1/7
Een verzameling van woordenschat-flitskaarten over de belangrijkste jurisprudentie uit het privaatrecht.
Baris/Riezenkamp (HR 15 november 1957)
Arrest waarin is bepaald dat onderhandelende partijen in een rechtsverhouding staan die door de goede trouw wordt beheerst, waarbij ieder zijn gedrag mede moet laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.
Haviltex (HR 13 maart 1981)
Arrest over de maatstaf voor contractsuitleg: beslissend is de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Zutphense juffrouw (HR 10 juni 1910)
Arrest dat de enge opvatting van onrechtmatigheid illustreert, waarbij nalaten alleen onrechtmatig was bij een inbreuk op een subjectief recht of handelen in strijd met een wettelijke plicht.
Lindenbaum/Cohen (HR 31 januari 1919)
Arrest waarin de ruime opvatting van onrechtmatigheid werd geintroduceerd: onrechtmatig is ook handelen of nalaten in strijd met de goede zeden of de maatschappelijke zorgvuldigheid ten aanzien van andermans persoon of goed.
Kelderluik (HR 5 november 1965)
Arrest waarin de criteria voor onrechtmatige gevaarzetting zijn vastgesteld: (1) waarschijnlijkheid van onoplettendheid, (2) kans op een ongeval, (3) ernst van de gevolgen, en (4) bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen.
Duwbak Linda (HR 7 mei 2004)
Leidend arrest over het relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW), waarin de Staat niet aansprakelijk was omdat de geschonden toezichtsnorm niet strekte tot bescherming tegen de geleden schade.
Taxibus (HR 22 februari 2002)
Arrest waarin shockschade vergoedbaar werd gesteld bij een rechtstreekse confrontatie met een ongeval, mits er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Urgenda (HR 20 december 2019)
Arrest waarin de Staat op grond van art. 2 en 8 EVRM werd verplicht om de uitstoot van broeikasgassen eind 2020 met ten minste 25% te hebben verminderd ten opzichte van 1990.