1/73
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
States = tijdelijke gemoedstoestanden
Traits = relatief stabiele persoonlijkheidskenmerken
Als interne causale eigenschappen
Als beschrijvende samenvatting
Benadering die traits ziet als categorieën van gedragingen, gemeten via:
Act nomination = gedragingen bedenken
Prototypicality = bepalen welke het meest typerend zijn
Recording = meten hoe vaak iemand ze vertoont
Ideografische visie: iedereen heeft een unieke combinatie van traits
Nomothetisch: iedereen heeft dezelfde set van traits maar in andere verhoudingen
De lexicale benadering (taal)
Statistische benadering (factoranalyse)
Theoretische benadering
Hiërarchisch model met 3 super-traits:
Psychoticisme = neiging tot agressie, egocentrisme, impulsiviteit en gebrek aan empathie
Extraversie = mate waarin iemand sociaal, actief en dominant is
Neuroticisme = mate van emotionele instabiliteit en sterke negatieve emoties/emotional arousal
Er zijn ook andere traits die erfelijk zijn
De theorie is te sterk gepolariseerd
Gekoppeld aan cortical arousal
Introverte mensen hebben een hoger basisniveau van arousal dan extraverte mensen.
Mensen hebben traits, States en gedragingen die verschillen in hoe consistent ze zijn
Traits = stabiele patronen in iemands gedachten/ gevoelens
States = tijdelijke toestanden
Gedrag = afhankelijk van situatie en daarom tijdelijk en wisselend
Mensen kunnen zelfde eigenschap delen, maar deze kan toch van persoon tot persoon verschillen > iedere persoon is uniek
Persoonlijkheid bestaat uit 16 onderliggende basiskenmerken (source traits), onderverdeeld in
Dynamic traits
Ability traits
Temperament traits
Hij maakt ook onderscheid tussen common traits en unieke traits
L-data = gedrag in alledaagse situaties meten (zoals schoolprestaties)
Q-data = gedrag meten aan de hand van vragenlijsten
OT-data = gedrag observeren in kunstmatig gecreëerde situaties
Niemand heeft theorie kunnen bevestigen, zelfs Cattel zelf niet. Had waarschijnlijk te maken met een calculatiefout
Critici vonden ook dat 16 factoren te veel zijn om mee te werken
Interpersoonlijke kenmerken ingedeeld op 2 hoofddimensies:
liefde en status
interpersonal traits = wat mensen anderen aandoen/ wat ze met anderen doen
temperament traits = nerveus, teneergeslagen, sloom, prikkelbaar
character traits = moraal, principieel, eerlijk
material traits = gierig, hebzuchtig
attitude traits = godvrezend, spiritueel
mental traits = slim, logisch en waarnemend
physical traits = gezond, sterk
Geeft expliciete definitie van interpersoonlijk gedrag
Specificeert de relaties tussen elk kenmerk in het model (geeft relaties weer tussen verschillende interpersoonlijke traits)
Leidt onderzoekers naar verwaarloosde gebieden van psychologisch functioneren
Adjacency
Bipolarity
Orthogonality
Hoe dichtbij de kenmerken bij elkaar staan in de circumflex
Variabelen die naast elkaar staan hebben positieve correlatie met elkaar
Interpersoonlijke kaart is beperkt tot 2 dimensies
Belangrijke interpersoonlijke kenmerken zoals neuroticisme worden niet in circumflex opgenomen terwijl ze wel een rol spelen in sociale interacties
5 brede persoonlijkheidsdimensies
Openness = open voor nieuwe ervaringen/ideeën
Conscientiousness = zorgvuldig en georganiseerd.
Extraversion = sociaal en contact zoeken.
Agreeableness = vriendelijk/coöperatief, conflicten vermijden
Neuroticism = negatieve emoties zoals angst, depressie en jaloezie
Theorie is te beperkt omdat niet elke cultuur dezelfde interpretatie heeft van persoonlijkheid
Er is sprake van cirkelredenatie = waarom is het gedrag zo? vanwege de traits. hoe kun je die traits bepalen? door het gedrag
Uitbreiding van de Big Five met een zesde factor:
Honesty-Humility (eerlijkheid-bescheidenheid).
Honesty-Humility
Emotionality
Extraversion
Agreeableness
Conscientiousness
Openness to experience
Bestaat uit Machiavellianisme, narcisme en psychopathie
Gekenmerkt door sociaal destructief gedrag.
Belangrijke individuele verschillen komen in taal terecht.
