Flashcards deel 1 - kennisscan 2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/249

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

250 Terms

1
New cards

Wat zijn therapeutische eiwitproducten?

Eiwitten die als geneesmiddel worden gebruikt om ziekte te behandelen of te voorkomen. Voorbeelden zijn monoklonale antilichamen, hormonen, cytokinen, enzymen en stollingsfactoren

2
New cards

Waarom worden veel therapeutische eiwitten recombinant geproduceerd?

Omdat natuurlijke bronnen vaak onvoldoende eiwit opleveren. Met recombinant-DNA-technologie kan het gen voor het therapeutische eiwit in productiecellen worden ingebracht, zodat het eiwit in grote hoeveelheden, reproduceerbaar en met constante kwaliteit geproduceerd kan worden

3
New cards

Wat is een monoklonaal antilichaam (mAb)?

Een antilichaam met 1 gedefinieerde bindingsspecificiteit voor een bepaald antigeen/epitoop. Therapeutische mAbs kunnen bijvoorbeeld receptoren of liganden blokkeren of immuuncellen tegen tumorcellen activeren

4
New cards

Wat is een immune checkpoint?

Een regulerend mechanisme dat de activiteit van immuuncellen, vooral T-cellen, kan remmen of stimuleren. Remmende checkpoints voorkomen normaal overmatige immuunreacties en schade aan gezond weefsel. Tumoren kunnen zulke remmende mechanismen misbruiken om aan het immuunsysteem te ontsnappen

5
New cards

Wat is een checkpoint inhibitor?

Een geneesmiddel dat een remmend immuuncheckpoint blokkeert, waardoor de remming van T-cellen vermindert en de antitumorrespons kan worden hersteld of versterkt. Veel checkpoint inhibitors zijn monoklonale antilichamen

6
New cards

Wat is PD-1?

PD-1 is een remmende receptor die onder andere op geactiveerde T-cellen voorkomt

7
New cards

Wat is PD-L1?

PD-L1 is een ligand dat onder andere door bepaalde tumorcellen tot expressie kan worden gebracht. Binding van PD-L1 aan PD-1 veroorzaakt een remmend signaal in de T-cel

8
New cards

Wat gebeurt er wanneer PD-L1 op een tumorcel aan PD-1 op een T-cel bindt?

Het remt de activatie en effectorfunctie van de T-cel. Daardoor kan de T-cel de tumorcel minder effectief aanvallen. Een tumor kan zo de PD-1/PD-L1-route gebruiken voor immune escape

9
New cards

Hoe werkt een anti-PD-1-antilichaam?

Het bindt aan PD-1 op T-cellen en verhindert de remmende interactie met PD-L1/PD-L2. Daardoor wordt de checkpoint-rem verminderd en kunnen T-cellen hun antitumoractiviteit beter uitvoere

10
New cards

Wat is Keytruda en wat is het target?

Een therapeutisch monoklonaal antilichaam tegen PD-1. Het blokkeert PD-1 en vermindert daarmee de remming van antitumor-T-cellen. Het behoort tot de immune checkpoint inhibitors

11
New cards

Waarom kan blokkade van PD-1 tot afname van een tumor of metastasen leiden?

Door PD-1 te blokkeren wordt een remmend signaal voor T-cellen verminderd. Aanwezige tumorreactieve T-cellen kunnen daardoor weer effectiever functioneren en tumorcellen aanvallen. Bij patiënten die goed reageren kunnen daardoor primaire tumoren en/of metastasen afnemen/verdwijnen

12
New cards

Waarom kunnen checkpoint inhibitors bijwerkingen veroorzaken?

Omdat een natuurlijke rem van het immuunsysteem wordt opgeheven, kan het geactiveerde immuunsysteem ook gezond weefsel aanvallen. Hierdoor kunnen immune-related adverse events (irAEs) ontstaan, zoals ontstekingen van huid, darm, lever, longen of endocriene organen

13
New cards

Waarom zijn monoklonale antilichamen geschikt als therapeutische eiwitten?

Ze kunnen met hoge specificiteit aan een bepaald moleculair target binden. Daardoor kunnen ze bijvoorbeeld een receptor/ligand blokkeren, een signaalroute beïnvloeden of immuuneffectorfuncties activeren. Hun grote complexiteit maakt correcte productie en kwaliteitscontrole wel essentieel

14
New cards

Waar bevinden PD-1 en PD-L1 zich in het vereenvoudigde tumormodel?

