Microbiologie kennisclips week 5

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/104

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

105 Terms

1
New cards

Kenmerken celcomunicatie

  1. Cellen kunnen onderling comuniceren

  2. Reageren op de informatie van andere cellen of hun omgeving

  3. Indentieke mechanisme bij verschillende soorten en verschillende processen


2
New cards

Wat zijn signalen?

Chemische verbindingen

3
New cards

De evolutie van celcomunicatie

  1. Comunicatie vind plaats tussen bacterien → Quorum sensing

  2. Eencellige eukaryoten cellen → gist

  3. Meercelligen


4
New cards

3 stappen van cel signalering

  1. Ontvangst door receptor op de cel

  2. Transductie → receptor vorm verandering → signaal doorgeven aan allerei eiwitten binnen de cel

  3. Komt aan bij een molecul dat een bepaald effect kan doen → Respons


5
New cards

Quorum sensing

Genexpressie aanpassen op de populatie grootte

6
New cards

Wat gebeurt er bij een grotere populatie? (Quorum sensing)

Iedere bacterie scheidt continue signaalmolecullen uit → Bij een grote populatie hopen deze snel op in de omgeving → De concentratie van deze signaalstoffen bereiken de drempelwaarde via speciale receptoren → De bacteriën activeren tegelijkertijd specifieke genen. Hierdoor schakelt de hele populatie in één keer over op nieuw groepsgedrag.


7
New cards

Welke rol speelt nutrienten in quorum sensing?

Nutriënten bepalen de noodzaak voor quorum sensing, omdat bacteriën deze communicatie gebruiken om bij voedseltekort gezamenlijk te overleven, gecoördineerd grote voedselbronnen te verteren en concurrenten rondom voedsel te bestrijden.

8
New cards

Celcomunicatie in eencellige eukaryoten. De gist.

  1. Eencellige eukaryoten: Gist (Saccharomyces cerevisiae).

  2. Twee paringstypen: Type A en type Alfa (dezelfde soort, ander geslacht).

  3. Receptie: Ze scheiden paringsfactoren (mating factors) uit van ~12 aminozuren, die binden aan de GPCR-receptoren van het andere paringstype.

  4. Transductie (Nieuw): De receptor activeert een interne MAP-kinase-signaalroute die de celkern stimuleert.

  5. Respons (Nieuw): De cellen stoppen met delen en groeien naar elkaar toe via uitstulpingen (shmoo-vorming).

  6. Fusie: De shmoos ontmoeten elkaar, de celwanden en kernen fuseren (plasmogamie en karyogamie).

  7. Resultaat: Er ontstaat één diploïde cel (met twee sets chromosomen) die zich weer kan delen.


<ol><li><p><span><strong>Eencellige eukaryoten:</strong> Gist (<em>Saccharomyces cerevisiae</em>).</span></p></li><li><p><span><strong>Twee paringstypen:</strong> Type A en type Alfa (dezelfde soort, ander geslacht).</span></p></li><li><p><span><strong>Receptie:</strong> Ze scheiden paringsfactoren (<em>mating factors</em>) uit van ~12 aminozuren, die binden aan de GPCR-receptoren van het <em>andere</em> paringstype.</span></p></li><li><p><span><strong>Transductie (Nieuw):</strong> De receptor activeert een interne MAP-kinase-signaalroute die de celkern stimuleert.</span></p></li><li><p><span><strong>Respons (Nieuw):</strong> De cellen stoppen met delen en groeien naar elkaar toe via uitstulpingen (<strong>shmoo-vorming</strong>).</span></p></li><li><p><span><strong>Fusie:</strong> De <em>shmoos</em> ontmoeten elkaar, de celwanden en kernen fuseren (plasmogamie en karyogamie).</span></p></li><li><p><span><strong>Resultaat:</strong> Er ontstaat één <strong>diploïde cel</strong> (met twee sets chromosomen) die zich weer kan delen.</span></p></li></ol><p></p>
9
New cards

Gistcellen zijn vaak haploide cellen. Kennen mensen in hun levencyclus een haploide levensvorm?

Nee. De geslachtscellen zijn haploid maar kunnen niet zelfstandig leven.

10
New cards

Cel-Cel comunicatie op welke twee manieren kan dit plaats vinden?

  1. Cellen liggen naast elkaar (direct contact

  2. door uischeiden van moleculen (stoffen)


11
New cards

Hoe kan cel-cel comunicatie plaats vinden door direct contact? Op welke manieren? Twee types.

  1. Cel junctions → Speciafiek door gapjunctions of plasmodesmata → stoffen difugeren

  2. Cel-cel herkenning → Molecullen aan het oppervlak van cellen binden aan elkaar → Ene receptor bindt aan het andere receptor → Signaal doorgegeven binnenkant van de cel


12
New cards

Hoe kan cel-cel comunicatie plaats vinden door het uitscheiden van molecullen? Op welke manieren? Twee types.

