1/239
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Je prends un taxi jusqu’à la gare
Ik neem een taxi naar het station
Où est l’hôpital ?
Waar is het ziekenhuis?
Combien coûte un billet pour Vienne s’il vous plaît ?
Hoeveel kost een ticket naar Wenen alstublieft?
Stefan parle très bien anglais
Stefan spreekt heel goed Engels
Je parle anglais allemand et espagnol. Et toi ?
Ik spreek Engels Duits en Spaans. En jij?
Veux-tu prendre une photo avec mon smartphone ?
Wil je met mijn smartphone een foto maken?
Mon cousin veut apprendre le néerlandais
Mijn neef wil Nederlands leren
J’ai une bonne connexion Wi-Fi dans mon appartement
Ik heb een goede wifiverbinding in mijn appartement
Pouvez-vous me donner le lait s’il vous plaît ?
Kan u me de melk geven alstublieft?
Nos billets de Bruxelles à Vienne coûtent 90 euros
Onze tickets van Brussel naar Wenen kosten 90 euro
Je répète la question parce que les étudiants ne comprennent pas la question
Ik herhaal de vraag want de studenten begrijpen de vraag niet
Sur le panneau il est écrit : « accès interdit ». Qu’est-ce que cela signifie ?
Op het bord staat: ‘verboden toegang’. Wat betekent dit?
Excusez-moi quelle heure est-il ?
Excuseer hoe laat is het?
J’aide ma mère à préparer la salade
Ik help mijn moeder met het maken van de salade
Les Pays-Bas sont très connus pour leurs tulipes
Nederland staat heel bekend om de tulpen
Mon adresse est Hoofdstraat 10 à Bruxelles
Mijn adres is Hoofdstraat 10 in Brussel
Ma date de naissance est le 20 mars 1982
Mijn geboortedatum is 20 maart 1982
Il est né en Belgique. Sa nationalité est belge
Hij is geboren in België. Zijn nationaliteit is Belgisch
Il cherche du travail en ville
Hij zoekt werk in de stad
Je m’appelle Michel et je viens des Pays-Bas
Ik ben Michel en ik kom uit Nederland
Mark et Lisa habitent maintenant en Belgique mais ils viennent du Canada
Mark en Lisa wonen nu in België maar ze komen uit Canada
J’habite chez ma mère et mon père
Ik woon bij mijn moeder en vader
Je viens de Finlande mais j’habite en Belgique
Ik kom uit Finland maar ik woon in België
Son âge est de 50 ans
Zijn leeftijd is 50 jaar
Cette maison a deux cents ans
Dit huis is tweehonderd jaar oud
Il est né en Angleterre mais il habite en Belgique
Hij is geboren in Engeland maar hij woont in België
Mon pays de naissance est le Canada. Je suis Canadien
Mijn geboorteland is Canada. Ik ben Canadees
Ma sœur fête son anniversaire le 20 mai
Mijn zus is jarig op 20 mei
Merci beaucoup pour le beau cadeau !
Dank u wel voor het mooie cadeau!
Je m’appelle Sandra Janssens
Mijn naam is Sandra Janssens
Bien sûr ce n’est pas un problème
Natuurlijk is dat geen probleem
Quelle est la date ?
Wat is de datum?
« Merci pour ton aide. » « Pas de problème. »
"Bedankt voor je hulp." "Geen probleem."
La semaine prochaine il fête son anniversaire avec une grande fête
Volgende week viert hij zijn verjaardag met een groot feest
Bonne continuation ! Au revoir !
Fijne dag verder! Tot ziens!
Mon prénom est Sandra
Mijn voornaam is Sandra
Je dois remplir un formulaire en ligne
Ik moet online een formulier invullen
Puis-je vous poser une question s’il vous plaît ?
Mag ik u een vraag stellen alstublieft?
J’ai besoin d’une copie de ta carte d’identité
Ik heb een kopie van je identiteitskaart nodig
Quand vient-elle ? Aujourd’hui ou demain ?
Wanneer komt ze? Vandaag of morgen?
Au revoir Sonja ! À bientôt !
Tot ziens Sonja! Tot gauw!
Mon nom de famille est Janssens
Mijn achternaam is Janssens
« Passez encore une bonne journée ! » « Vous aussi ! »
"Nog een fijne dag!" "Voor u ook!"
Venir au monde
Ter wereld komen
Bonjour Jan ! Comment vas-tu ?
Hallo Jan! Hoe gaat het met jou?
Je suis désolé(e) d’être en retard
Het spijt me dat ik te laat ben
Puis-je vous rappeler quand j’aurai terminé ?
