1/145
Vocabulary list with Dutch terms, grammatical notes, and French translations generated from all source documents.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
persoonlijk
personnellement
plezant
plaisant, agréable
probleem (het)
le problème
rijk
riche, richement
snel
vite
socioloog (de)
le sociologue
stimuleren
stimuler
tennisstage (de)
le stage de tennis
triestig
triste
uitgaan (ging uit, uitgegaan)
sortir
uitkijken naar (keek uit, uitgekeken)
se réjouir de, aspirer à
vaak
souvent
vakantiebaan (de)
le job de vacances
veel
beaucoup
verhogen
augmenter
verlengen
prolonger
verveling (de)
l'ennui
voorbij, (het) is -
c'est fini, c'est terminé.
vriend (de)
l'ami
vrijwilligerswerk (het)
le volontariat
vullen
remplir
zeker
certainement
zelfbeeld (het)
l'image de soi
alles
tout
beetje (het) - een beetje
le peu - un peu
beginnen (begon, begonnen)
commencer
bekijken (bekeek, bekeken)
regarder
bezig - bezig zijn
occupé - être occupé
boek (het)
le livre
buitenland (het)
l'étranger endroit
chronisch
chronique, de façon chronique
computer (de)
l'ordinateur
creativiteit (de)
la créativité
dag (de)
le jour
denken (dacht, gedacht)
penser
ding (het)
la chose
echt
vraiment
eenzaam
solitaire
enkel - geen enkel
unique - aucun
enkele
quelques
erg
grave, très
gelukkig
heureusement
genoeg, ik heb er genoeg van
assez - j'en ai assez, j'en ai marre
heel - de hele dag
entier - toute la journée
herfstvakantie (de)
les vacances d'automne
inkorten
raccourcir
irriteren
irriter
jeugdbeweging (de)
le mouvement de jeunesse
knutselen
bricoler
kort
court
krokusvakantie (de)
les vacances de carnaval
laatste
dernier
lang
long
leuk
gai, marrant
leven (het)
la vie
lezen (las, gelezen)
lire
lezer (de)
le lecteur
luieren
paresser, fainéanter
mis - wat is er mis met …?
raté, faux - qu'y a-t-il de mal avec, à… ?
niets
rien
nooit
jamais
omgaan met (ging om, omgegaan)
manier, fréquenter
ondervragen (ondervroeg, ondervraagd)
interroger
onderzoek (het)
l'étude, l'enquête
periode (de)
la période
algemeen, in (het) algemeen
en général
beroepsonderwijs (het)
l'enseignement professionnel
bovendien
de plus
conclusie (de)
la conclusion
elk
chaque
geleden - tien jaar geleden
il y a dix ans
gevoel (het)
le sentiment
gezin (het)
la famille
irritatie (de)
l'irritation
jongeren (de)
les jeunes
keer - tien keer
la fois - dix fois
leeftijd (de)
l'âge
mate (de) - in sterke mate
la mesure - dans une forte mesure
moeilijk
difficile
noodzakelijk
nécessairement
ongelijk
inégalement
ook
également
overheid (de)
l'etat, l'autorité publique
rondhangen (hing rond, rondgehangen)
trainer, trainasser, glander
rondkomen (kwam rond, rondgekomen)
s'en sortir financièrement
samenvallen met (viel samen, samengevallen)
coïncider avec
slechts
seulement, uniquement
sociaal
d'un point de vue social
sterk
fort, fortement
tegenover
par rapport à
terwijl
tandis que
toename (de)
l'augmentation
universiteit (de)
l'université
verdelen
répartir
verduidelijken
préciser
vergeleken met
comparé à
verminderen
diminuer
verschillende
plusieurs
vlaams (de)
flamand
volgen
suivre