  1. Lokaal → paracrien en autocrien → Voorbeeld synapsen

  2. Lange afstand → endocrien → hormoon


13
New cards

Paracrien

Paracriene signalering (Dichtbij)

Een cel scheidt signaalmoleculen uit in de vloeistof buiten de cel (extracellulaire vloeistof). Deze moleculen diffunderen naar naburige doelcellen in de directe omgeving.

  • Kenmerk: Het signaal is lokaal en kortstondig omdat de stoffen snel worden afgebroken.

  • Voorbeeld: Groeifactoren die cellen in de buurt stimuleren om te delen en te groeien tijdens wondgenezing.

Komt door uitscheiding van moleculen.

14
New cards

Autocriene signalering

Autocriene signalering (Zichzelf)

Een cel scheidt een signaalstof uit die bindt aan receptoren op zijn eigen celmembraan. De cel praat dus in feite tegen zichzelf.

  • Kenmerk: Wordt vaak gebruikt om een biologisch proces te versterken of de eigen identiteit te behouden.

  • Voorbeeld: Cellen van het immuunsysteem (zoals T-cellen) die stoffen uitscheiden waardoor ze zichzelf activeren om snel te gaan vermenigvuldigen tijdens een infectie.

Komt door uitscheiding van moleculen.

15
New cards

Endocriene signalering

Endocriene signalering is communicatie over lange afstand, waarbij cellen hormonen afscheiden die via de bloedsomloop door het hele lichaam reizen.

  • Afstand: Zeer groot (via het bloedvatenstelsel).

  • Snelheid: Relatief traag (het duurt seconden tot minuten voordat het hormoon via het bloed op de bestemming is, vergeleken met milliseconden bij zenuwen).

  • Duur: Langdurig (het effect houdt vaak minuten, uren of zelfs dagen aan).


16
New cards

Wat zijn de kenmeken van receptoren?

  1. Ontvangst punt van een signaal

  2. Binding signaal molecul (ligand) en receptor is speciafiek

  3. Na ontvangst verandert receptor van conformatie (ruimtelijke vorm) → ook aan de binnenkant → andere dingen kunnen eraan binden

  4. Receptoren bevinden zich meest al in plasmamembraam


<ol><li><p>Ontvangst punt van een signaal</p></li><li><p>Binding signaal molecul (ligand) en receptor is speciafiek</p></li><li><p>Na ontvangst verandert receptor van conformatie (ruimtelijke vorm) → ook aan de binnenkant → andere dingen kunnen eraan binden</p></li><li><p>Receptoren bevinden zich meest al in plasmamembraam</p></li></ol><p></p>
17
New cards

Moleculaire schakelaars. Noem er twee.

18
New cards

G-eiwit gekoppelde receptoren (GPCR) Kenmerken

  1. Ontzetten veel verschillende

  2. Betrokken bij vele processen

  3. Wordt ontzettend veel gebruikt als doel van medicijnen


19
New cards

Tyrosine kinase receptoren (RTK) kenmerken

  1. Zitten in het membraam

  2. Tyrosine is een aminozuur

  3. Receptor is een kinase → eiwit of enzym dat een fosfaat groep ergens anders aan kan zetten

  4. 1 receptor kan meerdere routes aanzetten in de cel

  5. Aan deze receptor binden veel groeifactoren → Als er iets mis is → Veel betrokken bij kanker

  6. Bestaat uit 2 receptoren

  7. Bestaat uit alfa helix (membraam) en tyrosines in de cel


20
New cards

Ion-kanaal receptoren hoe werken ze?

Ligand bindt aan ion-knaal (kan ook door elektisch signaal geactiveerd worden)

Kanaal gaat open voor een speciafiek kanaal

Als ligand los laat gaat het kanaal weer dicht


Voorbeeld neurotransmitters

Het kan ook intracellulair

<p>Ligand bindt aan ion-knaal (kan ook door elektisch signaal geactiveerd worden)</p><p>Kanaal gaat open voor een speciafiek kanaal</p><p>Als ligand los laat gaat het kanaal weer dicht</p><p></p><p>Voorbeeld neurotransmitters</p><p>Het kan ook intracellulair</p>
21
New cards

Intercellulaire receptoren hoe werken ze?