Kan ik u terugbellen wanneer ik klaar ben?
« La Belgique a 9 provinces. C’est exact ? » « Non ce n’est pas exact. »
"België heeft 9 provincies. Klopt dat?" "Nee dat klopt niet."
Puis-je parler à Elga s’il vous plaît ?
Kan ik met Elga spreken alstublieft?
Le numéro du restaurant est le 03/6745670
Het nummer van het restaurant is 03/6745670
Le numéro de téléphone du restaurant est le 03/6745670
Het telefoonnummer van het restaurant is 03/6745670
Rappeler quelqu’un que l’on a déjà appelé
Opnieuw telefoneren naar iemand die je eerder al hebt gebeld
Demander à avoir quelqu’un au téléphone
Vragen om iemand telefonisch aan de lijn te hebben
grands-parents (les)
grootouders (de)
oncle (l’)
oom (de)
Un enfant de sexe masculin ayant les mêmes parents que toi
Een mannelijk kind met dezelfde ouders als jij
Le parent masculin d’un enfant
De mannelijke ouder van een kind
La fille de ton oncle et/ou de ta tante
Vrouwelijk kind van jouw oom en/of tante
cousine (la)
nicht (de)
fils (le)
zoon (de)
Enfant de sexe masculin d’un parent
Mannelijk kind van een ouder
grand-père (le)
opa (de)
Le père de ton père ou de ta mère
De vader van jouw vader of moeder
Un groupe de personnes qui sont de ta famille comme ta mère ton père ton oncle ta tante tes frères tes sœurs etc.
Een groep mensen die verwant zijn aan jou zoals je moeder vader oom tante broers zussen enz.
La mère de ton père ou de ta mère
De moeder van jouw vader of moeder
grand-mère (la)
oma (de)
cousin (le)
neef (de)
Enfant de sexe masculin de ton oncle et/ou de ta tante
Mannelijk kind van jouw oom en/of tante
sœur (la)
zus (de)
Une enfant de sexe féminin ayant les mêmes parents que toi
Een vrouwelijk kind met dezelfde ouders als jij
tante (la)
tante (de)
La sœur de ton père ou de ta mère
De zus van jouw vader of moeder
c’est / voici
dit is
Expression utilisée pour présenter quelque chose ou quelqu’un
Uitdrukking om iets of iemand te introduceren
enfant (l’)
kind (het)
Un fils ou une fille
Een zoon of dochter
fille (la)
dochter (de)
Enfant de sexe féminin d’un parent
Vrouwelijk kind van een ouder
Le parent féminin d’un enfant
De vrouwelijke ouder van een kind
Deux personnes qui ont un enfant ensemble : le père et la mère
Twee personen die samen een kind hebben; vader en moeder
parents (les)
ouders (de)
Qui suis-je ?
Wie ben ik?
J’ai un frère aîné et pas de sœurs
Ik heb een oudere broer en geen zussen
Mon enfant a 5 ans
Mijn kind is 5 jaar oud
Mon père a 50 ans
Mijn vader is 50 jaar oud
J’ai deux enfants : un fils et une fille
Ik heb twee kinderen: een zoon en een dochter
Voici ma mère Anna
Dit is mijn moeder Anna
Mes grands-parents habitent à Gand
Mijn grootouders wonen in Gent
Mon cousin est le fils de mon oncle et de ma tante
Mijn neef is de zoon van mijn oom en tante
Il a deux enfants : une fille et un fils
Hij heeft twee kinderen: een dochter en een zoon
Ma cousine est la fille de mon oncle et de ma tante
Mijn nicht is de dochter van mijn oom en tante
Verbe utilisé pour nommer ou décrire des choses des personnes ou des situations
Verbum dat gebruikt wordt om dingen personen of situaties te benoemen of te beschrijven
Ma grand-mère a 80 ans
Mijn oma is 80 jaar oud
Mon frère et moi habitons chez nos parents
Mijn broer en ik wonen bij onze ouders
Mon oncle Wim est le frère aîné de mon père
Mijn oom Wim is de oudere broer van mijn vader
J’ai une grande famille
Ik heb een grote familie
Mes parents ont deux filles : ma sœur et moi
Mijn ouders hebben twee dochters: mijn zus en ik
Ma tante Griet est la sœur de mon père
Mijn tante Griet is de zus van mijn vader
Mon grand-père et ma grand-mère habitent en Allemagne
Mijn opa en oma wonen in Duitsland
Un jour férié est un jour où la plupart des gens ne travaillent pas et où l’on commémore un événement important
Een feestdag is een dag waarop de meeste mensen niet werken en mensen een belangrijke gebeurtenis herdenken