1/82
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Het Rainbow-model (van Dahlgren en Whitehead, 1991)
Het model gaat van factoren die dicht bij het individu staan naar factoren die steeds verder van het individu staan.
De kern: bevat het individu met genetische kenmerken, leeftijd en geslacht.
De tweede laag: bevat leefstijlfactoren, oftewel het individuele gedrag
De derde laag: is de sociale omgeving en gemeenschapsnetwerken
De vierde laag: de leef en werkomstandigheden
De vijfde laag: de socio-economische, culturele en omgevingsomstandigheden
Lalonde’s Health Concept (Lalonde 1974)
Heeft vier categorieën van factoren die invloed hebben op gezondheidsgedrag:
1) Omgeving: waar het individu weinig invloed op heeft
2) De gezondheidszorg en de organisatie ervan (relaties van mensen valt er ook onder)
3) Biologische factoren: zoals genetische aanleg
4) Leefstijlfactoren: gedragskeuzes die het individu zelf maakt
Het AGELO-model (Swinburn)
Is een classificatie - model van omgevingsfactoren. Het model beschrijft NIET hoe deze factoren elkaar en gedrag beïnvloeden.
Bevat 2 omgevingsniveaus: Micro & Macro
Bevat 4 omgevingstypen: Fysiek, sociaal-cultureel, economisch en politiek
Micro-omgeving
Is een afgebakende setting waar groepen individuen bij elkaar komen met een specifiek doel en waar gedrag plaatsvindt. Bijv: school, sportclub, gezin, etc
Macro-omgeving
Omvat grotere overkoepelende settings, zoals voedingsindustrie, gezondheidszorg, beleidsmakers en marketing. Deze beïnvloeden de kleinere Micro-omgevingen
Fysieke omgeving
Omvat alles wat beschikbaar is. Zowel tastbare (fietspaden, fruitmand of verborgen sigaretten) als minder tastbare (beschikbaarheid van informatie).
Sociaal-culturele omgeving
Omvat de normen, waarden en attitudes die het gedrag zowel op Micro (klimaat of ethos binnen een gezin) als Macro niveau (bredere maatschappelijke cultuur en attitudes) beïnvloeden.
Politieke omgeving
Omvat alle formele en informele regels, wetten en beleid met betrekking tot gedrag. Micro (regels binnen een gezin of op school) en Macro (landelijk overheidsbeleid).
Economische omgeving
Omvat alle financiële kosten en de algehele betaalbaarheid die gedrag en gezondheidsgedrag beïnvloeden Micro (kosten van gezonde producten) en Macro (inflatie)
Ecologische Modellen
Leggen de nadruk op de rol van omgeving en beschrijven hoe het gedrag van een mens door de wisselwerking met zijn/haar omgeving wordt gevormd.
Ecologische modellen kunnen getypeerd worden door 4 kenmerken
1) Meerdere typen omgevingsinvloeden (zoals: fysiek, sociaal-cultureel, politiek en economisch)
2) Meerdere niveaus van omgevingsinvloeden (zoals: Micro & Macro)
3) Interacties tussen omgevingstypen en niveaus
4) Er is een directe invloed van omgeving op het gezondheidsgedrag van een individu
Duale Systeemmodellen
Duale systeemmodellen veronderstellen dat gedrag kan voortkomen uit beredeneerde overtuigingen of uit meer automatische en impulsieve reacties. Dit vormt een continuüm met aan de ene kant wordt weinig energie besteed aan het informatie verwerken is het het gedrag onbewust gebaseerd op gewoontes en routines — En aan de andere kant wordt informatie actief en bewust verwerkt
ENRG-raamwerk (Kramer et al)
Is een voorbeeld van een duaal systeemmodel. Het uitganspunt van het raamwerk is dat gedrag dat leidt tot gewichtsstijging zowel op een beredeneerde manier (cognitief) tot stand komt, maar ook een direct gevolg kan zijn van de omgeving.
Kremer benoemt vier componenten van automatische gedrag (checklist)
Gebrek aan bewustzijn
Gebrek aan controle
Gebrek aan intentie
Voor efficiëntie
Deze hoeven niet allemaal tegelijk aanwezig te zijn.
Kremers et al, beschrijven 4 verschillende mechanisme die aan automatische reacties ten grondslag liggen.
Onbewust doelgerichtheid - van huis naar universiteit (unconscious goal persuit)
Onbewust gedrag nadoen - eetgedrag koppieren (unconscious behavioural mimmicry)
Automatische reactie op de omgeving - formuleren implementatie intentie (automotive enviroment)
Lichaamstaal en emoties - lichaamstaal en emoties kunnen gedrag beinvloeden
Cognitieve Mediators
Cognitieve mediators zijn de psychologische factoren (gedachten, overtuigingen en gevoelens) die de schakel vormen tussen de objectieve omgeving en het uiteindelijke gedrag van een persoon. De omgeving bepaalt het gedrag namelijk niet direct, maar via deze mentale tussenstappen.
Binnen modellen zoals het ENRG-raamwerk en de Theory of Planned Behavior onderscheiden we de volgende vier kern-mediators:
Attitude: De persoonlijke (positieve of negatieve) houding tegenover het gedrag ("Ik vind sporten leuk/belangrijk").
Subjectieve norm: De ervaren sociale druk vanuit de omgeving ("Mijn vrienden vinden dat ik moet sporten").
Waargenomen gedragscontrole: De inschatting of het gedrag haalbaar is met de beschikbare middelen en vaardigheden ("Ik kan niet sporten, want ik heb geen geld voor een abonnement").