Zitten in Cytosol of kern van een cel

Kunnen alleen liganden aan binden die door de membramen heen kunnen

Dus zijn ze klein en hydrofoob

Een geactiveerde receptor kan als transcipitie factor werken (en zet dus speciafieken genen aan of uit)

Nu kan het door de membramen heen de kern in

In de kern kan het op een speciafiek stukje DNA binden

En dat ene gen gaan afschijven dat er een eiwit wordt gemaakt


Voorbeeld steroid hormoon

<p>Zitten in Cytosol of kern van een cel</p><p>Kunnen alleen liganden aan binden die door de membramen heen kunnen</p><p>Dus zijn ze klein en hydrofoob</p><p>Een geactiveerde receptor kan als transcipitie factor werken (en zet dus speciafieken genen aan of uit)</p><p>Nu kan het door de membramen heen de kern in</p><p>In de kern kan het op een speciafiek stukje DNA binden</p><p>En dat ene gen gaan afschijven dat er een eiwit wordt gemaakt</p><p></p><p>Voorbeeld steroid hormoon</p>
22
New cards

Vier belangrijke receptoren

  1. Intercellulaire receptoren

  2. Ion-kanaal receptoren

  3. Tyrosine kinase receptoren (RTK)

  4. G-eiwit gekoppelde receptoren (GPCR)


23
New cards

Hoe werk de moleculaire schakelaar 1 G-eiwit?

Schakelaar kan uit en aan staan


Als het uit staat dan → GDP gebonden → nucleotide met 2 fosfaat groepen

Wordt aangezet doordat er een andere eiwit eraan bindt → GDP laat los en bindt aan GTP → wordt gestimuleerd door GEF (Guanine Exchange Factor)

Als het aan staat → GTP gebonden → zal allerlei signalen doorgeven aan andere eiwitten

Uitzetten → GTP wordt gehydrolyseert naar GDP +fosfaatgroep → Dit gebeurt vanzelf door het G-eiwit → een soort tijdschakelaar.

<p>Schakelaar kan uit en aan staan</p><p></p><p>Als het uit staat dan → GDP gebonden → nucleotide met 2 fosfaat groepen</p><p>Wordt aangezet doordat er een andere eiwit eraan bindt → GDP laat los en  bindt aan GTP → wordt gestimuleerd door GEF (Guanine Exchange Factor)</p><p>Als het aan staat → GTP gebonden → zal allerlei signalen doorgeven aan andere eiwitten</p><p>Uitzetten → GTP wordt gehydrolyseert naar GDP +fosfaatgroep → Dit gebeurt vanzelf door het G-eiwit → een soort tijdschakelaar.</p>
24
New cards

Hoe werk de moleculaire schakelaar 2 Fosforylering?

Als het uit staat → ongefosforyleert

Wordt aangezet doordat er een ander eiwit komt → kinase → draagt een fosfaat groep over van ATP naar dat eiwit → ADP komt vrij

Aan als fosfaat groep gebonden aan eiwit

Uitzetten → gaat niet vanzelf → via ander eiwit → Fosfatase verwijdert fosfaat groep.

<p>Als het uit staat → ongefosforyleert </p><p>Wordt aangezet doordat er een ander eiwit komt → kinase → draagt een fosfaat groep over van ATP naar dat eiwit → ADP komt vrij</p><p>Aan als fosfaat groep gebonden aan eiwit</p><p>Uitzetten → gaat niet vanzelf → via ander eiwit → Fosfatase verwijdert fosfaat groep.</p>
25
New cards

Hoe ziet een G-eiwit gekoppelde receptoren (GPCR) eruit?

Eiwit dat 7 keer door het transmembraam heen gaat in d evorm van een alpha helix

<p>Eiwit dat 7 keer door het transmembraam heen gaat in d evorm van een alpha helix </p>
26
New cards

Hoe werkt een G-eiwit gekoppelde receptoren (GPCR)?

Signaal molecul/Ligand bindt aan receptor

G-eiwit bindt aan receptor en wisselt GDP voor GTP ( GDP gaat weg en GTP wordt aangezet)

G-eiwit wordt actief

Receptor wordt weer inactief

G-eiwit gaat veder en gaat een ander enzym activeren (effector enzym)

Als effector enzym geactiveerd is dan defungeert het G-eiwit. Dit houdt in dat G-eiwit gehydrolyseerd wordt. GTP → GDP +fosfaatgroep

Systeem staat weer uit



<p>Signaal molecul/Ligand bindt aan receptor</p><p>G-eiwit bindt aan receptor en wisselt GDP voor GTP ( GDP gaat weg en GTP wordt aangezet)</p><p>G-eiwit wordt actief</p><p>Receptor wordt weer inactief</p><p>G-eiwit gaat veder en gaat een ander enzym activeren (effector enzym)</p><p>Als effector enzym geactiveerd is dan defungeert het G-eiwit. Dit houdt in dat G-eiwit gehydrolyseerd wordt. GTP → GDP +fosfaatgroep</p><p>Systeem staat weer uit</p><p class="has-focus is-empty"></p><p></p>
27
New cards

Uit welke onderdelen bestaat het G-eiwit gekoppelde receptoren (GPCR)?

Receptor, G-eiwit en effector (enzym)

<p>Receptor, G-eiwit en effector (enzym)</p>
28
New cards

Hoe werken Tyrosine kinase receptoren (RTK)?

