Thema 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/96

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:14 AM on 10/6/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

97 Terms

1
New cards

afleggen (legde af, afgelegd)

een examen doen, uitvoeren (passer un examen)

2
New cards

afwezig

niet daar, niet aanwezig (absent)

3
New cards

behalen (behaalde, behaald)

een resultaat, een diploma krijgen (obtenir un résultat, un diplôme)

4
New cards

bijscholing (de -)

een extra opleiding om je kennis te verdiepen (formation continue)

5
New cards

college (het -; colleges)

de les aan een hogeschool of universiteit (cours)

6
New cards

examen (het -; examens)

grote test (examen)

7
New cards

leraar (de -; leraren/leraars)

persoon die les geeft (professeur)

8
New cards

mislukking (de -; mislukkingen)

het falen, een negatief resultaat behaald hebben (échec)

9
New cards

noteren (noteerde, genoteerd)

opschrijven (noter, écrire)

10
New cards

onthouden (onthield, onthouden)

in je hoofd bewaren, niet vergeten (retenir)

11
New cards

opschrijven (schreef op, opgeschreven)

noteren (noter, écrire)

12
New cards

praktisch

wat de praktijk betreft (pratique)

13
New cards

rector (de -; rectoren/rectors)

hoogste functie aan de universiteit (recteur)

14
New cards

spieken

afkijken, naar de notities van een andere persoon kijken tijdens een test (tricher, copier)

15
New cards

studie (de -; studies/studiën)

een richting om je te vervolmaken aan de universiteit of hogeschool (étude)

16
New cards

universiteit (de -; universiteiten)

onderwijsinstelling na de middelbare school waar je een master kan behalen (université)

17
New cards

(on)voldoende

(niet) genoeg (suffisant)

18
New cards

wetenschappelijk

wat de wetenschappen betreft (scientifique)

19
New cards

onderwijs (het -; /)

doorgeven van kennis en vaardigheden (enseignement)

20
New cards

richting (de -; richtingen)

domein binnen schoolcontext (option)

21
New cards

afnemen (nam af, afgenomen)

een test laten maken als leraar (faire passer (un test))

22
New cards

begrijpen (begreep, begrepen)

weten wat men bedoelt (comprendre)

23
New cards

bestuderen (bestudeerde, bestudeerd)

diep inzicht proberen te krijgen, studie maken van (analyser, étudier)

24
New cards

blokken

hard studeren (étudier pour un examen)

25
New cards

deelnemen (nam deel, deelgenomen)

actief meedoen (participer)

26
New cards

leren (leerde, geleerd)

nieuwe dingen verwerven (apprendre)

27
New cards

uit het hoofd leren

vanbuiten leren, woord voor woord instuderen (mémoriser, apprendre par coeur)

28
New cards

mislukken (mislukte, mislukt)

een negatief resultaat als gevolg hebben (échouer)

29
New cards

overgaan (ging over, overgegaan)

naar het volgende jaar gaan op school (passer au niveau supérieur)

30
New cards

praktijk (de -; praktijken)

de leerstof die je uitvoert,

31
New cards

schriftelijk

wat geschreven is (écrit)

32
New cards

spijbelen

niet naar de les gaan (sécher les cours)

33
New cards

theoretisch

wat de theorie betreft (théorique)

34
New cards

vak (het -; vakken)

leerdomein, bv. chemie (cours)

35
New cards

vrijstelling

het feit dat je een vak niet opnieuw moet afleggen (dispense)

36
New cards

zakken (zakte, gezakt)

niet slagen, een negatief resultaat behalen (échouer)

37
New cards

middelbare school (de -; scholen)

school voor kinderen vanaf 12 jaar (sécondaire)

38
New cards

hoger onderwijs (het -; /)

onderwijs na het middelbaar (enseignement supérieur)

39
New cards

proef (de -; proeven)

test (test, épreuve)

40
New cards

afstuderen

je diploma behalen aan het einde van je studie (obtenir son diplôme)