Intentie: De uiteindelijke motivatie of het concrete plan om het gedrag uit te voeren ("Ik ben van plan om vanaf morgen vaker te gaan sporten"). De attitude, subjectieve norm en gedragscontrole bepalen samen hoe sterk deze intentie is.
Moderatoren
Moderatoren zijn factoren die de sterkte of richting van de relatie tussen de omgeving en het gedrag beïnvloeden. Omdat niet ieder individu hetzelfde reageert op omgevingsfactoren, bepalen moderatoren waarom de invloed van de omgeving voor de ene mens anders is dan voor de ander (ze werken als een 'dimmer' of 'versterker').
Binnen gedragsmodellen onderscheiden we de volgende vier persoons- en gedragskenmerken als belangrijke moderatoren:
1. Demografische kenmerken: Basiseigenschappen zoals geslacht, leeftijd en sociaal-economische status (SES), die bepalen hoe hard een omgevingsprikkel binnenkomt.
2. Persoonlijkheid: Specifieke karaktertrekken; zo worden trekken zoals extraversie in verband gebracht met een hogere gevoeligheid voor fysieke activiteit in bepaalde omgevingen.
3. Bewustzijn: De mate waarin iemand zich bewust is van zijn of haar eigen gedrag. Dit is een cruciale voorwaarde om gedragsverandering überhaupt te laten slagen.
4. Betrokkenheid: De mate van persoonlijke motivatie bij het gedrag. Als iemand niet betrokken is, zal een stimulerende omgeving alsnog weinig effect hebben op het vertonen van het gedrag.
Systeemdenken (Bartlink et al)
Een veelheid van onderling afhankelijke elementen binnen een verbonden geheel. → Waar het binnen systeemdenken om gaat is de samenhang en het samenspel tussen deze elementen wat bepaalde settings/systemen complex maakt. Bijvoorbeeld: bij het invoeren van een interventie
Er zijn 10 kenmerken van complexe systemen
Dynamische populatie
Geneste systeemstructuren
Autonome actoren
Interactie en adaptie
Zelforganisatie
Feedbackloops
Dynamische context
Unieke context
niet-lineair
Onvoorspelbaar
Een van de kernelementen van systeemtheorie is interactie. De 5 kenmerken van complexe systemen die bijdrage aan interactie zijn?
Geneste systeemstructuren: verschillende (Micro) systemen staan in interactie met elkaar. Binnen het systeemdenken betekent dit dat elk systeem is opgebouwd uit kleinere subsystemen, terwijl het tegelijkertijd zelf onderdeel is van een groter bovensysteem (suprasysteem).
Interactie en adaptie: interactie vind constant op verschillende niveaus plaats binnen het systeem. Dit zorgt voor adaptie (aanpassing) binnen het systeem. Het systeem is als het ware op zoek naar naar een nieuwe staat (homeostase).
Dynamische context: door de continue interacties en aanpassing van het systeem aan veranderingen, beweegt een systeem mee met veranderende omstandigheden.
Feedbackloops: factoren in een systeem beïnvloeden het gedrag en het gedrag beïnvloedt de factoren.
Niet-lineair: Als gevolg van de interacties tussen de factoren in een systeem reageren systemen verschillend op dezelfde input (bijvoorbeeld: een interventie heeft een ander effect op twee unieke scholen).
Positieve feedbackloop (Lechner et al)
Betekent dat een toename van de ene factor leidt tot een verandering in de andere factor de eerste (oorspronkelijke) factor nog verder toeneemt.
Negatieve feedbackloop (Lechner et al)
Betekent dat een toename in de ene factor leidt tot een verandering in de andere factor waardoor de eerste (oorspronkelijke) factor afneemt.
(Dave van Kann) omschrijft type omgeving die invloed op het beweeggedrag bij kinderen
Fysieke omgeving: (dat wat beschikbaar is in de omgeving) → hoeveel ruimte thuis, een tuin, speelfaciliteiten thuis of op school of in de wijk.
Sociale omgeving: (dat wat andere doen en/of belangrijk vinden) → ondersteuning van ouders, gedrag van docenten, sociale interactie tussen leeftijdsgenootjes.
Politieke omgeving: (beleid, wetgeving en regels rondom gedrag) → regels van ouders, opa en oma, school en kinderopvang.
Volgens van Kann is beweeggedrag van kinderen complex om 3 redenen
1) Kinderen hebben te maken met verschillende Micro-systemen waarin ze opgroeien (thuis, opa en oma, kinderopvang, vriendjes en vriendinnetjes).
2) Verschillen tussen settings maakt het moeilijk om gezonde gedragspatronen in te slijpen.
3) Er is interactie tussen de verschillende type omgevingen, maar ook tussen de verschillende Micro-systemen
Obesogene omgeving
Een omgeving met kenmerken die gerelateerd zijn aan overgewicht en obesitas, die mensen stimuleert om te veel en ongezond te eten en te weinig te bewegen.
Kritieken BMI
De standaard afkapwaarde >25 (overgewicht) en >30 (obesitas) zijn niet voor alle bevolkingsgroepen en mensen van toepassing. (bijvoorbeeld: bij erg kleine of lange mensen, veel spiermassa, zwangere vrouwen, borstvoeding, Aziatische achtergrond of ouder dan 69).
Welke indicator wordt aanvullend op de BMI gebruikt?