Molecul signaal/ligand bindt brengt de twee receptoren bij elkaar

Dit heet een dimeer

Receptoren fosforyleren elkaar hierdoor (cross-fosforylatie)

Dit houdt in dat Tyrosine aan elkaar doorgegeven wordt

Receptor ziet er anders uit

Hieraan binden eiwitten

Deze eiwitten geven de signalen door de cel in

<p>Molecul signaal/ligand bindt brengt de twee receptoren bij elkaar</p><p>Dit heet een dimeer</p><p>Receptoren fosforyleren elkaar hierdoor (cross-fosforylatie) </p><p>Dit houdt in dat Tyrosine aan elkaar doorgegeven wordt</p><p>Receptor ziet er anders uit</p><p>Hieraan binden eiwitten</p><p>Deze eiwitten geven de signalen door de cel in</p>
29
New cards

Transductie kenmerken

Is een multistep proces van molecul tot molecul

Mogelijkheid tot amplificatie (versterking) van het signaal → 1 signaal leidt totdat er meerdere molecullen geactiveerd worden

Voordeel hiervan is dat er op vele plekken regulatie kan plaats vinden → Remmen of stimuleren


30
New cards

Eiwit defosforylering en fosforylering in transductie

Wordt gebruikt om de activiteit van een eiwit te reguleren

Veel relay-moleculen in een signaal transductie route zijn kinases

<p>Wordt gebruikt om de activiteit van een eiwit te reguleren</p><p>Veel relay-moleculen in een signaal transductie route zijn kinases</p>
31
New cards

Wat zijn de kenmerken van een second messenger?

  • Klein van formaat.

  • Geen eiwit (in tegenstelling tot veel andere relay-moleculen zoals kinases).

  • Wateroplosbaar.

  • Een molecuul of ion.

  • Verspreidt zich door de cel door middel van diffusie.

  • Voorbeelden: Ca²⁺, IP₃ (inositoltrifosfaat), DAG (diacylglycerol), cAMP (cyclisch adenosinemonofosfaat).


32
New cards

Signaal transductie van Epinephrine

G-eiwt gekoppelde receptor (GPCR) wordt geactiveert

G-eiwit wordt geactiveert door GTP

Geeft het door aan effector enzym → Adenylyl cyclase → maakt cyclisische AMP = second messenger cAMP

De cyclisische AMP bindt aan PKA (protein kinase A)

Zal iets fosforyleren

Cellulaire respons



<p>G-eiwt gekoppelde receptor (GPCR) wordt geactiveert</p><p>G-eiwit wordt geactiveert door GTP</p><p>Geeft het door aan effector enzym → Adenylyl cyclase → maakt cyclisische AMP = second messenger cAMP</p><p>De cyclisische AMP bindt aan PKA (protein kinase A)</p><p>Zal iets fosforyleren</p><p>Cellulaire respons</p><p></p><p></p>
33
New cards

cyclisische AMP (cAMP)

cyclisch AMP (cAMP) veel gebruikte sec[ond] messenger

Geproduceerd door Adenylyl cyclase → haalt er twee fosfaat groepen vanaf

Wordt afgebroken door Phosphodiesterase → Dan krijg je weer AMP geen signaal molecul


Variant hierop is cGMP ook een second messenger voor spier relaxatie


<p><strong>cyclisch AMP (cAMP) veel gebruikte sec[ond] messenger</strong></p><p><span><strong>Geproduceerd door Adenylyl cyclase → haalt er twee fosfaat groepen vanaf</strong></span></p><p><span><strong>Wordt afgebroken door Phosphodiesterase → Dan krijg je weer AMP geen signaal molecul</strong></span></p><p></p><p><span><strong>Variant hierop is cGMP ook een second messenger voor spier relaxatie</strong></span></p><p></p>
34
New cards

Signaal transductie van PLC

Ligand activeerd G-eiwit gekoppelde receptor (GPCR)

Activeert G-eiwit door binding GTP

Activeert effector Phospholipase C → doet iets met vetten

Pakt PIP2 en knipt het in tweeen → DAG en IP3

IP3 difudeert de cel in als second messenger

En het kan daar een ligand geactiveert ionkanaal activeren in een membraam van het ER.

En als dat gebeurt dan komt calcium het cytosol in

Het calcium activeert allelei verschillende soorten eiwiiten en dat leidt uiteindelijk tot het respons


<p>Ligand activeerd G-eiwit gekoppelde receptor (GPCR)</p><p>Activeert G-eiwit door binding GTP</p><p>Activeert effector Phospholipase C → doet iets met vetten</p><p>Pakt PIP2 en knipt het in tweeen → DAG en IP3</p><p>IP3 difudeert de cel in als second messenger</p><p>En het kan daar een ligand geactiveert ionkanaal activeren in een membraam van het ER. </p><p>En als dat gebeurt dan komt calcium het cytosol in</p><p>Het calcium activeert allelei verschillende soorten eiwiiten en dat leidt uiteindelijk tot het respons</p><p></p>
35
New cards

