HC 5

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/242

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Erfelijke/familie aspecten van kanker

Last updated 2:20 PM on 10/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

243 Terms

1
New cards

Wat zijn de twee leerdoelen van HC5?

Familiaire kanker genetisch verklaren; erfelijke borst-, darmkanker en melanoom herkennen en duiden.

2
New cards

Wat is een kiembaanvariant?

Een DNA-variant aanwezig vanaf de bevruchting en doorgaans in alle lichaamscellen.

3
New cards

Wat is een somatische variant?

Een genetische verandering die na de bevruchting in een cellijn ontstaat.

4
New cards

Wat is erfelijke kanker?

Kanker op basis van een overgeërfde pathogene kiembaanvariant die het risico verhoogt.

5
New cards

Wat is familiaire kanker?

Kankerclustering in een familie, ook zonder aangetoonde monogene oorzaak.

6
New cards

Wat is sporadische kanker?

Kanker zonder aangetoonde erfelijke aanleg, meestal door verworven veranderingen.

7
New cards

Wat houdt Knudsons two-hit-model in?

Voor klassieke tumorsuppressorgenen moeten beide functionele allelen in de tumor uitvallen.

8
New cards

Wat is bij een erfelijke tumorsuppressoraanleg de eerste hit?

Een pathogene kiembaanvariant in één allel.

9
New cards

Waarom is bij erfelijke aanleg minder extra mutatie nodig?

Eén allel is al uitgeschakeld; vaak volstaat een tweede somatische hit in dezelfde cel.

10
New cards

Waar treden bij sporadische tumorsuppressorkanker meestal beide hits op?

In de betrokken lichaamscel tijdens het leven.

11
New cards

Waarom ontstaat erfelijke kanker vaak eerder?

De eerste hit is aangeboren, waardoor minder extra stappen nodig zijn.

12
New cards

Wat betekent penetrantie?

Het deel van variantdragers dat het bijbehorende fenotype ontwikkelt.

13
New cards

Waarom is de penetrantie van kankeraanleg niet altijd 100%?

Een tweede hit en andere genetische, omgevings- en toevalsprocessen zijn niet gegarandeerd.

14
New cards

Wat betekent autosomaal dominante aanleg?

Eén pathogene variant in een autosomaal gen kan al een verhoogde ziektekans geven.

15
New cards

Hoe groot is de overervingskans per kind bij een heterozygote AD-variant?

50%, onafhankelijk per zwangerschap.

16
New cards

Betekent 50% overervingskans ook 50% kans op kanker?

Nee; variantovererving en penetrantie zijn verschillende kansen.

17
New cards

Welke genklassen zijn bij erfelijke kankersyndromen frequent betrokken?

Vooral tumorsuppressorgenen en DNA-herstelgenen.

18
New cards

Hoeveel genen koppelt de presentatie aan erfelijke kanker?

Meer dan 100 genen.

19
New cards

Hoe worden genen naar risico-effect ingedeeld?

Hoge, intermediaire en lage penetrantie.

20
New cards

Sluit een negatieve genetische test een familiair verhoogd risico uit?

Nee; familiair risico kan bestaan zonder gevonden pathogene variant.

21
New cards

Wat is een variant of uncertain significance (VUS)?

Een DNA-variant waarvan de ziektebetekenis nog niet betrouwbaar vastgesteld is.

22
New cards

Welk deel van kanker staat in het cirkeldiagram als erfelijk vermeld?

Ongeveer 5–10% volgens de collegefiguur.

23
New cards

Welk deel toont de figuur als familiair?

Ongeveer 10–20% volgens de collegefiguur.

24
New cards

Welk deel van de kankers is het grootste?

Sporadische kanker.

25
New cards

Welke leeftijd bij kanker is een alarmsignaal voor erfelijke aanleg?

Relatief jonge leeftijd; in de take-home staat <50 jaar.

26
New cards

Waarom is meermaals dezelfde kanker in één familie verdacht?

