1/71
gezonde cel, verouderende cel, celstructuur, enzymkinetiek en genoomstabiliteit.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
celmembraan
bilaag van twee lagen fosfolipiden met een polaire kop en hydrofobe staart.
glycocalyx
suikerlaagje aan de buitenkant van de cel. belangrijk voor herkenning van bepaalde cellen/stoffen
nucleus
celkern: DNA opslag transcriptie, transport door de kernporiën naar het cytoplasma, bestaat uit tRNA, ribosomen productie
mitochondriën
energiehuishouding, mitochondriale matrix bevat enzymen voor citroenzuurcyclus, mitochondriën heeft eigen DNA en ribosomen, zorgen voor de CA2+ huishouding, regulering van apoptose
endoplasmatisch reticulum
transport stoffen; rer en ser
ruw endoplasmatisch reticulum (rer)
bevat ribosomen, eiwitsynthese
glad endoplasmatisch reticulum (ser)
vervoert de eiwitten van het rer naar het golgi apparaat. opslag calcium, vetzuursynthese en ontgifting
ribosomen
eiwitsynthese
golgi apparaat
transport, vouwing, sortering en secretie van eiwitten
peroxisoom
oxidatieve reacties & afbraakreacties, cholesterolmetabolisme, bevatten uitgekristalliseerde eiwitten
lysosoom
opruimen van afval binnen de cel
primair lysosoom
bevat hoge concentratie aan enzymen
secendair lysosoom
voert afbreking uit
cytoskelet
microfilamenten, intermediaire filamenten en microtubuli
microfilamenten
diverse vormen en functies
intermediaire filamenten
stevigheid en flexibiliteit
microtubuli
celstructuur en transport
autofagie
stukje van jezelf opnemen en dit recyclen
fagocytose
grote delen opnemen
endocytose
vloeistof of kleine deeltjes opnemen
witte bloedcel
leukocyt; beschermt het lichaam tegen virussen, bacteriën, et cetera
osteoclast
cellen die bot afbreken, ontstaat door fusie van meerdere cellen, dus het heeft ook meerdere celkernen.
osteoblast
cellen die bot aanmaken
alfa cel
cellen die glucagon produceren
beta cellen
cellen die insuline aanmaken
erythrocyt
rode bloedcel; bevat geen celkern, wordt gezien met TEM of SEM
skeletspiervezel
zeer veel kernen, kernen liggen perifeer onder het sarcolemma, nodig voor de grote lengte en hoge eiwitproductiecapaciteit.
HGPS
ziekte waarbij sprake van mutatie in het LMNA-gen, waardoor de kernenvelop is ingedeukt. als gevolg is er abnormale eenexpressie.
verouderende cel
korte telomeren, afname DNA-schadeherstel en ophoping DNA-schadeherstel, proteostase neemt af en de mitochondriële functies nemen af.
co-enzymen
organische moleculen die samenwerken met enzymen om chemische reacties te versnellen om mogelijk te maken. vaak vitamines.
inhibitors
zorgt ervoor dat een enzym uit blijft als die niet nodig is en als een enzym toch op de verkeerde plek of tijd heeft gewerkt kan de inhibitor dat herstellen.
reversible inhibitor
bindt aan een enzym, neemt zijn plek in en laat daarna los en het enzym keert weer terug naar originele staat. deze wordt gebruikt niet verbruikt en er zijn geen slechte lange termijn gevolgen voor de inhibitor of enzym
competitieve inhibitor
bindt aan het actieve centrum (waar normaal het substraat bindt) van het enzym, waardoor er geen reactie kan plaats vinden. de Km gaat hierdoor omhoog, de v-max en Kcat veranderen niet. hij is in een soort wedstrijd met het substraat, dus hij neemt elke kans die hij pakken kan.
uncompetitieve inhibitor
bindt aan het enzym-substraat complex en stopt de vorming van het product. het enzym wordt nutteloos. Vmax, Km en Kcat gaan omlaag
noncompetitieve inhibitor
kan aan binden aan het enzym en aan het enzym-substraat complex. Km verandert niet, maar Vmax en Kcat gaat omlaag.
Vmax
de hoogste snelheid die bereikt kan worden.