Ca^+2 als second messenger

  1. Veel gebruikte second messenger

  2. Concentratie Calcium in het cytosol veel lager dan buiten de cel of binnen de membramen (in de organellen)

  3. Concentratie wordt actief laag gehouden in het cytosol door calcium kanaaltjes met ATP


36
New cards

Noem verschillende type responsen op signalering

  • Gen expressie (figuur) (langzamer process)

  • Openen kanaal

  • Stimuleren of remmen bepaalde enzymen (sneller proces)

  • Aanzetten metabole route

  • Cel beweging

  • Cel proliferatie


37
New cards

Signaal amplificatie (regulatie van de respons)

Signaal versterking

38
New cards

Specificiteit/coordinatie (regulatie van de respons)

Zelfde signaal → verschillende responsen Of verschillende signalen maar zelfde respons


Komt door:

Verschillende receptoren en relay eiwitten

Verschillende cellen

Verschillende respons


<p>Zelfde signaal → verschillende responsen Of verschillende signalen maar zelfde respons</p><p></p><p>Komt door:</p><p>Verschillende receptoren en relay eiwitten</p><p>Verschillende cellen</p><p>Verschillende respons</p><p></p>
39
New cards

Pathway branches

Pathway branches leiden tot twee responsen van een signaal

<p>Pathway branches leiden tot twee responsen van een signaal</p>
40
New cards

Cross-talk

Twee receptoren worden geactiveert → Waardoor een van de second messengers de ander activeert of deactiveert → leidt tot een respons

<p>Twee receptoren worden geactiveert → Waardoor een van de second messengers de ander activeert of deactiveert → leidt tot een respons</p>
41
New cards

Efficientie (regulatie van de respons)

Scaffold eiwitten → eiwitten die andere dingen bij elkaar halen → 3 verschillende kinasen

Voordelen:

  • snelheid, want voorkomt grote diffusieafstanden

  • specificiteit, omdat neven-reacties niet optreden

  • extra mogelijkheden voor regulatie


<p>Scaffold eiwitten → eiwitten die andere dingen bij elkaar halen → 3 verschillende kinasen</p><p>Voordelen:</p><ul><li><p><span>snelheid, want voorkomt grote diffusieafstanden</span></p></li><li><p><span>specificiteit, omdat neven-reacties niet optreden</span></p></li><li><p><span>extra mogelijkheden voor regulatie</span></p></li></ul><p></p>
42
New cards

Terminatie (regulering van de respons)

Stopt signalering

Kan gedaan worden door Fosfatases,

endocytose en afbraak receptor

Second messengers omzetten of verwijderen

Apatose van de cel

43
New cards

Apatose

Geprogameerde celdood

Cel componenten worden geklieft (DNA en eiwitten worden in stukjes gehakt) en in kleine blaasje in gepakt (blobs)

Deze blobs worden opgeruimd door gespecialiseerde scavenger cellen

Hierdoor voorkomt apatose dus dat de cel opbarst en dat uiteindelijk alle celorganellen en enzymen naa buiten lekken en andere cellen beschadigen

44
New cards

Caspases

Caspases → eiwitten die in een cascade andere eiwitten activeren door klieving (DNA en eiwitten worden in stukjes gehakt)

Voorbeelden Protease en Ced-3

Signaal kan geactiveert worden vanuit binnen en buiten de cel

Onderdeel van apatose


45
New cards

Waar is apatose nuttig voor?

  1. Het is essentieel voor ontwikkeling en onderhoud van alle organismen.

  2. Verstoorde apatose speelt een rol in verschillende ziektes


46
New cards

Welke cellen moeten apatose ondergaan?

  1. Geinfecteerde cellen

  2. Beschadigte cellen

  3. Cellen die aan het eind zijn van hun functioneel leven en opgeruimd moeten worden

  4. Ontwikkeling → vingers ontwikkelen → cellen tussen de vingers ondergaan apoptose


47
New cards

Mitose

48
New cards

Wat is een eigenschap die al het leven op aarde bezit?

Voortplanten/reproduceren → mogelijk door celdeling

49
New cards

Noem de drie belangrijkste functies van celdeling bij meercellige organismen.


  1. Ontwikkeling vanuit een bevruchte eicel.

  2. Groei.

  3. Herstel (van weefsels).


50
New cards

Welke vorm(en) van celdeling leiden tot genetisch identieke cellen?

Mitose en binaire deling

51
New cards

Wat wordt bedoeld met de term genoom?

De verzameling van alle genetische informatie in een cel.


52
New cards

Hoe is het DNA bij eukaryote cellen verdeeld en verpakt?

Het bestaat uit meerdere DNA-moleculen die zijn verpakt in chromosomen

53
New cards

Uit welk materiaal bestaan chromosomen?

Chromosomen bestaan uit chromatine (een complex van DNA en eiwitten).


54
New cards

Wat is het verschil in chromosomenaantal tussen somatische cellen en gameten?