Het wijst mogelijk op een gedeelde kiembaanpredispositie.

27
New cards

Waarom zijn meerdere primaire tumoren in één patiënt verdacht?

Ze kunnen wijzen op een erfelijk tumorsyndroom.

28
New cards

Welke drie pathologische kenmerken kunnen erfelijke kanker verraden?

Specifieke histologie, eiwitkleuring en DNA-profiel.

29
New cards

Welke lichamelijke kenmerken kunnen erfelijke kanker suggereren?

Dysmorfe kenmerken, pigmentafwijkingen en bijzondere huidafwijkingen.

30
New cards

Wat is de waarde van een stamboom bij kanker?

Toont aangedane familieleden, verwantschap, diagnoseleeftijd en overervingspatroon.

31
New cards

Wat geeft de pijl in een genetische stamboom vaak aan?

De indexpatiënt of proband.

32
New cards

Wat betekent een ingekleurd symbool meestal in de besproken stambomen?

Een persoon met de aangeduide kanker of eigenschap.

33
New cards

Wat is een eerstegraads familielid?

Ouder, kind, broer of zus.

34
New cards

Waarom is pathologie soms belangrijker dan alleen familiegeschiedenis?

Specifieke tumorprofielen kunnen een erfelijke oorzaak verraden zonder veel aangedane familieleden.

35
New cards

Waarom moet je ook familieleden van vaderszijde uitvragen?

Een autosomaal dominante variant kan via beide ouderlijnen worden overgedragen.

36
New cards

Wat bedoelt de presentatie met '1 op 2'?

Een belangrijke illustratie van de frequentie van kanker tijdens het leven, niet van erfelijke overerving.

37
New cards

Wat is genetische counseling?

Uitleg over erfelijk risico, onderzoek, gevolgen en keuzes voor patiënt en familie.

38
New cards

Hoeveel borstkankerdiagnoses noemt HC5 voor Nederland in 2026?

Ongeveer 17.600 diagnoses, volgens de dia.

39
New cards

Wat is volgens HC5 het levensrisico op borstkanker bij vrouwen?

Circa 1 op 7.

40
New cards

Wat is volgens de dia de kans om aan borstkanker te overlijden?

Circa 1 op 27 vrouwen.

41
New cards

Welk aandeel borstkankerpatiënten heeft een eerste- of tweedegraads familielid met borstkanker?

Ongeveer 15%, volgens de dia.

42
New cards

Welk aandeel borstkankerdiagnoses ontstaat onder de 40 jaar?

Ongeveer 5%, volgens de dia.

43
New cards

Waarom bewijst borstkanker in de familie niet meteen BRCA-erfelijkheid?

Familiaire clustering kan ook polygeen, omgevingsgebonden of toevallig zijn.

44
New cards

Welke twee bekendste borstkankeraanleggenen zijn belangrijk?

BRCA1 en BRCA2.

45
New cards

Welke vijf vaak geteste borstkankergeassocieerde genen noemt de samenvatting?

BRCA1, BRCA2, PALB2, CHEK2 en ATM.

46
New cards

Welke andere hoogrisicogenen zijn afgebeeld in de risico-frequentiegrafiek?

Onder andere TP53, CDH1, PTEN en STK11.

47
New cards

Wat betekenen de assen van de borstgenengrafiek?

Horizontaal allelfrequentie; verticaal relatief borstkankerrisico.

48
New cards

Wat is het gebruikelijke patroon van zeldzame hoogrisicovarianten?

Ze zijn minder frequent, maar geven per drager vaak een groter risico.

49
New cards

Wat zijn SNP's?

Variaties in één nucleotidepositie van het DNA.

50
New cards

Wat is de invloed van één veelvoorkomende risicosNP meestal?

Een relatief kleine verandering in individueel kankerrisico.

51
New cards

Wat is een polygene risicoscore (PRS)?

Een gecombineerde risicoschatting op basis van veel genetische varianten.

