1/23
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
protista zijn veelal
eencellige , eukaryote organismen
protista bevatten naast een echte nucleus ook celorganellen die bij prokaryoten ontbreken, waarvan
mitochondrien en plastiden belangrijk zijn voor het begrijpen van het ontstaan van (diverse groepen van ) Protista
mitochondrien zijn ontstaan door een endosymbiose van
een heterotrofe prokaryote cel ( meer bepaald een bacterie) in een andere heterotrofe cel OF doordat een bacteriele gast werd geinternaliseerd door een primitieve heterotrofe eukaryoot
plastiden hebben net als mitochondrien een prokaryote oorsprong, maar
zijn niet terug te voeren tot eenzelfde heterotrofe bacteriele voorouder als mitochondrien
secundaire endosymbiose:
heterotrofe eukaryote cel neemt een fotoautotrofe eukaryote cel op
plastiden die ontstaan zijn uit de oorspronkelijke “ancestrale” primaire endosymbiose zijn omgegeven door
een dubbele membraan, die structureel homoloog is met de dubbele celmembraan van cyanobacterien. De membraan van het fagosoom van de gastheercel is verdwenen.
bij sommige protisten vinden we evenwel plastiden die omgeven zijn door een drie of zelfs vierdubbele membraanstructuur:
driedubbel: de buitenste membraan resulteert iut het behoud van de membraan van de fagosoom van de GHC, en is de celmembraan van de gastcel verdwijnen
vierdubbel: de buitenste membraan resulteert eveneens de membraan van de fagosoom, maar is ook de celwand van de GHC behouden (bij sommige protisten met vierdubbele plastidemembranen is ook de kern van de GHC bewaard gebleven als een zogenoemd nucleomorf)
nucleomorf=
bij sommige secundaire endosymbioses blijft ook een klein restant van de celkern van de opgenomen als bestaan. Zo een protist kan daardoor 4 verschillende genomen bevatten: eigen nucleair genoom, mitochondriaal genoom, genoom van het nucleomorf en plastidegenoom
door het ontbreken van harde structuren en/of sporen met resistente wand, zijn er van verschillende groepen protisten
geen of vrijwel geen fossiele resten te vinden
sommige protisten zijn strikt fotoautotroof. Ze gebruiken licht als energiebron om aan FS te doen, waarbij ze anorganisch koolstof (uit CO2 of HCO3-) omzetten tot organische koolstofverbindingen. Andere protisten zijn
strikt heterotroof: zij hebben organische koolstofverbindingen nodig als bouwstenen en energiebron.
tussen de 2 groepen (strikt fotoautotrofe en strikt heterotrofe protisten) wordt soms de scheidingslijn getrokken tussen
de plantaardige fotoautotrofen en de dierlijke heterotrofen, waarbij die laatsten dan ook wel de protozoa worden genoemd en de eersten Protophyta.
de scheidingslijn tussen de “plantaardige” autotrofen (protozoa) en de “dierlijke” heterotrofen (Protophyta) is veel minder ondubbelzinnig dan ze op het eerste zicht lijkt, want heel wat fotoautotrofen kunnen zich in meerdere of mindere mate ook als heterotrofen voeden en omgekeerd. In dit geval spreken we van
mixotrofen
heterotrofe protisten kunnen zich ofwel met opgelost organisch materiaal (DOM) ofwel met particular organisch amteriaal (POM) voeden. DOM kan worden opgenomen door …. en POM wordt meestal opgenomen door …
osmotrofie , fagocytose
vesikels die verteringsenzymen bevatten gaan versmelten met een fagosoom en zo de inhoud van de fagosoom verteren. Die met enzymen gevulde blaasjes zijn…
lysosomen
diverse componenten die door vertering uit de voedselpartikels vrijkomen, kunnen doorheen de membraan van de fagosoom diffunderen en worden zo beschikbaar in het cytoplasma. Onverteerde deeltjes worden weer uitgescheiden wanneer een oud fagosoom opnieuw gaat versmelten met de celwand. Dit proces noemt men
exocytose
pinocytose zit op de grens tussen osmo- en fagocytose:
hier worden microscopisch kleine druppeltjes met daarin DOM (vb suikers of eiwitten) omsloten door uit- of instulpingen van de celmembraan (zoals bij fagocytose)
het verschil tussen fago- en pinocytose zit in de “vorm” van het voedsel:
dit is een deeltje/partikel bij fagocytose, en opgeloste stoffen bij pinocytose
bij vrijwel alle Protista komt een vorm van aseksuele vermenigvuldiging voor. Dti kan een eenvoudige tweedeling of binaire deling zijn. Afhaneklijk van de soort gebeurt dit volgens
de lengteas (voor=> achter) van de cel of klieft die de lengteas net doormidden.
schizogonie=
een vorm van ongeslachtelijke voortplanting door meervoudige deling (fissie) bij bepaalde eencellige parasieten, zoals de malariaparasiet (Plasmodium) en Cryptosporidium
bij schizogonie groeit de moedercel eerst uit tijdens een actieve voedingsfase. Vervolgens deelt de kern van die cel zich herhaalde malen. pas later vormen zich nieuwe celwanden, en de dochtercellen blijven nog even bij elkaar zitten, al dan niet
omgegeven door de celwand van de moedercel, alvorens elkaar uiteindelijk los te laten.
sommige Protista vertonen knopvorming of “budding” waarbij
een nieuwe cel zich vormt ergens op het oppervlak van de moedercel en er na verloop van tijd van afsplitst.
naast ongeslachtelijke vermenigvuldiging kan bij een aantal Portista ook een vorm van seksuele reproductie optreden. Als je er rekening mee houdt dat Protista eencellig zijn, begrijp je dat dit impliceert dat
haploide en diploide fasen elkaar hier moeten afwisselen. ( afhankelijk van de bestudeerde groep domineert de haploide of de diploide fase)
bij protisten dat aan seksuele reproductie doen en waarbij dat de haploide fase domineert zal in de zygote of bevruchte eicel het enige diploide stadium zijn, en zal de eerste deling die de zygote ondergaat meteen
een reductiedeling zijn, zodat de dochtercellen terug haploid zijn (vb het geval bij Sporozoa en bij cellulaire slijmzwammen)
bij protisten dat aan seksuele reproductie doen en waarbij dat de diploide fase domineert worden enkel haploide cellen gevormd om voor
“seksuele voortplanting en verspreiding” te zorgen