Somatische cellen (lichaamscellen) bevatten 2 sets chromosomen (diploïd). Gameten (geslachtscellen) bevatten de helft van dat aantal (haploïd).


55
New cards

Hoeveel centromeerregio's heeft een humane cel in de G2 fase?

92

Een normale humane lichaamscel heeft 46 chromosomen. In de S-fase wordt het DNA verdubbeld, inclusief het DNA van de centromeerregio.

In G2 bestaat elk chromosoom daardoor uit twee zusterchromatiden, die elk een eigen centromeerregio hebben. Je hebt dus 46 × 2 = 92 centromeerregio’s.

Het aantal chromosomen blijft ondertussen 46: zolang de twee zusterchromatiden aan elkaar vastzitten, tellen we ze samen als één verdubbeld chromosoom. Er zijn in G2 dus 46 chromosomen, 92 chromatiden en 92 centromeerregio’s.

56
New cards

Hoe heten de eiwitten die zusterchromatiden bij elkaar houden?

Cohesines

57
New cards

Hoe zien chromosomen er gedurende het grootste deel van de celcyclus uit?

Als een dunne chromatine draad (niet strak opgerold).

58
New cards

In welke specifieke fase van de celcyclus worden de chromosomen gerepliceerd?

Tijdens de S-fase (DNA-synthese)

59
New cards

In welke vorm bevinden de chromosomen zich direct ná de replicatie in de S-fase?

Nog steeds als een dunne chromatine draad.

60
New cards

Wat gebeurt er met de structuur van chromosomen tijdens de M-fase?

De chromosomen condenseren (ze rollen zich heel strak op tot compacte, zichtbare structuren).


61
New cards

Waaruit bestaat een chromosoom direct na het dupliceren (maar vóór het condenseren)?

Uit 2 zusterchromatiden (die nog ongecondenseerd zijn).


62
New cards

Wat is een centromeer qua structuur en wat bindt eraan?

Een regio met een repeterende DNA-sequentie waaraan specifieke eiwitten binden.

63
New cards

Waar op de zusterchromatiden is de cohesie het sterkst en is het chromosoom samengeknepen?

Bij het centromeer (elke zusterchromatide heeft er één)

64
New cards

Wanneer worden zusterchromatiden officieel individuele chromosomen genoemd?

Op het moment dat de zusterchromatiden uit elkaar gaan (tijdens de M-fase/anafase).

65
New cards

Celcyclus

De interfase is de periode tussen twee celdelingen waarin de cel groeit en haar DNA kopieert. Deze bestaat uit:

  • G1-fase: De eerste groeifase waarin de cel in omvang toeneemt en eiwitten en organellen aanmaakt.

  • S-fase (Synthese): De belangrijkste stap voor de deling; hier vindt DNA-duplicatie plaats, zodat beide dochtercellen straks een volledige set DNA krijgen.

  • G2-fase: De tweede groeifase waarin de cel de laatste voorbereidingen treft voor de daadwerkelijke celdeling.

Dit is de actieve delingsfase van de cel, opgebouwd uit twee opeenvolgende processen: (M-fase)

  • Mitose: De verdeling van de gekopieerde chromosomen over twee nieuwe celkernen.

  • Cytokinese: De daadwerkelijke splitsing van het cytoplasma, waardoor twee afzonderlijke, identieke dochtercellen ontstaan.


66
New cards

Fasen van mitose

  1. Profase

  2. Prometafase

  3. Metafase

  4. Anafase

  5. Telofase


67
New cards

Wat gebeurt er tijdens de Profase?

  • Chromosomen beginnen te condenseren.

  • Nucleoli verdwijnen.

  • Het mitotische spoelfiguur begint zich te vormen.

  • Centrosomen bewegen weg van elkaar.


<ul><li><p><span>Chromosomen beginnen te condenseren.</span></p></li><li><p><span>Nucleoli verdwijnen.</span></p></li><li><p><span>Het mitotische spoelfiguur begint zich te vormen.</span></p></li><li><p><span>Centrosomen bewegen weg van elkaar.</span></p></li></ul><p></p>
68
New cards

Wat gebeurt er tijdens de Telofase?

  • De kernenvelop vormt zich opnieuw uit oude fragmenten.

  • Nucleoli verschijnen weer.

  • Chromosomen decondenseren (rollen weer uit).

  • De spoelmicrotubuli depolymeriseren (breken af).


<ul><li><p><span>De kernenvelop vormt zich opnieuw uit oude fragmenten.</span></p></li><li><p><span>Nucleoli verschijnen weer.</span></p></li><li><p><span>Chromosomen decondenseren (rollen weer uit).</span></p></li><li><p><span>De spoelmicrotubuli depolymeriseren (breken af).</span></p></li></ul><p></p>
69
New cards

Wat gebeurt er tijdens de Anfase?

  • Start met de klieving van cohesine-eiwitten door het enzym separase.