52
New cards

Waarom verschilt risico tussen twee CHEK2-dragers?

Familieanamnese en andere genetische risicovarianten veranderen het absolute risico.

53
New cards

Wat is het verschil tussen relatief en absoluut risico?

Relatief vergelijkt kansen; absoluut is de feitelijke kans in een periode.

54
New cards

Welke genen op de slide geven een sterk verhoogd risico op borstkanker?

Onder meer BRCA1, BRCA2 en PALB2; risico verschilt per gen.

55
New cards

Welke borstkankergenmutaties hangen ook samen met ovariumkanker?

Vooral BRCA1 en BRCA2.

56
New cards

Waarom heeft jong ontstane borstkanker extra genetische betekenis?

Een pathogene kiembaanvariant is relatief waarschijnlijker bij vroege ziekte.

57
New cards

Waarom kan triple-negatieve borstkanker aanleiding zijn voor erfelijkheidsonderzoek?

Dit tumortype is geassocieerd met BRCA1-gerelateerde aanleg.

58
New cards

Waarom kan een negatieve BRCA1/2-test niet al het familiaire risico uitsluiten?

Andere genen en polygene/familiaire factoren kunnen het risico bepalen.

59
New cards

Wat doen BRCA1 en BRCA2 voor DNA-herstel?

Ze zijn betrokken bij homologe recombinatie van dubbelstrengsbreuken.

60
New cards

Hoeveel lifetime borstkankerrisico vermeldt HC5 voor vrouwelijke BRCA1/2-dragers?

Ongeveer 60–80% volgens de dia.

61
New cards

Hoe hoog is volgens HC5 het ovariumkankerrisico bij BRCA1-dragers?

Ongeveer 35–45% volgens de dia.

62
New cards

Hoe hoog is volgens HC5 het ovariumkankerrisico bij BRCA2-dragers?

Ongeveer 10–20% volgens de dia.

63
New cards

Wat vermeldt HC5 als borstkankerrisico voor mannelijke BRCA2-dragers?

Circa 7%.

64
New cards

Wat vermeldt HC5 als prostaatkankerrisico voor mannelijke BRCA2-dragers?

Circa 25%.

65
New cards

Wat betekent surveillance bij BRCA-aanleg?

Periodieke controle om kanker vroegtijdig op te sporen.

66
New cards

Op welke leeftijd start volgens de dia jaarlijkse mamma-MRI bij BRCA1/2?

Vanaf 25 jaar, volgens het collegeoverzicht.

67
New cards

Welk MRI-interval noemt de dia voor vrouwen van 25–60 jaar?

Jaarlijks; het schema bevat aanvullend mammografieadvies.

68
New cards

Welke preventieve ingreep noemt de dia voor ovariumkankerrisico?

Risicoreducerende verwijdering van eierstokken/eileiders, timing individueel.

69
New cards

Welk leeftijdsinterval staat bij preventieve oöforectomie in de college-dia?

35–45 jaar; daadwerkelijke timing hangt onder andere van het gen af.

70
New cards

Welke prostaatcontrole noemt HC5 voor mannelijke BRCA2-dragers?

PSA-controle van 45–70 jaar volgens de dia.

71
New cards

Waarom kan een familiair ovariumcarcinoom reden zijn voor genetische analyse?

Een deel van de patiënten draagt een kiembaanvariant in BRCA1/2.

72
New cards

Welk aandeel ovariumkanker noemt HC5 met BRCA1/2-kiembaanvariant?

Ongeveer 10–15% volgens de dia.

73
New cards

Waarom kan een BRCA-variant in de tumor niet automatisch erfelijk worden genoemd?

De verandering kan alleen somatisch in de tumor voorkomen.

74
New cards

Welke stap volgt bij een mogelijke erfelijke BRCA-variant na tumortesten?

Kiembaanonderzoek en genetische counseling via klinische genetica.