Belangrijke traits hebben veel synoniemen en komen vaak in meerdere culturen/talen voor.
synoniem frequentie: hoe meer synoniemen er voor een woord zijn hoe belangrijker het woord is
crossculturele algemeenheid: hoe belangrijker een individueel verschil is hoe meer talen een woord hebben om dit verschil te beschrijven
Begint met een pool van persoonlijkheidsitems
Doel van statistische benadering is het identificeren van de grootste dimensies op de persoonlijkheidskaart (meest gebruikte methode is factoranalyse)
Factoranalyse: grote hoeveelheid persoonlijkheidsitems samenvoegen tot kleinere, betekenisvollere set van brede basisfactoren
Factor loading: geeft aan hoe sterk een specifiek persoonlijkheidsitem samenhangt met de overkoepelende factor.
Nomothetische en biologische benadering:
Traits zijn sterk erfelijk en hebben volgens Eysenck een psychofysiologische/biologische basis.
Dynamic traits = doelen/motivatie
Ability traits = vaardigheden
Temperament traits = emotioneel leven en gedragspatronen.
Methodes om source traits te meten
L-data = life records
Q-data = self-ratings/vragenlijsten
OT-data = gedrag in objectieve, kunstmatig gecreëerde testsituaties.
Ontstaan uit lexicaal + statistisch onderzoek/factoranalyse
Dezelfde vijf brede factoren werden herhaaldelijk gevonden.
Veelgebruikte Big Five-vragenlijst met 240 items
Nadeel van zelfrapportage is o.a. sociaal wenselijk antwoorden.
Machiavellianisme = manipulatie/eigenbelang
Narcisme = zelfgericht/egoïstisch
Psychopathie = impulsiviteit, weinig empathie en antisociaal gedrag.
Genetische factoren
Hormonale invloeden
Sociale verwachtingen/self-fulfilling prophecy
Habituele emotie-expressie.
AI voorspelde alle Big Five-traits significant maar bescheiden (gemiddeld r=.243)
Conscientiousness werd het beste voorspeld.
Common traits = eigenschappen die bij veel mensen voorkomen
Unique traits = eigenschappen die uniek zijn voor één persoon.
De vijf dimensies zijn brede factoren die bestaan uit kleinere traits/facets.
Mensen kunnen even hoog scoren op een brede factor, maar verschillen in de onderliggende facets.
Narcisme hangt positief samen met extraversion, conscientiousness en openness
Machiavellianisme hangt negatief samen met extraversion
Psychopathie hangt negatief samen met conscientiousness.
Narcisme = functional impulsivity
Psychopathie = dysfunctional impulsivity.
Machiavellianisme en psychopathie hangen samen met lagere cognitive empathy.
Het gezicht wordt als één geïntegreerd geheel verwerkt in plaats van als losse gezichtskenmerken.
Een real-life foto kan ook een holistic behavioural act zijn, omdat bijvoorbeeld kapsel, hoofdhoek en belichting informatie kunnen bevatten.
Functional impulsivity = snel beslissen wanneer dat effectief/voordelig is, zonder slechte zelfcontrole
Dysfunctional impulsivity = snel en onnauwkeurig beslissen met negatieve gevolgen en beperkte zelfcontrole.
Extraversie gaat over actieve behoefte om met anderen samen te zijn en over sociale dominantie binnen groepen
Agreeableness gaat over kwaliteit van de relatie
Interpretatie 1: het is een methodologische artefact (sociaal wenselijk antwoordgedrag)
Interpretatie 2: het weerspiegelt reële sociale effectiviteit of emotionele intelligentie
Alledaags sadisme (everyday sadism)
Weerspiegelt het ervaren van plezier, vreugde en genot bij toebrengen van leed, pijn of zien lijden van anderen in alledaagse situaties
Machiavellianisme kenmerkt zich door berekend, strategisch en risicomijdend langetermijngedrag
Psychopathie kenmerkt zich juist door impulsiviteit en nemen van ondoordachte risico’s in hoog-risicosituaties
Psychopaat gebruikt geweld hoofdzakelijk instrumenteel (als middel om een specifiek egoïstisch doel te bereiken)
Alledaags sadist brengt schade of pijn toe puur voor persoonlijke genot en plezier dat hij beleeft aan lijden van slachtoffer
Deelnemers konden kiezen tussen pijn verdragen (ijswater), toiletten poetsen, of pissebedden doden in een grinder
Sadisten kozen significant vaker voor het doden van insecten en toonden zich gemotiveerd om actief anderen leed toe te brengen, zelfs zonder beloning
Deelnemer krijgt een lijst met begrippen (waarvan sommige fictief, zoals niet-bestaande boeken of historische figuren) en moet aangeven of hij ze kent
Narcisten claimen vaker dat ze ook de niet-bestaande begrippen kennen om slim over te komen