  • Zusterchromatiden laten los en worden nu zelfstandige chromosomen.

  • Kinetochore microtubuli worden korter (krimpen bij het chromosoom) en trekken de chromosomen naar de polen.

  • Non-kinetochore microtubuli worden langer, waardoor de cel zich uitstrekt.


<ul><li><p><span>Start met de klieving van <strong>cohesine-eiwitten</strong> door het enzym <strong>separase</strong>.</span></p></li><li><p><span>Zusterchromatiden laten los en worden nu zelfstandige <strong>chromosomen</strong>.</span></p></li><li><p><span><em>Kinetochore microtubuli</em> worden korter (krimpen bij het chromosoom) en trekken de chromosomen naar de polen.</span></p></li><li><p><span><em>Non-kinetochore microtubuli</em> worden langer, waardoor de cel zich uitstrekt.</span></p></li></ul><p></p>
70
New cards

Wat gebeurt er tijdens de Metafase?

  • Centrosomen staan lijnrecht tegenover elkaar aan de polen van de cel.

  • Chromosomen liggen netjes opgelijnd op de metafaseplaat (in het midden).

  • De kinetochoren van elke zusterchromatide zitten vast aan microtubuli van de tegenovergestelde centrosomen.


<ul><li><p><span>Centrosomen staan lijnrecht tegenover elkaar aan de polen van de cel.</span></p></li><li><p><span>Chromosomen liggen netjes opgelijnd op de <strong>metafaseplaat</strong> (in het midden).</span></p></li><li><p><span>De kinetochoren van elke zusterchromatide zitten vast aan microtubuli van de tegenovergestelde centrosomen.</span></p></li></ul><p></p>
71
New cards

Wat gebeurt er tijdens de Prometafase?

  • De kernenvelop fragmenteert (valt uiteen).

  • Chromosomen condenseren verder.

  • Kinetochoren (eiwitten op het centromeer) worden gevormd.

  • Microtubuli dringen het kerngebied binnen: kinetochore microtubuli binden aan de kinetochoren; niet-kinetochore microtubuli van verschillende polen interageren met elkaar.


<ul><li><p><span>De kernenvelop fragmenteert (valt uiteen).</span></p></li><li><p><span>Chromosomen condenseren verder.</span></p></li><li><p><span>Kinetochoren (eiwitten op het centromeer) worden gevormd.</span></p></li><li><p><span>Microtubuli dringen het kerngebied binnen: <em>kinetochore</em> microtubuli binden aan de kinetochoren; <em>niet-kinetochore</em> microtubuli van verschillende polen interageren met elkaar.</span></p></li></ul><p></p>
72
New cards

Wat zou er gebeuren als er door een fout in de mitose geen scheiding van de zusterchromatide plaatsvindt en de zusterchromatiden samen in een van de twee dochtercellen tercht komen.

Je krijgt dan cellen die sommige chromosomen geheel missen en andere chromosomen dubbel hebben.

73
New cards

Wat is de beste beschrijving van een kinetochoor?

Een structuur van verschillende eiwitten die de centromeer regio en de spoelfiguur microtubuli kunnen binden.

  • Een complex van eiwitten op een specifieke sequentie van het centromeer waar 1 tot 40 microtubuli aan kunnen binden.

  • Zodra de kinetochoren aan weerszijden zijn gebonden, beweegt het chromosoom naar de metafaseplaat.


74
New cards

Hoe bewegen chromosomen over de microtubuli (worden de microtubuli "binnengehaald")?

Nee, microtubuli worden niet binnengehaald. Een motoreiwit loopt over de microtubule heen en sleept het chromosoom met zich mee naar de pool.

75
New cards

Wat gebeurt er met de microtubule tijdens de beweging van het chromosoom in de anafase?

De microtubule breekt direct achter de motor af (de-polymerisatie in losse tubuline-subunits), waardoor de microtubule korter wordt terwijl het chromosoom eroverheen loopt.


76
New cards

Waaruit bestaat het mitotische spoelfiguur en waar groeien de microtubuli uit?

  • Het bestaat uit spoel-microtubuli (kinetochore en non-kinetochore) en de aster (stervormige structuur).

  • Microtubuli groeien vanuit het centrosoom, ook wel het microtubule organising center (MTOC) genoemd. Bij dieren bestaat dit uit 2 centriolen en repliceert het tijdens de interfase.


77
New cards

Wat is het verschil in cytokinese (celsplitsing) tussen dierlijke cellen en plantencellen?

  • Dierlijke cellen: Er vormt zich een insnoering (cleavage furrow). Aan de kant van het cytoplasma trekt een ring van actine met myosine (contractiele ring) samen om de cel in tweeën te splitsen.

  • Plantencellen: Er vormen zich blaasjes vanuit het Golgi-apparaat die langs microtubuli naar het midden van de cel bewegen. Deze blaasjes fuseren tot een celplaat, die uiteindelijk fuseert met de bestaande celmembraan/celwand om twee nieuwe cellen te vormen.