Wordt ook de middelomtrek als indicator gebruikt. Vooral buikvet is een risicofactor voor diabetes type-2 en hart & vaatziekte.
Gezondheidsrisico’s van overgewicht/obesitas
Diabetes type-2
Hoge bloeddruk, hart- & vaatziekte
Metabolsyndroom
Verschillende vormen van kanker
Galsteen
Niet alcoholische leververvetting
Psychologische klachten
Gewrichtsontstekingen en- slijtage
Ademhalingsproblemen, waaronder kortademigheid en slaapapneu
Menstruatie stoornissen
Vruchtbaarheidsproblemen
Bij ouderen: meer kans op mobiliteitsbeperking en beperkingen in het dagelijks functioneren
Obesitas per werelddeel en land
Hoog (>30%): Noord en Zuid-Amerika, Europa en Midden-Oosten.
Midden (ongv. 20%): Afrika (grote verschillen → Zuid-Afrika 50% van de vrouwen vs Ethiopië 11%).
Laag (9-10%): Zuidoost-Azie, Western pacific
Doubele burden of malnutrition (lage/middeninkomenslanden)
Definitie: overvoeden en ondervoeding komen tegelijkertijd voor op 3 niveaus:
Individu: overgewicht en vitamines tekort.
Huishouden: bijv. moeder met overgewicht en kind met ondervoeding.
Bevolking: beide groepen sterk aanwezig in dezelfde samenleving.
Verklarende factoren voor over/ondervoeding (wereldwijd)
Economie en transport: welvarende landen vaker auto; armere landen vaker lopen of fiets.
Schoonheidsidealen: Stille oceaan (dik=mooi) vs andere landen (dun=mooi/ideaal).
Voedselimport: afhankelijke landen importeren veel bewerkt/goedkoop eten, omdat vers eten gekoeld moet worden en te duur is.
Verdeling overgewicht Nederland
Hoog: Zuid-Limburg, Drenthe-Flevoland en West-Brabant.
Laag: Utrecht, AMsterdam en Nijmegen
Verklaring:
Leeftijd: Overgewicht stijgt met leeftijd (Zuid-Limburg en Drenthe wonen meer ouderen).
Opleiding: Utrecht en Amsterdam hebben meer hoogopgeleiden
(NOS video) - Oorzaken/determinanten voor obesitas
Genetische aanleg
Eet cultuur
Slaaptekort
Darmflora
Stress
Medicijngebruik
Crashdieet
Bruin vetweefsel
(Voedingscentrum) - Noemt de volgende redenen die kunnen bijdragen aan obesitas/overgewicht.
Meer eten en drinken dan een persoon nodig heeft
Eten terwijl afgeleid
Minder bewegen en sporten
Grote veranderingen in het leven die impact hebben op hoeveel iemand eet of beweegt.
Stoppen met roken
Terugkomen op gewicht na zwangerschap
Tekort aan slapen en/of slechte slaapkwaliteit
Chronische stress
Medicatie die invloed heeft op het gewicht
Mentale problemen
Genetische aanleg
Er zijn nog vele andere factoren die kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van overgewicht/obesitas:
Emotioneel eten
Gebrek aan kennis over gezond eten
Chronische vermoeidheid waardoor iemand niet of minder kan sporten/bewegen
Fysieke beperkingen waardoor iemand moelijker kan sporten/bewegen
Stigma op overgewicht
Ruime beschikbaarheid van ultra bewerkt voedsel
Drugsgebruik
Voedsel marketing
Poeleman et al (2021) gebruikte 3 maten om voedselomgeving te karakteriseren
Food Enviroment Healthiness Index (FEHI) → alle voedselverkooppunten in de omgeving van een deelnemer (in een straal van 500 of 1000 meter van diens huis) kregen een score wat betreft gezondheid en werden opgeteld (hoge score = gezond) (lage score = ongezond)
Food Enviroment Diversity Index (FEDI) → Deze index meet de variatie/diversiteit aan voedselwinkels in de directe woonomgeving (500-1000m)die gezond of ongezond voedsel aanbieden.
Fast-food Density → Het aantal fastfood verkooppunten binnen een straal van 500 of 1000m rondom het huis van een deelnemer
De belangrijkste bevindingen van Poelemans onderzoek
Over het algemeen hadden mensen Niet-Nederlandse afkomst een mindergezonde voedselomgeving dan mensen met een Nederlandse afkomst (FEHI score). En waren er bij deze mensen in de omgeving meer winkels die Niet-basisvoedingsmiddelen verkochten dan bij mensen met een Nederlandse afkomst. Tot slot waren er ook meer fastfoodverkooppunten in de omgeving van mensen met een Niet-Nederlandse afkomst ten opzichte van Nederlandse afkomst.
Interessante uitkomst: ondanks de hogere toegang tot ongezonde voedselaanbieders in de woonomgeving van Niet-Nederlandse afkomst, was er geen verschil in het eetpatroon tussen de 2 groepen
Verklaringen:
Verschil in gebruik van omgeving - groepen gaan mogelijk anders om met dezelfde voedselomgeving door specifieke barrières (budget OV) en keuzes (religie).
Sociale normen: cultuur en groepsnormen bepalen hoe men naar voedsel kijkt en er mee omgaat.
Voedselkosten: wegen voor de ene groep zwaarder dan voor de ander.
Built environment
Omvat alle gebouwen, ruimtes en producten die door de mensen zijn aangepast of gebouwd. → Het heeft een grote invloed op hoeveel mensen bewegen en hoeveel en wat ze eten en dus ook op overgewicht en obesitas.
