Welk hormoon zorgt in het duodenum voor afgifte van gal en alvleeskliersap bij vetrijke voeding? A) Cholecystokinine B) Gastrine C) Secretine D) Insuline
Antwoord: A · Cholecystokinine (CCK) zet de galblaas en alvleesklier aan; zo kan pancreaslipase vet afbreken.
2
New cards
Langeketenvetzuren en monoglyceriden worden na opname in de enterocyt vooral vervoerd via... A) de poortader direct naar de lever B) de bloedbaan, gebonden aan albumine C) het lymfestelsel, verpakt in chylomicronen D) de galwegen terug naar de darm
Antwoord: C · Ze worden in de enterocyt tot TG opgebouwd, verpakt in chylomicronen en via de lymfe naar het bloed gebracht.
3
New cards
Welke bewering over micellen is juist? A) De buitenkant bestaat uit vetzuren, de binnenkant uit galzouten B) Ze worden in de lever gemaakt en vervoeren vet door het bloed C) Ze vervoeren glycerol en kortketenvetzuren naar het bloed D) De binnenkant bevat vetverteringsproducten, de buitenkant galmoleculen/fosfolipiden
Antwoord: D · Micellen zijn geëmulgeerde druppeltjes met verteringsproducten binnenin en gal/fosfolipiden aan de wateroplosbare buitenkant.
4
New cards
Welk lipoproteïne vervoert endogene triglyceriden vanuit de lever naar de perifere weefsels? A) Chylomicron B) VLDL C) HDL D) LDL
Antwoord: B · VLDL wordt in de lever gemaakt en vervoert de daar gevormde (endogene) TG.
5
New cards
Welk lipoproteïne heeft de laagste dichtheid? A) HDL B) VLDL C) LDL D) Chylomicron
Antwoord: D · Chylomicronen bevatten verhoudingsgewijs het meeste vet (ca. 85% TG) en vet is lichter dan eiwit.
6
New cards
Wat is de functie van HDL? A) Cholesterol afvoeren van perifere weefsels naar de lever B) Exogene triglyceriden naar vetcellen brengen C) Cholesterol naar perifere weefsels brengen D) Vetzuren vrijmaken in de capillairen
Antwoord: A · HDL wordt in de lever gemaakt en haalt cholesterol op uit weefsels; daarom geldt het als 'goed' cholesterol.
7
New cards
Wat doet lipoproteïnelipase (LPL)? A) Het breekt in de darm triglyceriden uit de voeding af B) Het bouwt in de lever VLDL op C) Het breekt in capillairen van perifere weefsels TG uit lipoproteïnen af, zodat vetzuren de cel in gaan D) Het verpakt cholesterol in LDL
Antwoord: C · LPL zit in de capillairen van o.a. vet- en spierweefsel en maakt vetzuren vrij uit chylomicronen en VLDL.
8
New cards
Een student eet een vetrijke maaltijd. Insuline stijgt. Wat is het effect op het vetweefsel? A) Lipase wordt gestimuleerd, dus meer lipolyse B) Lipase wordt geremd, dus meer vetopslag C) Er worden meer ketonlichamen gevormd D) Vetcellen geven meer VLDL af
Antwoord: B · Insuline remt het lipase in vetweefsel; het evenwicht verschuift van lipolyse naar lipogenese.
9
New cards
Wat is de netto opbrengst van de glycolyse per molecuul glucose? A) 2 ATP en 2 NADH B) 4 ATP en 2 NADH C) 2 ATP en 2 FADH2 D) 4 ATP en 4 NADH
Antwoord: A · Glycolyse kost 2 ATP en levert 4 ATP en 2 NADH, dus netto 2 ATP en 2 NADH.
10
New cards
Tijdens een sprint is er onvoldoende zuurstof in de spier. Wat gebeurt er met pyruvaat? A) Het wordt onomkeerbaar omgezet in acetyl-CoA B) Het wordt omgezet in ketonlichamen C) Het gaat direct de elektronentransportketen in D) Het wordt omgezet in lactaat
Antwoord: D · Zonder zuurstof wordt pyruvaat omgezet in lactaat; die stap is (anders dan die naar acetyl-CoA) omkeerbaar.
11
New cards
Wat levert één ronde van de citroenzuurcyclus (per acetyl-CoA) op? A) 2 pyruvaat en 2 ATP B) 2 CO2, 3 NADH, 1 FADH2 en 1 GTP C) 1 CO2, 1 NADH en lactaat D) 8 acetyl-CoA en 7 NADH
Antwoord: B · Per acetyl-CoA levert de cyclus 2 CO2, 3 NADH, 1 FADH2 en 1 GTP (≈ ATP).
12
New cards
Waar in de cel vindt de elektronentransportketen plaats? A) In het cytosol B) In het ruw endoplasmatisch reticulum C) In het binnenmembraan van het mitochondrium D) In het Golgi-complex
Antwoord: C · NADH en FADH2 geven daar hun elektronen af; de protonengradiënt levert energie voor ATP (oxidatieve fosforylering).