78
New cards

Hoe delen prokaryoten (bacteriën en archaea) zich en wat zijn de stappen van dit proces?

Prokaryoten delen zich door binaire deling (deling door het midden). Dit is GEEN mitose.

Het proces verloopt als volgt:

  • DNA-replicatie: Het circulaire chromosoom wordt gedupliceerd, beginnend bij de ORI (origin of replication).

  • Migratie: De twee ORI's (en dus de gekopieerde chromosomen) worden naar tegenovergestelde kanten van de cel gebracht.

  • Splitsing: De cel "knijpt" zichzelf in het midden door, wat resulteert in twee identieke dochtercellen.


79
New cards

Waar in de cel bevinden zich de signalen die de celcyclus reguleren?

In het cytoplasma.

80
New cards

Wat is het belangrijkste kenmerk van de concentratie van cyclines tijdens de celcyclus?

De concentratie fluctueert continu door een constante cyclus van synthese (opbouw) en afbraak.

81
New cards

Wat is het belangrijkste kenmerk van de concentratie van Cdk's (Cyclin Dependent Kinases) tijdens de celcyclus?

De concentratie blijft constant.

82
New cards

Wanneer wordt een Cdk (Cyclin Dependent Kinase) pas actief?

Zodra het bindt aan een specifiek cycline en hiermee een complex vormt.

83
New cards

Waar staat de afkorting MPF voor en uit welke twee specifieke eiwitten bestaat dit complex?

Maturation Promoting Factor. Het bestaat uit een complex van Cycline B en Cdk1.

84
New cards

Wat is de hoofdfunctie van het MPF-complex en in welke fase is het actief?

Het zorgt voor het starten van de M-fase (mitose). Het is alleen actief tijdens de M-fase.

85
New cards

Op welke biochemische manier activeert MPF andere eiwitten?

Door ze te fosforyleren (het is een kinase dat een fosfaatgroep aanbrengt).

86
New cards

Hoe zorgt MPF voor zijn eigen uitschakeling aan het einde van de mitose?

MPF stimuleert zelf het proces dat leidt tot de afbraak van cycline B, waardoor het complex weer inactiveert.

87
New cards

Welke drie hoofdcheckpoints beval de celcyclus?

G1 checkpoint, G2 checkpoint en M checkpoint.

88
New cards

Welk checkpoint is voor de meeste cellen het meest belangrijk?

Het G1 checkpoint. Dan wordt meestal de hele rest van de celcyclus doorlopen.

89
New cards

Wat gebeurt er met een cel die geen "go-ahead"-signaal krijgt bij het G1 checkpoint?

Deze gaat naar de G0-fase.

90
New cards

Wat is de G0-fase?

Een niet-delende staat waarin de meeste cellen in je lichaam zich bevinden.

91
New cards

Wanneer geeft het M checkpoint pas een "go"-signaal?

Pas als alle chromosomen correct vastzitten aan het spoelfiguur (tijdens de mitose).

92
New cards

Welke twee soorten interne signalen bepalen de doorgang van een checkpoint?

Of het DNA goed gedupliceerd is en of de chromosomen goed aan het mitotische spoelfiguur vastzitten.

93
New cards

Welke drie externe signalen reguleren de doorgang van checkpoints?

Groeifactoren (zoals PDGF), density dependent inhibition (dichtheidsafhankelijke remming) en anchorage dependence (hechtingsafhankelijkheid).

94
New cards

Wat houdt het principe van anchorage dependence (hechtingsafhankelijkheid) in?

Dat cellen een oppervlak of ondergrond nodig hebben om zich te kunnen delen.

95
New cards

Wat houdt density dependent inhibition (dichtheidsafhankelijke remming) in?

Dat cellen stoppen met delen zodra ze een enkele, aaneengesloten laag vormen en de ruimte vol is.

96
New cards

Wat is een belangrijk verschil tussen normale cellen en kankercellen wat betreft externe signalen?

Kankercellen negeren density-dependent inhibition en anchorage dependence, waardoor ze ongeremd door blijven delen.

97
New cards

Waarom stoppen kankercellen niet met delen?

Omdat ze niet langer reageren op de controlemechanismen van de celcyclus.

98
New cards

Op welke twee manieren kunnen kankercellen onafhankelijk worden van externe groeifactoren?

Ze kunnen zelf groeifactoren maken of ze hebben een mutatie in een gen in de signaaltransductieroute (downstream van de receptor).

99
New cards

Wat betekent het als cellen in een celkweek "getransformeerd" zijn?

Dat het cellen zijn die oneindig kunnen blijven delen.

100
New cards

Wat is het verschil tussen een benigne en een maligne tumor?

Een benigne tumor is goedaardig en blijft op de plek van ontstaan; een maligne tumor is kwaadaardig en kan omliggende weefsels invaderen en metastaseren.