1/23
Een complete lijst van woordenschatkaarten voor Nederlands 5 (Semester 1) gebaseerd op de behandelde thema's: interpunctie, bibliografie, taal in de middeleeuwen en tekststructuren.
Het neologisme
Een nieuwvorming, een nieuw woord.
De volzin
Een zin bestaande uit een onderwerp en een persoonsvorm.
Het homoniem
Woorden met dezelfde spelling, dezelfde uitspraak, maar een andere betekenis (bijvoorbeeld kool: steenkool, rode kool).
De homograaf
Woord met dezelfde spelling, een andere uitspraak en een andere betekenis (bijvoorbeeld bedelen is een homograaf van bedelen).
De homofoon
Woord met dezelfde uitspraak, maar een andere betekenis en een andere spelling (bijvoorbeeld rijzen en reizen).
De bijstelling
Een bijvoeglijke bepaling die een omschrijving geeft van een persoon of een zaak die net genoemd werd; bevat geen persoonsvorm (bijvoorbeeld: Jan, de eigenaar van de winkel, is mijn oom).
De uitbreidende bijzin
Een bijzin die een omschrijving geeft van een persoon of een zaak die net genoemd werd; bevat wel een persoonsvorm (bijvoorbeeld: Jan, die de eigenaar van de winkel is, is mijn oom).
Het plagiaat
Het overnemen van het werk van anderen, van jezelf in identiek dezelfde vorm of in (licht) gewijzigde vorm zonder op de juiste manier de bron te hebben vermeld.
De bronvermelding
Het vermelden van de bron (= de naam van de oorspronkelijke maker, uitvinder, bedenker, auteur, …) van de tekst, afbeelding, grafiek, … die je gebruikt hebt in je werk.
De bibliografie
Lijst van geraadpleegde werken achterin de scriptie of op het einde van het artikel.
Het citaat
Letterlijke weergave van iemands woorden.
De parafrase
Iemands woorden in je eigen woorden herformuleren.
De clerus
De geestelijkheid (priesters, bisschoppen, kloosterlingen, de paus, …).
Fonetische spelling
(Foutieve) spelling waarbij men het woord schrijft zoals men het uitspreekt.
De hertaling
Het overzetten van een tekst uit een oudere fase van een taal naar een recentere fase binnen dezelfde taal.
Chronologisch
Elkaar in de tijd opvolgend.
De stemkleur
Het timbre van de stem: klinkt ze warm en aangenaam of schril en koel?
De krachtterm
Onbehoorlijke taal zoals vloeken, grof taalgebruik, vulgaire taal.
Het versterkingswoord
Woord dat een ander woord versterkt (bijvoorbeeld: ongelooflijk, erg, super, ontzettend).
De modale constructie
Woorden die een zekere mate van voorzichtigheid, onzekerheid in de zin leggen (bijvoorbeeld: waarschijnlijk, zou kunnen, misschien, ik denk, mogelijks, …).
De non-verbale communicatie
Communicatie zonder woorden, maar via lichaamstaal, de handen (= de gestiek) of het gezicht (= de mimiek).
Sturen
Het verloop bepalen van iets.
Verstokt
Koppig, niet bereid om te veranderen, hardnekkig.
Sensibiliseren
Bewustmaken van een probleem.