13
New cards
Welke stof is nodig om vetzuren het mitochondrium in te transporteren voor bèta-oxidatie? A) Insuline B) Oxaloacetaat C) Carnitine D) Galzouten
Antwoord: C · Vetzuren worden eerst aan coenzym A gekoppeld en daarna met carnitine het mitochondrium in gebracht.
14
New cards
Palmitinezuur heeft 16 C-atomen. Hoeveel acetyl-CoA levert de volledige bèta-oxidatie op? A) 4 B) 7 C) 8 D) 16
Antwoord: C · Bèta-oxidatie knipt telkens 2 C af: 16 / 2 = 8 acetyl-CoA (met 7 rondes NADH en FADH2).
15
New cards
Wat is de eerste stap bij het gebruik van aminozuren als energiebron, en welk extra eindproduct ontstaat daardoor? A) Transaminering; lactaat B) Glycolyse; pyruvaat C) Bèta-oxidatie; ketonlichamen D) Deaminering; ureum
Antwoord: D · De aminogroep wordt eerst verwijderd (deaminering); de stikstof wordt afgevoerd als ureum.
16
New cards
Waar begint de chemische vertering van eiwitten? A) In de mond, door speekselamylase B) In de maag, door HCl en pepsine C) In het duodenum, door trypsine D) In de dikke darm, door bacteriën
Antwoord: B · HCl denatureert eiwit en pepsine (uit pepsinogeen) begint met het afsplitsen; dat gebeurt in de maag.
17
New cards
Via welke route gaan aminozuren na opname uit de darmcel? A) Lymfe → borstbuis → bloed B) Direct naar de nieren C) Micellen → lymfe → lever D) Bloed → poortader → lever
Antwoord: D · Aminozuren worden aan het bloed afgegeven en via de poortader eerst naar de lever gebracht.
18
New cards
Welk celorganel koppelt aminozuren aan elkaar tot een eiwitketen? A) Ribosoom B) Glad ER C) Golgi-complex D) Mitochondrium
Antwoord: A · Ribosomen (los en op het ruw ER) koppelen aminozuren; het Golgi-complex werkt eiwitten af en verpakt ze.
19
New cards
Hoe wordt glucose door de darmcel opgenomen? A) Passieve diffusie B) Gefaciliteerde diffusie zonder energie C) Secundair actief transport via een symporter D) Via micellen
Antwoord: C · Glucose en galactose gaan via secundair actief transport; fructose via gefaciliteerde diffusie.
20
New cards
De Na/K-pomp pompt meer Na+ naar buiten dan K+ naar binnen. Wat is het gevolg? A) De intracellulaire osmolariteit stijgt en water stroomt de cel in B) De extracellulaire osmolariteit stijgt, wat de cel helpt haar volume te behouden C) Er stroomt Na+ terug zonder energie te kosten D) De cel zwelt op door osmose
Antwoord: B · Door netto deeltjes naar buiten te pompen stijgt de extracellulaire osmolariteit; zo regelt de pomp de vochtverdeling (aanvulling: 3 Na+ uit, 2 K+ in).
21
New cards
Een patiënt vast al enkele dagen. Welke stof kan het lichaam NIET omzetten in glucose? A) Glycerol B) Vetzuren C) Lactaat/pyruvaat D) Aminozuren
Antwoord: B · Gluconeogenese kan uit glycerol en aminozuren (via pyruvaat), maar vetzuren leveren geen glucose.
22
New cards
Een kind in een ontwikkelingsland heeft oedeem in de buik en is te klein voor de leeftijd, terwijl het wel voldoende koolhydraten eet. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose? A) Marasmus B) Waterintoxicatie C) Ketoacidose D) Kwashiorkor
Antwoord: D · Kwashiorkor is acute PEM door ernstig eiwittekort bij voldoende KH, met oedeem en stunting.
23
New cards
Hoeveel liter extracellulair vocht heeft de referentieman van 70 kg? A) 28 l B) 14 l C) 10 l D) 3 l
Antwoord: B · Van de 42 l is 28 l intracellulair en 14 l extracellulair (3 l intravasculair, 10 l interstitieel, 1 l transcellulair).
24
New cards
Na veel transpireren stijgt de osmolaliteit van het bloedplasma. Wat gebeurt er? A) ADH uit de hypofyse stijgt, de nier resorbeert meer water in de distale buis B) ADH-afgifte wordt geremd, er komt meer urine C) De nieren scheiden meer natrium uit D) Aldosteron verlaagt het dorstgevoel
Antwoord: A · Osmoreceptoren in de hypothalamus stimuleren dorst en ADH, waardoor er minder urine is en de osmolaliteit daalt.
25
New cards
Een marathonloper drinkt bij elke post een bekertje en zakt na de finish versuft in elkaar. Stel dat zijn natrium 118 mmol/l is. Wat is de meest waarschijnlijke verklaring? A) Dehydratie met hypernatriëmie B) Ketoacidose door vetverbranding C) Hypoglykemie door glycogeentekort D) Waterintoxicatie met hyponatriëmie en hersenzwelling
Antwoord: D · Natrium ligt ver onder 135-142 mmol/l; water stroomt de hersencellen in, die opzwellen (encefalopathie).