Pontin et al benoemen maten van Built environment
Gemengde gebruik van grond (bijv. woonhuizen, kantoren, winkels en parken/groen).
Verbinding van straten (in hoeverre punten met elkaar verbonden zijn door straten/wegen en er alternatieven routes zijn).
Bereikbaarheid (hoe goed zijn verschillende faciliteiten bereikbaar).
Dichtheid/activiteit binnen een specifiek gebied (aantal huizen of bewoners per km2)
Hoe veilig is de bebouwde omgeving (bijv. aparte fietspaden/trottoirs en fietspaden)
Hoe mooi is de buurt (is de buitenomgeving aantrekkelijk, is er graffiti aanwezig?)
In welke maten zijn er parken/bossen/rivieren (green/blue space)
Transportvoorzieningen (OV mogelijkheden in de buurt)
Yen et al (2021) De positieve effecten van fysieke activiteit in een groen/blauwe omgeving
Mensen lijken langer, vaker en intensiever te bewegen
Het verhoogt motivatie
Mensen voelen zicht minder uitgeput of vermoeid tijdens de fysieke activiteit
Mensen ervaren meer energie, onafhankelijkheid, competentie en hebben het idee dat ze ontsnappen aan het dagelijkse leven
Hun gemoedtoestand, aandacht, geluk, emoties en zelfvertrouwen verbeteren zich
Stress en angst neemt af
Verklaring: De visuele herkenning van de kleur groen/blauw en de connectie met de natuur kunnen deze positieve effecten verklaren.
(Gubbels et al, 2014) benoemen dat omgeving vooral belangrijk is voor kinderen voor 3 redenen
1) Het gedrag van kinderen is grotendeels cognitief onberedeneerd, ongepland en omgevingsgestuurd, waardoor traditionele gedragsverklaringsmodellen meestal ongeschikt zijn.
2) De variëteit en complexiteit van de omgevingen neemt toe in de loop van het leven. De toepassing op het gedrag van kinderen moet dus gezien worden als een startpunt, dat de extrahering naar andere omgevingen, leeftijd en gedragingen mogelijk maakt.
3) Energie-balansgerelateerde gedragingen (EBRB-gewoonte) worden vaak op jonge leeftijd gevormd en worden de rest van het leven vastgehouden, waardoor het essentieel is om EBRB’s op jonge leeftijd aan te leren.
Kenmerken van een gezonde omgeving
Omgeving kan ondersteunen in het maken van gezonde keuzes
Biedt een goede toegang tot voorzieningen
Nodigt uit tot een gezonde leefstijl (wandelen, spelen, ontspannen en sporten)
nodigt uit elkaar te ontmoeten, samen te ontspannen en te recreëren
Is schoon onbeschadigd en fysiek veilig
Is toegankelijk voor alle gebruikers
Welke kenmerken bevat een gezonde omgeving als je specifiek kijkt naar mentale gezondheid?
De omgeving is veilig: psychologische veiligheid (goed verlichte fietspaden, ontbreken van graffiti of geen afval op straat) stimuleert mensen naar buiten te gaan. Een onveilige omgeving kan stress verhogend werken.
Er is sociale cohesie: sociale verbinding kan gezondheid ondersteunen door bijv. eenzaamheid tegen te gaan (ontmoetingsplekken creëren en activiteiten organiseren).
De omgeving is aantrekkelijk en groen: een groene omgeving draagt bij aan mentaal welbevinden en de mentale gezondheid.
Er is een gezonde thuisomgeving: goede huisvesting is belangrijk voor de mentale gezondheid. Een ongezond huis (te klein en vochtig) en/of bestaansonzekerheid zijn een bron van stress wat een groot effect heeft op de mentale gezondheid.
De leefplekmeter
Door het invullen van de leefplekmeter wordt in een oogopslag duidelijk waar de krachten en waar de kansen van een buurt, wijk of dorp liggen. De leefplekmeter is een instrument om met bijvoorbeeld bewoners in gesprek te gaan over hoe zij hun leefplek ervaren, qua: mobiliteit; inrichting en voorzieningen; mensen, percepties en cultuur; eigenaarschap en onderhoud.
Hiermee kunnen prioriteiten worden gesteld over hoe een leefplek er uit moet komen te zien of welke aanpassingen er aan een leefplek doorgevoerd moeten worden.
Herstel (restoration)
De vernieuwing en terugwinning van adaptieve hulpbronnen of capaciteiten die zijn uitgeput door de eisen van het dagelijkse leve.
Herstellende omgeving
Wordt gedefinieerd als een omgeving die door kenmerken herstel mogelijk maakt en bevordert.
Natuurlijke omgevingen hebben visuele kenmerken waardoor zij herstel bevorderen in tegenstelling tot een stedelijke omgeving.
Roger Ulrich - Stressreductie Theorie (SRT)
Neemt aan dat uitputting ontstaat door stress op een dreigende situatie. De theorie is gebaseerd op de aanname, dat de primaire reactie van een individu op de omgeving. Een automatische emotionele reactie uitlokt binnen in een fractie van een seconde (affectieve reactie) gebaseerd op de visuele aspecten van een omgeving.
Een herstellend omgeving zorgt voornamelijk voor onbewuste positieve emoties, waaronder andere negatieve gedachten worden geblokkeerd en er fysiologische herstel kan optreden.