75
New cards

Waarom is een somatische BRCA-mutatie toch therapeutisch relevant?

Ze kan HR-deficiëntie veroorzaken en daarmee behandelkeuzes beïnvloeden.

76
New cards

Wat is cascadeonderzoek?

Gericht testen van verwanten nadat een familiaire pathogene variant is gevonden.

77
New cards

Wat is het voordeel van cascadeonderzoek?

Verwanten met aanleg kunnen tijdig risicovermindering en surveillance bespreken.

78
New cards

Welke CHEK2-variant wordt in de slides als voorbeeld genoemd?

CHEK2 1100delC.

79
New cards

Welk borstkankerrisico noemt HC5 bij CHEK2 1100delC?

Volgens de dia ongeveer 20–55%, afhankelijk van familieanamnese.

80
New cards

Welk screeningsschema staat in de CHEK2-dia?

Jaarlijkse mammografie tussen 35–60 jaar, volgens de college-dia.

81
New cards

Waarom kan eenzelfde CHEK2-variant verschillende risico's geven?

Andere risicofactoren en polygene achtergrond veranderen penetrantie.

82
New cards

Wat laat de PRS-grafiek bij CHEK2-dragers zien?

Hoge PRS verhoogt het risico, lage PRS verlaagt het ten opzichte van gemiddeld.

83
New cards

Waarvoor wordt CanRisk gebruikt?

Om persoonlijk borst-/ovariumkankerrisico met meerdere factoren te schatten.

84
New cards

Welke informatie gebruikt CanRisk?

Genetica, familieanamnese, leeftijd en persoonlijke/reproductieve risicofactoren.

85
New cards

Waarom is CanRisk nuttig wanneer BRCA1/2 negatief is?

Een familiale risicotoename kan toch worden gekwantificeerd.

86
New cards

Welke twee levenslange risicoschattingen toont de niet-BRCA-casus?

26% en 31%, volgens de dia.

87
New cards

Hoe noemt HC5 een levenslang borstkankerrisico van 13–20%?

Licht verhoogd.

88
New cards

Hoe noemt HC5 een levenslang borstkankerrisico van 20–30%?

Matig verhoogd.

89
New cards

Hoe noemt HC5 een levenslang borstkankerrisico boven 30%?

Sterk verhoogd.

90
New cards

Welk beleid noemt de dia bij 13–20% borstkankerrisico?

Bevolkingsonderzoek met mammografie van 50–75 jaar, tweejaarlijks.

91
New cards

Welk beleid noemt de dia bij 20–30% borstkankerrisico?

Jaarlijkse mammografie 40–50 jaar; daarna bevolkingsonderzoek.

92
New cards

Welk beleid noemt de dia bij >30% borstkankerrisico?

Jaarlijkse specialistische borstcontrole 35–60 jaar; daarna bevolkingsonderzoek.

93
New cards

Waarom kan twee zussen met dezelfde familieanamnese een ander risico hebben?

Hun persoonlijke factoren en genetische achtergrond hoeven niet identiek te zijn.

94
New cards

Welke twee hoofdlocaties voor darmkanker noemt de IKNL-dia?

Dikke darm en endeldarm.

95
New cards

Hoeveel nieuwe darmkankerdiagnoses toont de dia voor 2023?

12.015 diagnoses in Nederland.

96
New cards

Welk aandeel werd volgens de dia in de dikke darm gevonden?

Ongeveer 74%.

97
New cards

Welk aandeel werd volgens de dia in de endeldarm gevonden?

Ongeveer 26%.

98
New cards

Waarom is bevolkingsonderzoek naar darmkanker belangrijk?

Het kan vroegstadiumkanker en voorstadia opsporen.

99
New cards

Welke ontlastingstest wordt bij bevolkingsonderzoek gebruikt?

Een immunochemische test op occult bloed (FIT).

100
New cards

Wat volgt gewoonlijk bij een positieve FIT?

Een diagnostische coloscopie.