Nederlands 5 - Woordenschatlijst Semester 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/23

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een complete lijst van woordenschatkaarten voor Nederlands 5 (Semester 1) gebaseerd op de behandelde thema's: interpunctie, bibliografie, taal in de middeleeuwen en tekststructuren.

24 Terms

1
New cards

Het neologisme

Een nieuwvorming, een nieuw woord.

2
New cards

De volzin

Een zin bestaande uit een onderwerp en een persoonsvorm.

3
New cards

Het homoniem

Woorden met dezelfde spelling, dezelfde uitspraak, maar een andere betekenis (bijvoorbeeld kool: steenkool, rode kool).

4
New cards

De homograaf

Woord met dezelfde spelling, een andere uitspraak en een andere betekenis (bijvoorbeeld bedelen is een homograaf van bedelen).

5
New cards

De homofoon

Woord met dezelfde uitspraak, maar een andere betekenis en een andere spelling (bijvoorbeeld rijzen en reizen).

6
New cards

De bijstelling

Een bijvoeglijke bepaling die een omschrijving geeft van een persoon of een zaak die net genoemd werd; bevat geen persoonsvorm (bijvoorbeeld: Jan, de eigenaar van de winkel, is mijn oom).

7
New cards

De uitbreidende bijzin

Een bijzin die een omschrijving geeft van een persoon of een zaak die net genoemd werd; bevat wel een persoonsvorm (bijvoorbeeld: Jan, die de eigenaar van de winkel is, is mijn oom).

8
New cards

Het plagiaat

Het overnemen van het werk van anderen, van jezelf in identiek dezelfde vorm of in (licht) gewijzigde vorm zonder op de juiste manier de bron te hebben vermeld.

9
New cards

De bronvermelding

Het vermelden van de bron (= de naam van de oorspronkelijke maker, uitvinder, bedenker, auteur, …) van de tekst, afbeelding, grafiek, … die je gebruikt hebt in je werk.

10
New cards

De bibliografie

Lijst van geraadpleegde werken achterin de scriptie of op het einde van het artikel.

11
New cards

Het citaat

Letterlijke weergave van iemands woorden.

12
New cards

De parafrase

Iemands woorden in je eigen woorden herformuleren.

13
New cards

De clerus

De geestelijkheid (priesters, bisschoppen, kloosterlingen, de paus, …).

14
New cards

Fonetische spelling

(Foutieve) spelling waarbij men het woord schrijft zoals men het uitspreekt.

15
New cards

De hertaling

Het overzetten van een tekst uit een oudere fase van een taal naar een recentere fase binnen dezelfde taal.

16
New cards

Chronologisch

Elkaar in de tijd opvolgend.

17
New cards

De stemkleur

Het timbre van de stem: klinkt ze warm en aangenaam of schril en koel?

18
New cards

De krachtterm

Onbehoorlijke taal zoals vloeken, grof taalgebruik, vulgaire taal.

19
New cards

Het versterkingswoord

Woord dat een ander woord versterkt (bijvoorbeeld: ongelooflijk, erg, super, ontzettend).

20
New cards

De modale constructie

Woorden die een zekere mate van voorzichtigheid, onzekerheid in de zin leggen (bijvoorbeeld: waarschijnlijk, zou kunnen, misschien, ik denk, mogelijks, …).

21
New cards

De non-verbale communicatie

Communicatie zonder woorden, maar via lichaamstaal, de handen (= de gestiek) of het gezicht (= de mimiek).

22
New cards

Sturen

Het verloop bepalen van iets.

23
New cards

Verstokt

Koppig, niet bereid om te veranderen, hardnekkig.

24
New cards

Sensibiliseren

Bewustmaken van een probleem.