Kaplan en Kaplan - De aandacht-herstel Theorie (ART)
Focust op gerichte aandacht dat moet worden hersteld. Gerichte aandacht raakt op wanneer het langdurig inzet wordt. Deze is nodig voor taken die aandacht en concentratie vragen om te volbrengen, zoals studeren of werken.
In tegenstelling tot de SRT benadrukt ART het cognitief mechanisme in plaats van een meer affectieve reactie.
Een natuurlijke omgeving kan helpen bij het herstellen van gerichte aandacht. De ART beschrijft 4 kenmerken van een herstellende omgeving
Fascinatie: de natuur trekt automatisch je aandacht zonder dat het moeite kost.
Betrokkenheid (being away): Je voelt je los van je dagelijkse verplichtingen.
Uitgestrektheid: de omgeving voelt als een samenhangend geheel en geeft je het gevoel dat je erin op kunt gaan.
Compatibiliteit: de omgeving past bij je wat je nodig hebt om te ontspannen
De meest gangbare omgevingen voor herstellend vermogen zijn (Collado et al, 2017)
Woonomgeving: het herstellend vermogen in deze omgeving hangt sterk af van de toegang tot natuurlijke elementen in de woonomgeving. Dit is bijv. ook gerelateerd aan de mensen meer actief zijn in een groene omgeving.
Werkomgeving: dat zicht op de natuur, bijv. uit een raam of door planten in een kantooromgeving, of afbeeldingen van natuur in het kantoor kunnen helpen in het herstellend vermogen van de werkomgeving.
Schoolomgeving: natuurlijke elementen op het schoolplein of in de buurt van de school kunnen ondersteunen in de fysieke gezondheid van kinderen. Op een natuurlijk schoolplein zijn kinderen meer fysiek actief, halen er mentale voordelen uit, presteren beter op school en hebben minder problematisch gedrag.
Zorgomgeving: kunnen natuurlijke elementen helpen om minder stress en angst te ervaren in een vaak onzekere of stressvolle situatie. Natuurlijke elementen kunnen helpen om met pijn om te gaan, en kunnen bijdragen aan hoe bezoekers de instelling waarderen.
Green exercise (bewegen in de natuur)
Bewegen op zich zelf is goed voor de gezondheid en mentale welzijn, en door in de natuur te bewegen kunnen deze effecten worden versterkt.
Bewegen in de natuur heeft een sterker effect op de fysieke en mentale gezondheid dan bewegen in de bebouwde kom of binnen omgeving.
Verklaringen: in een natuurlijke omgeving kost bewegen minder moeite en is het daardoor makkelijker vol te houden, de aandacht wordt verlegt van de inspanning naar de natuurlijke omgeving, en de natuurlijke omgeving is altijd beschikbaar en heeft daardoor minder praktische barrières.
Gezondheidsverschillen
Zijn oneerlijke en vermijdbare verschillen in levensverwachting en gezondheid, afhankelijke van iemands positie in de maatschappij (SEP). Wordt bepaald op basis van opleidingsniveau, inkomen en positie op de arbeidsmarkt
Er zit verschil in het voorkomen (prevalentie) van aandoeningen tussen mensen in een lage SEP en hoge SEP
Mensen met een lage SEP hebben vaker diabetes, een hartinfarct, COPD, chronische stress, angst, depressie en obesitas. Ook perintale sterfte (miskraam).
Ook risicofactoren zijn oneerlijk verdeeld. Ongunstige leefstijlfactoren, zoals roken komen vaker voor, vaker sprake van psychische klachten, laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheden
Gezondheidsongelijkheid
Geeft weer dat er gezondheidsverschillen zijn zonder dat er een waarde aan wordt gehecht. Er is bijv. gezondheidsongelijkheid tussen rokers en niet-rokers, mede door hun eigen keuzes.
Gezondheidsongelijkwaardigheid
Is het verhoogd risico op bijv. hart -en vaatziekte of diabetes dat mensen hebben die in een laag-inkomenswijk wonen, door bijv. het gebrek aan mogelijkheden tot bewegen (geen parken of speeltuinen), of het verhoogde aanbod van ongezonde voeding in de wijken.
Bij rijkere wijken daarentegen zijn voorzieningen voor een gezonde leefstijl (meestal) wel aanwezig.
Hoe moeten sociaaleconomische gezondheidsverschillen aangepakt worden? (Pharos)
Zoals Pharos omschrijft, vraagt de aanpak van gezondheidsverschillen om een brede benadering en niet alleen binnen het volksgezondheidsdomein. De aanpak moet domein overstijgend zijn en ook bijv. armoede, huisvesting, onderwijs, werk en ruimtelijke ordening omvatten.
Het Pharos rapport onderscheidt drie factoren in de leefomgeving die invloed hebben op gezondheidsverschillen
Sociale factoren: populatiesamenstelling, sociale veiligheid, omgevingsgeluid en criminaliteit
Voorzieningen in de omgeving: zorg, veilige infrastructuur, sport/speel/ontmoetingsplekken en groen, natuur en water.
Schadelijke factoren: luchtvervuiling, binnenmilieu (lood, schimmels in huis) en temperatuur
Deze factoren beïnvloeden het gezondheidsgedrag en de mate van stress die iemand ervaart, wat weer gerelateerd is aan de fysieke en mentale gezondheid. Mensen die in een ongunstige leefomgeving wonen hebben hierdoor hogere risico’s op aandoeningen, en ontstaan gezondheidsverschillen.
Direct effect op gezondheidsverschillen
Wanneer een factor in de leefomgeving een direct invloed heeft op de gezondheid en vaker voorkomt in minder welvarende wijken.
