1/96
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
afleggen (legde af, afgelegd)
een examen doen, uitvoeren (passer un examen)
afwezig
niet daar, niet aanwezig (absent)
behalen (behaalde, behaald)
een resultaat, een diploma krijgen (obtenir un résultat, un diplôme)
bijscholing (de -)
een extra opleiding om je kennis te verdiepen (formation continue)
college (het -; colleges)
de les aan een hogeschool of universiteit (cours)
examen (het -; examens)
grote test (examen)
leraar (de -; leraren/leraars)
persoon die les geeft (professeur)
mislukking (de -; mislukkingen)
het falen, een negatief resultaat behaald hebben (échec)
noteren (noteerde, genoteerd)
opschrijven (noter, écrire)
onthouden (onthield, onthouden)
in je hoofd bewaren, niet vergeten (retenir)
opschrijven (schreef op, opgeschreven)
noteren (noter, écrire)
praktisch
wat de praktijk betreft (pratique)
rector (de -; rectoren/rectors)
hoogste functie aan de universiteit (recteur)
spieken
afkijken, naar de notities van een andere persoon kijken tijdens een test (tricher, copier)
studie (de -; studies/studiën)
een richting om je te vervolmaken aan de universiteit of hogeschool (étude)
universiteit (de -; universiteiten)
onderwijsinstelling na de middelbare school waar je een master kan behalen (université)
(on)voldoende
(niet) genoeg (suffisant)
wetenschappelijk
wat de wetenschappen betreft (scientifique)
onderwijs (het -; /)
doorgeven van kennis en vaardigheden (enseignement)
richting (de -; richtingen)
domein binnen schoolcontext (option)
afnemen (nam af, afgenomen)
een test laten maken als leraar (faire passer (un test))
begrijpen (begreep, begrepen)
weten wat men bedoelt (comprendre)
bestuderen (bestudeerde, bestudeerd)
diep inzicht proberen te krijgen, studie maken van (analyser, étudier)
blokken
hard studeren (étudier pour un examen)
deelnemen (nam deel, deelgenomen)
actief meedoen (participer)
leren (leerde, geleerd)
nieuwe dingen verwerven (apprendre)
uit het hoofd leren
vanbuiten leren, woord voor woord instuderen (mémoriser, apprendre par coeur)
mislukken (mislukte, mislukt)
een negatief resultaat als gevolg hebben (échouer)
overgaan (ging over, overgegaan)
naar het volgende jaar gaan op school (passer au niveau supérieur)
praktijk (de -; praktijken)
de leerstof die je uitvoert,
schriftelijk
wat geschreven is (écrit)
spijbelen
niet naar de les gaan (sécher les cours)
theoretisch
wat de theorie betreft (théorique)
vak (het -; vakken)
leerdomein, bv. chemie (cours)
vrijstelling
het feit dat je een vak niet opnieuw moet afleggen (dispense)
zakken (zakte, gezakt)
niet slagen, een negatief resultaat behalen (échouer)
middelbare school (de -; scholen)
school voor kinderen vanaf 12 jaar (sécondaire)
hoger onderwijs (het -; /)
onderwijs na het middelbaar (enseignement supérieur)
proef (de -; proeven)
test (test, épreuve)
afstuderen
je diploma behalen aan het einde van je studie (obtenir son diplôme)
begrip (het -; begrippen)
de term (terme)
carrière (de -; carrières)
loopbaan (de -; loopbanen) (carrière)
diploma (het -; diploma's)
officieel certificaat dat je van een onderwijsinstantie op het einde van je studies krijgt (diplôme)
kleuterschool (de -; kleuterscholen)
school voor kinderen vanaf 2,5 jaar (maternelle)
lesgeven (gaf les, lesgegeven)
onderrichten, mensen kennis bijbrengen (enseigner)
mondeling
wat gesproken is (oral)
onderscheiding
graad waarbij je een resultaat tussen 68 en 77% behaalt (distinction)
onderzoek (het -)
een diepe studie (recherche, enquête)
opleiding (de-; opleidingen)
vorming in een domein (formation)
overschrijven (schreef over, overgeschreven)
met de hand kopiëren (copier)
professor (de -; professoren/professors)
hoogleraar, specifieke graad voor een leraar in het hoger onderwijs (professeur)
slagen (slaagde, geslaagd)
een positief resultaat behalen (réussir)
studeren (studeerde, gestudeerd)
ervoor zorgen dat je een vak kent (étudier)
universitair
wat de universiteit betreft (universitair)
voorbereiden (bereidde voor, voorbereid)
iets op voorhand klaarmaken (préparer)
wetenschap (de -; wetenschappen)
domein om te bestuderen en te begrijpen (science)
hogeschool (de -; hogescholen)
hoger, niet-universitair onderwijs (haute école, école supérieure)
lagere school (de -; lagere scholen)
school voor kinderen van 6 tot 12 jaar (école primaire)
ontdekken
découvrir
bestemming (de)
la destination
docent (niet een professor)
enseignant
doceren
enseigner
invloed (de)
influence
toekomst (de)
le futur
gevaar (het)
le danger
beinvloeden
influencer
Jobzekerheid
zeker voor de job (sécurité d’emploi)
zeker
certain/sûr
Aanraden
idee geven (conseiller)
Vakgebied
domaine d’expertise, discipline
Omarmen
Caliner (littéralement), accepter (métaphoriquement)
Stijgen (steeg, is gestegen)
augmenter
De lening
le crédit
Besparen
réduire les couts
Sparen
épargner (de l’argent)
een tekort
une pénurie
Uitwisseling
échange
bieden (bood, geboden)
offrir
Drukken (drukte, gedrukt)
faire baisser
aanpassen (paste aan, aangepast)
adapter
Aanpassingvermogen
capacité d'adaptation
Werkervaring
expérience professionnelle
Zelfvertrouwen
confiance en soit