1/17
Woordenschat- en begrippenkaartjes over Tijdvak 1: Jagers en Boeren, met aandacht voor de prehistorie, evolutieleer, landbouwrevolutie, vroege steden en religie.
Prehistorie
De periode in de geschiedenis van circa 2 miljoen jaar v. Chr. tot 3000 v. Chr., die eindigt met het ontstaan van het schrift.
Evolutietheorie
De theorie ontwikkeld door Charles Darwin die stelt dat diersoorten zich door middel van systematische aanpassingen aan de omgeving ontwikkelen.
Homo erectus
Vroege mensensoort die leefde vanaf circa 2 miljoen jaar geleden en bekendstaat om de uitvinding van het vuur.

Verspreiding van de mensensoorten
Homo erectus, Neanderthalers en Homo sapiens verspreidden zich vanuit Afrika over de rest van de continenten.
Jager-verzamelaars
Mensen die leefden van de jacht en het verzamelen van voedsel, een nomadisch bestaan leidden en gekenmerkt werden door een duidelijke taakverdeling en weinig sociaal verschil.
Nomadenbestaan
Een manier van leven waarbij een groep mensen geen vaste woonplaats heeft en rondtrekt op zoek naar voedsel en wild.
Landbouwrevolutie
De ingrijpende overgang rond 9000 v. Chr. naar akkerbouw en rond 7500 v. Chr. naar veeteelt, ook wel de agrarische of neolithische revolutie genoemd.
Domesticeren
Het temmen en fokken van tamme dieren of planten om ze dienstbaar te maken voor menselijk gebruik.

Vruchtbare Halve Maan
Het boogvormige gebied in het Midden-Oosten (Mesopotamië / Irak) waar de landbouwrevolutie begon bij de Soemeriërs.

Verspreiding van de landbouw
De wereldwijde opkomst en verspreiding van agrarische samenlevingen, onder andere in het Midden-Oosten, China, Griekenland, Midden-Amerika (Peru, Mexico), Azië en Afrika.
Sedentaire leefwijze
Het permanent wonen op een vaste verblijfplaats, ontstaan door de introductie van akkerbouw en veeteelt.
Sociale ongelijkheid
Het ontstaan van rang- en standsverschillen tussen mensen door verschillen in bezit, macht en aanzien in de landbouwsamenleving.
Beroepsspecialisatie
Het proces waarbij individuen zich toeleggen op een specifiek vakgebied (zoals nijverheid, ambachten of handel) dankzij een landbouwoverschot.
Landbouw-stedelijke samenleving
Een complexe samenlevingsvorm met steden (vaak meer dan 10.000 inwoners), ambachten, handel, religieuze gebouwen en een hiërarchisch bestuur van koningen en priesters.

Schrift
Communicatiemiddel (zoals hiërogliefen en spijkerschrift) dat ontstond om gegevens te onthouden in complexe samenlevingen zoals belastingen; de uitvinding markeert het einde van de prehistorie en het begin van de Oudheid.
Magisch wereldbeeld
De opvatting dat geesten en goden de natuurkrachten besturen en gunstig of ongunstig kunnen worden gestemd door menselijk handelen, offers en rituelen.
Priesters
Een machtige beroepsgroep die gebeden, offers en religieuze rituelen uitvoerde om de goden tevreden te stellen.
Kenmerkende Aspecten (KA's)
De 49 inhoudelijke kernpunten van de geschiedenis die fungeren als kapstokken om historische gebeurtenissen en chronologie te begrijpen.