Minder welvarende wijken liggen vaker dicht bij industrie of snelwegen met als gevolg meer fijnstof.
Woningen hebben vaak een ongezond binnenklimaat door bijv. vocht of slechte temperatuurregulatie.
Deze vervuiling van de leefomgeving kan direct leiden tot gezondheidsproblemen zoals astma bij kinderen.
Indirect effect op gezondheidsverschillen
Wanner de gezondheid niet direct maar via andere factoren wordt beïnvloedt
1) Via leefstijl en voorzieningen:
De leefomgeving kan gezond gedrag stimuleren of juist bemoeilijken
In minder welvarende wijken zijn er vaak minder of minder kwalitatieve voorzieningen (groenvoorzieningen, sportveldje, sportmogelijkheden, etc)
Veiligheid van de omgeving (een onveilige wijk kan mensen ervan weerhouden om buiten te bewegen)
Groenvoorzieningen: minder groen of minder kwalitatief groen in lage SES wijken
2) Via stress:
De leefomgeving kan een bron van langdurige stress zijn
Langdurige stress kan leiden tot een overbelasting van het stress-systeem (Allostatische overbelasting), wat gevolgen heeft voor de lichamelijke en mentale gezondheid met een verhoogd risico op: Hart- en vaatziekte, diabetes, astma, gewrichtsontstekingen. obesitas, angst, depressie en Burn-out
- Bij mensen met een lage SEP is vaak sprake van een stapeling van meerdere stressfactoren in de leefomgeving
- Zij hebben soms ook mindere mogelijkheden om met deze stressfactoren om te gaan.
De schijft van vijf
Is een richtlijn voor een gezonde voedingspatroon. Een voedingspatroon volgens de schijf van 5 kan ziektes als diabetes type-2, hart- en vaatziekte en kanker voorkomen, en helpt gezond/duurzame voedingskeuzen te maken.
Mediterraans dieet
Het traditionele Mediterrane dieet bestaat uit voornamelijk plantaardige producten (fruit, groente, brood, noten en zaden), minimaal bewerkte seizoens en verse producten. Voornamelijk olfijfolie als bron van vetten, gematigde consumptie van gevogelte en vis, weinig rood vlees en gematigde consumptie van rode wijn bij de maaltijd.
Het draait om de combinatie van de voedselproducten wat het zo gezond maakt
Het minst duurzame in het mediterraanse dieet is: consumptie van vis en zeevruchten
Wat zijn en wat wordt bedoeld met de basisbehoeften uit de Zelf-determinatie Theorie? (Vollink, 2018))
Autonomie: wordt omschreven als het gevoel dat je eigenaar bent van je eigen gedragskeuzes
Competentie: wordt omschreven als het gevoel hebben om in staat te zijn een bepaalde uitkomst te bereiken en het gewenste gedrag uit te voeren
Verbondenheid (relatedness): wordt omschreven als door andere gerespecteerd en begrepen worden en voor andere zorgen.
Deze factoren leiden tot het volhouden van het gezondheidsgedrag.
Iemand die autonoom tot een bepaalde keuze komt is meer gemotiveerd
Iemand die zich meer competent voel om het gewenste gedrag uit te voeren (hangt nauw samen met eigen effectiviteit), kan in moeilijke situaties naar oplossingen zoeken en toch volhouden in het gewenste gedrag
Verbondenheid zorgt ervoor dat iemand zich gesteund voelt door de omgeving om het gewenste gedrag uit te voeren.
Wat kan een gezondheidspsycholoog doen om bij te dragen aan het bevorderen van een autonome gedragsverandering, verhogen van competentie en het versterken van de verbondenheid?
Motiverende Gespreksvoering toepassen (MG), vaardigheden verkennen en aanleren om de competentie te versterken en gebruik maken van de sociale omgeving van de client om het gewenste gedrag te ondersteunen.
Op basis van 2 mechanisme kan sociale verbondenheid de gezondheid van mensen bevorderen en leiden tot een gezonde gedragskeuze (Vollink, 2018)
1) Interactie met vrienden en familie op een manier die voldoening geeft behoort tot onze basisbehoefte (Zelf-determinatie Theorie), wat betekent dat we intrinsiek gemotiveerd zijn om moeite en tijd te investeren in sociale relaties.
2) Door een hoge mate van sociale verbondenheid met een groep, kunnen bepaalde normen en waarde en gedragskeuzes gaan behoren tot onze persoonlijke identiteit.
Binnen de Self Determination Theory (SDT), wordt gesproken over Controled Motivation
Komt tot stand als iemand wordt verleid, gedwongen of onder druk wordt gezet om bepaald gedrag uit te voeren. Dit wordt gedaan door het voorkomen van potentiële negatieve consequenties of door hoge beloningen (carrot on a stick)
Kan worden toegepast door iemand ervan te overtuigen dat meer bewegen leidt tot een beter gezondheid en door aan de geven way de risico’s zijn van een ongezonde leefstijl met weinig beweging.
Binnen de Self Determination Theory (SDT), wordt gesproken over Autonomous Motivation
Komt voort uit persoonlijke interesses of plezier of omdat het gedrag overeenkomt met bepaalde overtuigingen/waarden die voor een persoon leidend zijn bij het maken van keuzes.
Autonomous Motivation kan worden gebruikt door via motiverende gespreksvoering te zoeken naar de intrinsieke motivatie van iemand.