Km
hoeveelheid substraat die nodig is om de helft van de Vmax te bepalen
Kcat
hoeveelheid substraat die in product veranderd per enzym bij vmax
irreversible inhibitor
bindt aan het enzym onkeerbaar, enzym en inhibitor gaan dood. niet belangrijk
conformatie
structuur
dubbelstrengs DNA
het erfelijke materiaal bestaande uit twee samengebonden strengen van DNA
chromatine
dubbelstrengs DNA dat is ingepakt door histonen
euchromatine
losjes ingepakte chromatiek met actieve genexpressie
heterochromatine
dicht ingepakt chromatine met inactieve genen
chromatinedraad
dit verwijst naar chromatine, wordt vaak gebruikt tijdens de interfase om genetisch materiaal aan te duiden.
chromatide
een van de twee helften van een chromosoom
chromosoom
genetisch materiaal zoals het aanwezig is tijdens de mitose, bestaande uit twee chromatiden.
centrosoom
het uiteinde of nucleatiepunt van de spoelfiguur
centromeer
de bindingsplaat van twee chromatiek in een chromosoom
kinetochoor
eiwitcomplex op het centromeer waar de microtubuli van de spoelfiguur aan binden, wat zorgt voor verdeling van DNA
spoelfiguur
een cytoskeletstructuur die de verdeling van chromosomen regelt tijdens mitose, bestaande uit trekdraden en steundraden
non disjunctie
een ongelijke verdeling van chromosomen tijdens het delen
aneuploïde
een afwijkende hoeveelheid chromosomen in een cel
trisomie
een chromosoom te veel in een cel
mitose
een enkele cel verdeelt zich in twee identieke dochtercellen
interfase
de cel bereidt zich voor op mitose. de cel ondergaat replicatie van DNA en voorbereiding van organellen zoals het centrosoom
profase
chromosomen beginnen zicht te condenseren, de nucleolus verdwijnt en het centrosoom begint zich te splitsen, waarbij de vorming van de spoelfiguur begint. dit is te zien onder de microscoop.
metafase
gecondenseerde chromosomen worden in het midden van de cel uitgelijnd, langs de zogenaamde metafasewig. de spoelfiguur is volledig ontwikkeld en hecht aan de centromeren van de chromosomen.
anafase
de spoelfiguren trekken de zuster chromatiden uit elkaar door de centromeren te splitsten. elk chromatide wordt nu beschouwd als een onafhankelijke chromosoom en beweegt naar tegenovergestelde polen van de cel.
telofase
de chromosomen worden in lange uitgerekte draden van DNA, de nucleolus verschijnt opnieuw en worden twee nieuwe kernen gevormd rond de gescheiden chromatiden
cytokinese
specifiek het verdelen van cytoplasma en andere organellen sudden de dochtercellen. dit gebeurt door een insnoering van de celmembraan
meiose
vindt plaats in geslachtscellen
bivalent
een structuur die ontstaat tijdens de profase 1 van de meiose. wordt gevormd door een homologe chromosomenpaar. bestaat uit vier chromatoiden. stelt de homologe chromosomen in staat om genetisch materiaal uit te wisselen via het proces van crossing over. De X- en Y-chromosomen vormen een special bitalent tijdens de profase 1.
concordant
als een tweeling allebei dezelfde eigenschap hebben. monogent aandoeningen zorgen voor 100% concordantie tussen eeneiige tweelingen.
penetrantie
aantal afwijkende fenotypes dat kan worden vastgesteld bij individuen met een afwijkend genotype.
verminderde/onvolledige penetrantie
wel drager van de ziekte, maar het komt niet tot uiting
volledige penetrantie
alle individuen met een afwijkend genotype vertonen de ziekteverschijnselen
variabele expressie
de hevigheid van symptomen van dezelfde ziekte verschilt per patiënt.
anticipatie
de ziekte zal in elke volgende generatie steeds op een jongere leeftijd optreden en zal ook heftiger verlopen
heritabilieit
het aandeel van erfelijke factoren in het ontstaan van een aandoening
multifactoriële overerving
ontstaat door een combinatie van genetische en omgevingsfactoren. het gaat hier dus om genotype en fenotype.
gameten
geslachtscellen