1/564
Looks like no tags are added yet.
sportief
sportif, sportive
een sporter; een sportman/-vrouw
un sportif, une sportive
een sportevenement
une manifestation sportive
een wedstrijd
une rencontre sportive, un match
een wedstrijd (hardlopen, wielrennen,paardrennen, etc.)
une course
de sport
le sport
sporten; aan sport doen
faire du sport
(een sport) beoefenen
pratiquer (un sport/une discipline sportive)
atletisch
athlétique
een atleet/atlete
un, une athlète
een topsporter/-sportster
un sportif de haut niveau, une sportive de haut niveau
trainen
s'entraîner
de training
l'entraînement (m)
een trainer
un entraîneur, un(e) coach (dans le langage
courant, « une entraîneuse » s’utilise pour
désigner une femme employée dans un
établissement de nuit pour engager les
clients à danser et à consommer.)
een instructeur/instructrice
un moniteur, une monitrice
fit zijn
être en forme
sterk zijn
être fort(e)
de kracht
la force
zweten
transpirer
het zweet
la transpiration
een tegenstander/tegenstandster
un, une adversaire
(af)fluiten
siffler
een scheidsrechter
un, une arbitre
de (wedstrijd)helft, de rust (in een
wedstrijd)
la mi-temps
een verlenging
une prolongation
een supporter
un supporter
een club
un club [klœb]
lid zijn van een voetbalclub
être membre d’un club de foot / faire partie
d'un club de foot
een team; een elftal(voetbal)
une équipe
een uit-/thuiswedstrijd
un match aller/retour
een toernooi
un tournoi
een toernooi spelen
disputer un tournoi, se disputer le titre (d’un tournoi)
Beide teams zullen strijden om de titel.
Les deux équipes se disputeront le titre
een stadion
un stade
een gymnastiekzaal; een sportzaal
un gymnase
een sportterrein
un terrain de sport
de start
le départ
het startsein voor een wedstrijd geven
donner le départ d'une course
de aankomst; de finish
l'arrivée (f)
over de finishlijn gaan
franchir la ligne d'arrivée
een uitslag
un résultat
verslaan
battre (un adversaire)
een record (ver)breken
battre un record
Bordeaux heeft Monaco met 2-1 verslagen.
Bordeaux a battu Monaco 2 à 1.
(iets/van iemand) winnen
vb. de wereldbeker winnen
vb. winnen van de tegenpartij
gagner (quelque chose/contre quelqu’un)
ex. gagner la coupe du monde
ex. gagner contre l’équipe adverse
winnend
gagnant, e
een winnaar/winnares
un gagnant, une gagnante
De twee winnende teams treffen elkaar in de finale.
Les deux équipes gagnantes se
retrouveront en finale
(iets/van iemand) verliezen
perdre (qch / contre qn)
verliezend
perdant, e
een verliezer
un perdant, une perdante
overwinnen, verslaan
vb. Hij heeft zijn tegenstander verslagen.
vaincre
ex. Il a vaincu son adversaire.
een overwinnaar, een winnaar/winnares
un vainqueur
als winnaar uit een wedstrijd komen
sortir vainqueur d’un match
overwinnend, zegevierend
victorieux, victorieuse
een overwinning, een zege
une victoire
een overwinning behalen
remporter une victoire
gelijkspel (spelen)
(faire) match nul
een nederlaag
une défaite
de revanche
la revanche
revanche nemen
prendre sa revanche
loten
tirer au sort
de loting
le tirage au sort
een kampioen/kampioene
un champion, une championne
een kampioenschap
un championnat
het wereldkampioenschap
le championnat du monde, la coupe du monde
het klassement; de ranglijst
le classement
een wedstrijd; een competitie
une compétition
een competitie in teamverband
une compétition par équipes
een individuele competitie
une compétition individuelle
een topprestatie
un exploit
een record
un record
een record op zijn naam hebben (staan)
détenir un record
een record breken
battre un record
een record verbeteren, zijn/haar record verbeteren
améliorer un record, améliorer son record
een cup, een beker; een kampioenschap
une coupe
een medaille
une médaille
een gouden/zilveren/bronzen medaille
une médaille d'or/d'argent/de bronze
de Olympische Spelen
les Jeux Olympiques
een titel
un titre
een deelnemer/deelneemster
un participant, une participante
een favoriet/favoriete
un favori, une favorite
moeiteloos winnen
gagner haut la main
een uitdaging
un défi
een uitdaging aangaan
relever un défi
iemand uitdagen
lancer un défi à quelqu’un
een amateur
un amateur, une amatrice
Ze doen als amateur aan wielrennen.
Ils font du cyclisme en amateurs
een professional
un professionnel, une professionnelle, un pro, une pro
een speler/speelster
un joueur, une joueuse
een proftennisser
un joueur de tennis professionnel
een bal
un ballon (ex. de foot, de basket, …)
(un ballon est gonflé avec de l’air)
een bal
une balle (ex. de tennis)
(une balle ne peut pas être gonflée)
het voetbal
le foot(ball)
een voetbalveld
un terrain de foot
een doel, een goal; een doelpunt, een goal
un but
de keeper
le gardien de but
een doelpunt scoren/maken
marquer un but
het rugby
le rugby
het volleybal
le volley (le volley-ball, le volleyball)