Autonomous Motivation hangt positief samen met verhoogde creativiteit, wat leidt tot een sterker probleemoplossend vermogen.
Wat is de bijdrage van de Social Identity Theory en de Self Categorisation Theory, waarmee gezondheidspsychologen de gezondheid kunnen bevorderen (Jetten et al, 2014)
De Theorien bieden principes en mechanisme die kunnen helpen om beter te bergijpen hoe, waarom en waneer sociale verbondenheid invloed heeft op welzijn en gezondheid. De theorie biedt een raamwerk dat verder kijkt dan alleen het vaststellen van een relatie tussen sociale verbondenheid enerzijds en welzijn en gezondheid anderzijds.
Ten tweede wordt genoemd dat inzicht in de mechanisme van sociale verbondenheid mogelijkheden biedt voor gezondheidspsychologen om mensen te helpen beter gebruik te maken van hun sociale omgeving.
The social identity approach (Jetten et al, 2014)
Bevat de Social Identity Theory en de Self-Categorization Theory
(Jetten et al, 2014) beschrijven 5 concepten binnen de Social Identity Theory
Social connectednes: het aantal en de kwaliteit van de relaties van een individu.
Social networks: de manier waarop de sociale connecties zijn verbonden.
Social integration: participatie in een brede range van sociale relaties met zowel een gedragscomponent als een cognitief component.
Sociale isolatie: beperkte participatie in of het afwezig zijn van betekenisvolle relatie.
Sociale support: de sociale steun van relaties in het netwerk van een individu, als mensen van je houden, om je geven en er voor je zijn in tijden van nood.
Relatedness van de SDT kom het meeste overeen met Social support
Verbondenheid met een groep kan ook negatieve gevolgen hebben voor iemands gezondheid (Jetten et al, 2017)
De sociale identiteit wordt ontleend aan een groep die wordt gestigmatiseerd of een lage status heeft
Een groep waaraan je je sociale identiteit ontleent heeft ongezonde normen
Een groep biedt geen sociale ondersteuning als je dat nodig hebt
De groep slaagt er niet in om bepaalde eigenschappen of kwaliteiten van hun eigen groepsleden positief te beoordelen ten opzichte van andere groepen
Een individu uit een minderheidsgroep verlaat de groep en vertrekt naar een hogere- statusgroep die hem/haar niet of niet volledig accepteert.
Er worden 4 psychologische bronnen (resources) verkregen als een persoon zich identificeert met een groep (=sociale identiteit) (Jetten et al, 2017)
1) Social connection: het gevoel dat je je sterk verbonden voelt met andere groepsleden
2) Samenwerken aan specifieke collectieve uitkomsten (doel en gemeenschappelijke focus)
3) Het geven en krijgen van social support van de groepsleden (een belangrijke waarde voor identificatie met een groep)
4) Het delen van een sociale identiteit door lidmaatschap van een groep
Nudgin
Is een simpele, doelbewuste en transparante aanpassing in de keuzeachtitectuur die gewenst gedrag beïnvloedt door in te spelen op de heuristische manier waarop mensen keuzes maken zonder alternatieve keuzes onmogelijk te maken.
Bij Nudging zijn 4 aspecten belangrijk
Simpele aanpassingen aan de keuzearchitectuur: het plaatsen van (ongezonde) snacks op ooghoogte bij de kassa in de supermarkt.
Gewenst gedrag: Hierbij gaat het meestal om het benadrukken van het gewenste gedrag voor het individu of de samenleving
Heuristische basis voor keuzes: heuristieken zijn vuistregels die mensen gebruiken om efficiënt en snel keuzes te kunnen maken (voedseletiketten met opvallende kleuren om gezonde keuzes te benadrukken)
Behoud van keuzevrijheid: een nudge zorgt ervoor dat de gewenste keuze de makkelijkste keuze wordt, maar dat er ook nog steeds gekozen kan worden voor het alternatief.
Kritieken op de Nutri-score
Sommige voedselproducenten vinden de Nutri-score misleidend
De Nutri-score kan verwarrend omdat scores enkel binnen een productgroep vergeleken worden. Een gezond product kan daardoor soms een slechtere Nutri-score krijgen dan een ongezond product. Ook kan het binnen een groep ongezonde producten lijken alsof je een gezonde keuze maakt.
Voedingswetenschapper denken dat producten aangepast worden zodat ze een beter Nutri-score krijgen, terwijl ze in de praktijk niet gezonder zijn geworden.
De consument leert zo nog niet meer over wat gezonde voeding is.
(Brug et al, 2022) beschrijven 5 kenmerken die een interventie complex maken (complexe interventie)
1) Het aantal interventiecomponenten (en de interacties daartussen)
2) Het aantal en de complexiteit van gedragingen (van actoren)
3) Het aantal groepen/organisatie niveaus (waarop de interventie gericht is)
4) Het aantal en de variabiliteit van de uitkomsten die de interventie beoogt te behalen
5) De mate van flexibiliteit van de interventie en eventuele mogelijkheden om deze aan te passen aan de situatie of setting
Interventies waarin de omgeving wordt meegenomen zijn al snel complex omdat je aan bovenstaande kenmerken gaat voldoen.
Wat is de Smokefree Challenge?
Bij deze interventie werd een klassikaal niet-roken wedstrijd gestart. Hierbij werd in deelnemende klassen de afspraak gemaakt om een halfjaar niet te roken. Dit werd gedaan om het starten van roken minimaal een halfjaar uit te stellen bij kinderen in de brugklas. Daarnaast richtte de interventie zich erop om de niet-roken norm zo lang mogelijk vast te houden.
