1/219

ill
ziek

sick
ziek / misselijk

nauseous
misselijk

horrible
vreselijk (misselijk)

unwell
niet goed (misselijk)

healthy
gezond

fit
fit

well
goed / gezond

fine
goed / gezond

poorly
slecht

unhealthy
ongezond

health
gezondheid

fitness
fitheid

an illness
ziekte

a disease
ziekte / aandoening

a sickness
ziekte

nausea
misselijkheid

to vomit
overgeven

to recover
herstellen / beter worden / genezen

recovery
herstel / genezing

condition
conditie / toestand (in verband met gezondheid)

to improve
verbeteren

to deteriorate
verslechteren

to relapse
terugvallen

in remission
in remissie

to sneeze
niezen

to cough
hoesten / kuchen

to blow your nose
je neus snuiten

to ache
pijn doen (een lichaamsdeel doet zelf pijn)

to hurt
pijn doen (een lichaamsdeel zelf of iemand anders)

to breathe
ademen

a sneeze
een nies

a cough
een hoest / kuch

a sore throat
keelpijn

flu
griep

a cold
verkoudheid

a virus
virus

a symptom
symptoom

a fever
koorts

hay fever
hooikoorts

a runny nose
loopneus

sore
pijnlijk

a sore
een zweer

allergic
allergisch
diarrhoea
diarree

a hangover
een kater

a chemist / pharmacist
een apotheker

a prescription
een voorschrift

a toothache
tandpijn

a stomach ache / stomach-ache
maagpijn

a backache
rugpijn

an earache
oorpijn

a headache
hoofdpijn

pain
pijn

painful
pijnlijk

painless
pijnloos

injured / wounded
verwond / gewond

an injury
een verwonding

an injection
een injectie

a filling
een tandvulling

a cavity
een gaatje (in een tand)

a tooth (plural: teeth)
een tand (meervoud: tanden)

cancer
kanker

a heart attack
een hartaanval

hepatitis
hepatitis / leverontsteking

asthma
astma

an infection
een infectie

an ambulance
een ziekenwagen

to cut
snijden / knippen

to bleed
bloeden

to twist
verstuiken / draaien

to fall (over)
vallen

to break
breken

to burn
verbranden

to bruise
kneuzen

to hit
raken / slaan

to knock unconscious
bewusteloos slaan

to collide
botsen

to wound / injure
verwonden

to shoot
schieten

to stab
steken

to be beaten up
in elkaar geslagen worden

a plaster
een pleister

plaster
gips

a sling
een draaglus / draagdoek

a bandage
een verband / windsel

a concussion
een hersenschudding

confused
verward

a bruise
een kneuzing / blauwe plek

swollen
gezwollen

(un)conscious
(on)bewust / (buiten) bewustzijn

a blood test
een bloedtest

a cut
een snede / snee

stitches (a stitch)
hechtingen (een hechting)

a wound
een wonde

a stab wound
een steekwonde

a knife wound
een meswonde / steekwonde

a bullet wound
een kogelwonde / schotwonde

a weapon
een wapen

a shot
een schot