1/35
Looks like no tags are added yet.
sparen
het niet uitgeven van een deel van je inkomen
rente
een vergoeding voor het uitlenen van je geld
inflatie
een stijging van het algemene prijspeil
koopkracht
hoeveel goederen en diensten je kunt kopen met je inkomen
rendement
de opbrengst van het ingelegde bedrag
beleggingsrekening
een populaire manier om een hoger rendement te krijgen, hier kunnen mensen hun spaarbedrag omzetten in beleggingen zoals aandelen van bedrijven
hypotheeklening
een lening met een huis als onderpand. de bank mag het huis verkopen als mensen de rente niet meer kunnen betalen
persoonlijke lening
bestemd voor consumptieve uitgaven en wordt terugbetaald via een maandelijks vast bedrag dat zowel rente als aflossing bevat
kopen op afbetaling
het product direct krijgen maar over periodes een vast bedrag betalen
doorlopend krediet
bij een doorlopend krediet mag je naar eigen behoefte tot een bepaald afgesproken maximumbedrag lenen.
rood staan
als je een negatief saldo op je bankrekening hebt
balans
laat zien hoe een bedrijf aan geld is gekomen en wat dat bedrijf met dat geld heeft gedaan
creditzijde
de rechterkant van de balans, hier staat hoe het geld verkregen is
eigen vermogen
eigen geld
vreemd vermogen
leningen
debetzijde
de linkerkant van het balans, hier staat er wat er met het geld is gedaan
vaste activa
een bezitting die langer dan één jaar mee gaat
vlottende activa
voorraad die meteen in geld word omgezet
liquide activa
geld in de kas en geld op de betaalrekening
voorraadgrootheid
een voorraadgrootheid wordt gemeten op een bepaald tijdstip
mutatiebalans
geeft weer welke balansposten met welk bedrag toe of afnemen
crediteuren
leveranciers die nog betaald moeten worden ( staat bij de creditkant)
debiteuren
klanten die nog geld moeten betalen
resultatenrekening
een overzicht van alle kosten en opbrengsten in een bepaalde periode
stroomgrootheden
een grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten
omzet
afzet x verkoopprijs
verkoopprijs
de prijs waarvoor een product wordt verkocht
afzet
aantal stuks dat verkocht word
inkoopwaarde
afzet x inkoopprijs
inkoopprijs
prijs waarvoor een product ingekocht is
brutowinst
hoeveel winst er is gemaakt : omzet - inkoopwaarde
bedrijfskosten
de kosten die een bedrijf moet betalen om een bedrijf te kunnen zijn
nettowinst
de winst die een bedrijf heeft gemaakt nadat alle kosten ervan af zijn, brutowinst - bedrijfskosten
brutowinstmarge
brutowinst : omzet x 100
nettowinstmarge
nettowinst : omzet x 100
formule voor samengestelde interest
eindwaarde = beginwaarde x ( 1 + i )ⁿ, i = interestperunage ( % : 100), n = aantal periodes