Wat is de SMART-size interventie?
Is ontworpen om eet/beweeggedrag van mensen met overgewicht/obesitas te verbeteren. De interventie richtte zich niet alleen op mensen met overgewicht en obesitas maar ook op mensen met minder gezondheidsvaardigheden.
De interventie leren deelnemers adequate porties te consumeren en om daarbij om te gaan met invloeden vanuit de omgeving. Ook besteedde het aandacht aan het verbeteren van het beweeggedrag door een plan te maken om meer te bewegen.
De interventie duurde 24 weken en had in die periode als doel 5% gewicht te verliezen
Effectevaluatie
Daarmee onderzoek je of de interventie werkt en de effecten ervan. Bijv. of het doel(en) van de interventie behaald is. Bij deze effectevaluatie kan gebruik worden gemaakt van een Randomised Controlled Trial (RCT).
→ Het is niet altijd mogelijk om een RCT uit te voeren omdat het niet ethisch verantwoord is of niet haalbaar. Denk aan experimenten met medicatie
Procesevaluatie
Hierbij onderzoek je de uitvoering (implementatie) van een interventie. Je kunt hierbij kijken naar verschillende zaken, zoals: is de interventie uitgevoerd zoals bedoeld of zijn er dingen aangepast, wat is het bereik van de interventie? Hoe beoordelen deelnemers de interventie?
→ Een procesevaluatie geeft waardevolle inzichten voor toekomstig onderzoek of interventie ontwikkeling.
Quasi-experimenteel design
Lijkt op een RCT. Is ook bedoeld om oorzaak gevolg relatie te onderzoeken (effectevaluatie). Een belangrijk verschil is dat bij een quasi-experimenteel design deelnemers niet willekeurig worden toegewezen aan een groep, ten opzichte van een RCT.
Dit betekent dat andere niet-interventie factoren de resultaten kunnen beïnvloeden
(Brug et al, 2022) Benoemt 3 belangrijke redenen om te evalueren
1) Leren voor de toekomst: het gaat er hierbij om dat je zo kunt leren welke interventies wel of niet effectief zijn. In welke omstandigheden of welke context is de interventie effectief en hoe kan de interventie effectiever gemaakt worden.
2) Verantwoording: een interventie kost tijd en geld en evaluatieonderzoek kan aantonen of deze middelen nuttig zijn ingezet.
3) Theorievorming: heeft betrekking op het verder ontwikkelen van de interventie theorie. Het gaat dus om het verkrijgen van kennis over interventies.
De Keigaaf-interventie (Verjans-Janssen et al, 2018)
Helpt kinderen gezonder te worden door meer te bewegen en gezonder te eten. Het verbetert hun BMI en lichamelijke activiteit.
Scholen die een uitgebrijde aanpak gebruikten om beweging te bevorderen zagen de grootste verbeteringen in BMI en lichamelijke activiteit. Vooral scholen met kwetsbare groepen slaagden erin.
→ Onderzoekers geven aan dat het belangrijk is, om een langdurige op maat gemaakte aanpak te implementeren. Dit bevordert de gezondheid van kinderen door een gezond gewicht te behouden en lichamelijke activiteit te stimuleren, maar ook te voorkomen dat kinderen teveel zitten tijdens een schooldag.
Child Health Initiative for Lifelong Eating and Exercise (CHILE)
De interventie is op basis van ecologische modellen ontwikkeld. De interventie richt zich op factoren op meerdere niveaus, zoals intrapersoonlijke factoren (door het curriculum), interpersoonlijke factoren (door docentprofessionalisering) en organisatorische factoren (voedselvoorziening in de organisatie).
Verder richt de interventie zich op meerdere typen omgeving. De fysieke omgeving wordt aangepast (beschikbaarheid van groente en fruitproducten uit het programma, maar ook in de supermarkt duidelijke herkenbaarheid van de producten). De sociale omgeving wordt aangepast, door de docentprofessionalisering maar ook met het betrekken van de ouders en gezondheidsprofessionals. De politieke omgeving wordt aangepast door beleid te ontwikkelen binnen de voedselvoorziening in de organisatie.
CHILE bestaat uit zes componenten die op verschillende niveaus aandacht geven aan voeding en beweging. Deze activiteiten zijn:
een voedings- en bewegingscurriculum: bestaande uit voedings- en bewegingslessen, gericht op het leren kennen van nieuwe producten en integreren van voldoende beweegmomenten gedurende de dag.
docentprofessionalisering: gericht op het vergroten van kennis, vaardigheden en eigen-effectiviteit van de staf die aan de slag ging met de interventie. Zowel gericht op interventie-inhoud als op uitvoer van de interventie.
aanbevelingen voor de voedselvoorzieningen: de voedselvoorziening op school werd aangepast aan de voedingslessen en beleid werd opgesteld om de voedselvoorziening gezonder te maken.
ouderbetrokkenheid: dit bestond uit twee aspecten, namelijk materialen die mee naar huis werden genomen en evenementen voor de hele familie.
deelname van lokale supermarkten: producten die in het curriculum aan bod kwamen, kregen in de supermarkt een CHILE-sticker, verder was er een CHILE-schap met recepten e.d.
betrokkenheid van lokale gezondheidsprofessionals: verschillende gezondheidsprofessionals werden gestimuleerd om CHILE te promoten in hun dagelijkse praktijk.