuristieken zijn vuistregels die mensen gebruiken om efficiënt en snel keuzes te kunnen maken (voedseletiketten met opvallende kleuren om gezonde keuzes te benadrukken)

  • Behoud van keuzevrijheid: een nudge zorgt ervoor dat de gewenste keuze de makkelijkste keuze wordt, maar dat er ook nog steeds gekozen kan worden voor het alternatief.


74
New cards

Kritieken op de Nutri-score

  • Sommige voedselproducenten vinden de Nutri-score misleidend

  • De Nutri-score kan verwarrend omdat scores enkel binnen een productgroep vergeleken worden. Een gezond product kan daardoor soms een slechtere Nutri-score krijgen dan een ongezond product. Ook kan het binnen een groep ongezonde producten lijken alsof je een gezonde keuze maakt.

  • Voedingswetenschapper denken dat producten aangepast worden zodat ze een beter Nutri-score krijgen, terwijl ze in de praktijk niet gezonder zijn geworden.

  • De consument leert zo nog niet meer over wat gezonde voeding is.


75
New cards

(Brug et al, 2022) beschrijven 5 kenmerken die een interventie complex maken (complexe interventie)

1) Het aantal interventiecomponenten (en de interacties daartussen)

2) Het aantal en de complexiteit van gedragingen (van actoren)

3) Het aantal groepen/organisatie niveaus (waarop de interventie gericht is)

4) Het aantal en de variabiliteit van de uitkomsten die de interventie beoogt te behalen

5) De mate van flexibiliteit van de interventie en eventuele mogelijkheden om deze aan te passen aan de situatie of setting


Interventies waarin de omgeving wordt meegenomen zijn al snel complex omdat je aan bovenstaande kenmerken gaat voldoen.

76
New cards

Wat is de Smokefree Challenge?

Bij deze interventie werd een klassikaal niet-roken wedstrijd gestart. Hierbij werd in deelnemende klassen de afspraak gemaakt om een halfjaar niet te roken. Dit werd gedaan om het starten van roken minimaal een halfjaar uit te stellen bij kinderen in de brugklas. Daarnaast richtte de interventie zich erop om de niet-roken norm zo lang mogelijk vast te houden.

77
New cards

Wat is de SMART-size interventie?

Is ontworpen om eet/beweeggedrag van mensen met overgewicht/obesitas te verbeteren. De interventie richtte zich niet alleen op mensen met overgewicht en obesitas maar ook op mensen met minder gezondheidsvaardigheden.

De interventie leren deelnemers adequate porties te consumeren en om daarbij om te gaan met invloeden vanuit de omgeving. Ook besteedde het aandacht aan het verbeteren van het beweeggedrag door een plan te maken om meer te bewegen.

  • De interventie duurde 24 weken en had in die periode als doel 5% gewicht te verliezen


78
New cards

Effectevaluatie

Daarmee onderzoek je of de interventie werkt en de effecten ervan. Bijv. of het doel(en) van de interventie behaald is. Bij deze effectevaluatie kan gebruik worden gemaakt van een Randomised Controlled Trial (RCT).

→ Het is niet altijd mogelijk om een RCT uit te voeren omdat het niet ethisch verantwoord is of niet haalbaar. Denk aan experimenten met medicatie

79
New cards

Procesevaluatie

Hierbij onderzoek je de uitvoering (implementatie) van een interventie. Je kunt hierbij kijken naar verschillende zaken, zoals: is de interventie uitgevoerd zoals bedoeld of zijn er dingen aangepast, wat is het bereik van de interventie? Hoe beoordelen deelnemers de interventie?

→ Een procesevaluatie geeft waardevolle inzichten voor toekomstig onderzoek of interventie ontwikkeling.

80
New cards

Quasi-experimenteel design

Lijkt op een RCT. Is ook bedoeld om oorzaak gevolg relatie te onderzoeken (effectevaluatie). Een belangrijk verschil is dat bij een quasi-experimenteel design deelnemers niet willekeurig worden toegewezen aan een groep, ten opzichte van een RCT.

Dit betekent dat andere niet-interventie factoren de resultaten kunnen beïnvloeden

81
New cards

(Brug et al, 2022) Benoemt 3 belangrijke redenen om te evalueren

1) Leren voor de toekomst: het gaat er hierbij om dat je zo kunt leren welke interventies wel of niet effectief zijn. In welke omstandigheden of welke context is de interventie effectief en hoe kan de interventie effectiever gemaakt worden.

2) Verantwoording: een interventie kost tijd en geld en evaluatieonderzoek kan aantonen of deze middelen nuttig zijn ingezet.

3) Theorievorming: heeft betrekking op het verder ontwikkelen van de interventie theorie. Het gaat dus om het verkrijgen van kennis over interventies.

82
New cards

De Keigaaf-interventie (Verjans-Janssen et al, 2018)

Helpt kinderen gezonder te worden door meer te bewegen en gezonder te eten. Het verbetert hun BMI en lichamelijke activiteit.

Scholen die een uitgebrijde aanpak gebruikten om beweging te bevorderen zagen de grootste verbeteringen in BMI en lichamelijke activiteit. Vooral scholen met kwetsbare groepen slaagden erin.

→ Onderzoekers geven aan dat het belangrijk is, om een langdurige op maat gemaakte aanpak te implementeren. Dit bevordert de gezondheid van kinderen door een gezond gewicht te behouden en lichamelijke activiteit te stimuleren, maar ook te voorkomen dat kinderen teveel zitten tijdens een schooldag.

83
New cards

Child Health Initiative for Lifelong Eating and Exercise (CHILE)

De interventie is op basis van ecologische modellen ontwikkeld. De interventie richt zich op factoren op meerdere niveaus, zoals intrapersoonlijke factoren (door het curriculum), interpersoonlijke factoren (door docentprofessionalisering) en organisatorische factoren (voedselvoorziening in de organisatie).

Verder richt de interventie zich op meerdere typen omgeving. De fysieke omgeving wordt aangepast (beschikbaarheid van groente en fruitproducten uit het programma, maar ook in de supermarkt duidelijke herkenbaarheid van de producten). De sociale omgeving wordt aangepast, door de docentprofessionalisering maar ook met het betrekken van de ouders en gezondheidsprofessionals. De politieke omgeving wordt aangepast door beleid te ontwikkelen binnen de voedselvoorziening in de organisatie.

CHILE bestaat uit zes componenten die op verschillende niveaus aandacht geven aan voeding en beweging. Deze activiteiten zijn:

  1. een voedings- en bewegingscurriculum: bestaande uit voedings- en bewegingslessen, gericht op het leren kennen van nieuwe producten en integreren van voldoende beweegmomenten gedurende de dag.

  2. docentprofessionalisering: gericht op het vergroten van kennis, vaardigheden en eigen-effectiviteit van de staf die aan de slag ging met de interventie. Zowel gericht op interventie-inhoud als op uitvoer van de interventie.

  3. aanbevelingen voor de voedselvoorzieningen: de voedselvoorziening op school werd aangepast aan de voedingslessen en beleid werd opgesteld om de voedselvoorziening gezonder te maken.

  4. ouderbetrokkenheid: dit bestond uit twee aspecten, namelijk materialen die mee naar huis werden genomen en evenementen voor de hele familie.

  5. deelname van lokale supermarkten: producten die in het curriculum aan bod kwamen, kregen in de supermarkt een CHILE-sticker, verder was er een CHILE-schap met recepten e.d.

  6. betrokkenheid van lokale gezondheidsprofessionals: verschillende gezondheidsprofessionals werden gestimuleerd om CHILE te promoten in hun dagelijkse praktijk.