41
New cards

begrip (het -; begrippen)

de term (terme)

42
New cards

carrière (de -; carrières)

loopbaan (de -; loopbanen) (carrière)

43
New cards

diploma (het -; diploma's)

officieel certificaat dat je van een onderwijsinstantie op het einde van je studies krijgt (diplôme)

44
New cards

kleuterschool (de -; kleuterscholen)

school voor kinderen vanaf 2,5 jaar (maternelle)

45
New cards

lesgeven (gaf les, lesgegeven)

onderrichten, mensen kennis bijbrengen (enseigner)

46
New cards

mondeling

wat gesproken is (oral)

47
New cards

onderscheiding

graad waarbij je een resultaat tussen 68 en 77% behaalt (distinction)

48
New cards

onderzoek (het -)

een diepe studie (recherche, enquête)

49
New cards

opleiding (de-; opleidingen)

vorming in een domein (formation)

50
New cards

overschrijven (schreef over, overgeschreven)

met de hand kopiëren (copier)

51
New cards

professor (de -; professoren/professors)

hoogleraar, specifieke graad voor een leraar in het hoger onderwijs (professeur)

52
New cards

slagen (slaagde, geslaagd)

een positief resultaat behalen (réussir)

53
New cards

studeren (studeerde, gestudeerd)

ervoor zorgen dat je een vak kent (étudier)

54
New cards

universitair

wat de universiteit betreft (universitair)

55
New cards

voorbereiden (bereidde voor, voorbereid)

iets op voorhand klaarmaken (préparer)

56
New cards

wetenschap (de -; wetenschappen)

domein om te bestuderen en te begrijpen (science)

57
New cards

hogeschool (de -; hogescholen)

hoger, niet-universitair onderwijs (haute école, école supérieure)

58
New cards

lagere school (de -; lagere scholen)

school voor kinderen van 6 tot 12 jaar (école primaire)

59
New cards

ontdekken

découvrir

60
New cards

bestemming (de)

la destination

61
New cards

docent (niet een professor)

enseignant

62
New cards

doceren

enseigner

63
New cards

invloed (de)

influence

64
New cards

toekomst (de)

le futur

65
New cards

gevaar (het)

le danger

66
New cards

beinvloeden

influencer

67
New cards

Jobzekerheid

zeker voor de job (sécurité d’emploi)

68
New cards

zeker

certain/sûr

69
New cards

Aanraden

idee geven (conseiller)

70
New cards

Vakgebied

domaine d’expertise, discipline

71
New cards

Omarmen

Caliner (littéralement), accepter (métaphoriquement)

72
New cards
Arbeidsmaarkt
marché du travail
73
New cards
Maar 3 jaar
seulement 3ans
74
New cards
De theorie
la théorie
75
New cards
Theoretisch
théorique
76
New cards
De praktijk
la pratique
77
New cards
Praktisch
pratique (adjectif)
78
New cards
Het uurrooster
l'emploi du temps
79
New cards
Betaalbaar
raisonnable
80
New cards
Pendelen
faire la navette
81
New cards
Duur
cher
82
New cards
Duurder
plus cher
83
New cards

Stijgen (steeg, is gestegen)

augmenter

84
New cards
In vergelijking met
en comparaison avec
85
New cards

De lening

le crédit

86
New cards
Een lening aangaan bij de bank
contracter un emprunt auprès d'une banque
87
New cards

Besparen

réduire les couts

88
New cards

Sparen

épargner (de l’argent)

89
New cards
Beperken
réduire
90
New cards

een tekort

une pénurie

91
New cards

Uitwisseling

échange

92
New cards

bieden (bood, geboden)

offrir

93
New cards

Drukken (drukte, gedrukt)

faire baisser

94
New cards

aanpassen (paste aan, aangepast)

adapter

95
New cards

Aanpassingvermogen

capacité d'adaptation

96
New cards

Werkervaring

expérience professionnelle

97
New cards

Zelfvertrouwen

confiance en soit