PD-1 bevindt zich op de receptor van de T-cel en PD-L1 bevindt zich op het ligand dat onder andere op tumorcellen kan voorkomen

15
New cards

Wat is het mechanisme van PD-1-checkpointblokkade in één keten?

Tumorcel met PD-L1 —> PD-L1 bindt PD-1 op de T-cel —> inhibitoir signaal —> T-celfunctie neemt af —> anti-PD-1 blokkeert interactie —> remming vermindert —> T-cel kan tumor effectiever aanvallen

16
New cards

Is PD-L1 alleen aanwezig op tumorcellen?

Nee, PD-L1 kan ook op normale lichaamscellen en verschillende immuuncellen tot expressie komen

17
New cards

Wat is het principe van Keytruda?

Keytruda is een pembrolizumab en dat is een monoklonaal antilichaam, oftewel een anti-PD1 checkpoint inhibitor. Het blokkeert een remmend signaal naar T-cellen en kan daardoor de antitumorimmuunrespons versterken

18
New cards

Wat is een bispecifiek antilichaam?

Een bispecifiek antilichaam kan twee verschillende targets/epitopen tegelijk herkennen en binden, doordat de bindingsplaatsen verschillende specificiteiten hebben

19
New cards

Wat is het voordeel van een bispecifiek antilichaam?

Het kan twee targets tegelijk binden, waardoor de therapie gerichter kan werken of twee verschillende cellen/moleculen bij elkaar kan brengen

20
New cards

Waarom zijn therapeutische eiwitten moeilijker te produceren dan small molecules?

Ze zijn groter en structureel complexer en worden biologisch geproduceerd. Hierdoor kunnen variaties ontstaan die de structuur, werking en kwaliteit beïnvloeden

21
New cards

Waarom bestaat er meer variabiliteit bij biologische eiwitten dan bij small molecules?

Eiwitten worden door levende cellen geproduceerd. Het productieproces kan daardoor variaties veroorzaken, bijvoorbeeld in vouwing en posttranslationele modificaties

22
New cards

Wat zijn de vijf belangrijke klassen van therapeutische eiwitten?

  1. Antilichamen

  2. Enzymen

  3. Stollingsfactoren

  4. Hormonen

  5. Cytokinen


23
New cards

Waarvoor kunnen therapeutische antilichamen worden gebruikt?

Voor het specifiek binden en beïnvloeden van een target, bijvoorbeeld bij kanker of reuma

24
New cards

Wat is het principe van enzymtherapie?

Een ontbrekend/defect enzym wordt toegediend —> de ontbrekende reactie wordt hersteld —> ophoping van substraat neemt af

25
New cards

Waarom kan een enzymdefect ziekte veroorzaken?

Als een enzym ontbreekt of niet werkt, wordt het substraat onvoldoende omgezet en kan het zich ophopen, waardoor cellen/weefsels beschadigd raken

26
New cards

Wat is het principe van behandeling met stollingsfactoren?

De ontbrekende stollingsfactor wordt toegediend, waardoor de stollingscascade en bloedstolling worden hersteld

27
New cards

Welke stollingsfactor ontbreekt bij hemofilie A?

Stollingsfactor VIII (FVIII)

28
New cards

Hoe wordt hemofilie A behandeld met eiwittherapie?

Toediening van factor VIII vervangt de ontbrekende/deficiënte factor en verbetert zo de bloedstolling

29
New cards

Wat zijn cytokinen?

Signaaleiwitten waarmee cellen, vooral immuuncellen, met elkaar communiceren en onder andere immuunreacties reguleren

30
New cards

Wat is een belangrijk voordeel van eiwitten t.o.v. small molecules qua functie?

Eiwitten kunnen specifieke en complexe biologische functies uitvoeren die moeilijk met eenvoudige kleine chemische moleculen zijn na te bootsen

31
New cards

Waarom hebben therapeutische eiwitten vaak een hoge specificiteit?

Door hun complexe 3D-structuur kunnen ze zeer specifiek een bepaald molecuul/target herkennen en binden

32
New cards

Waarom kan hoge specificiteit leiden tot minder bijwerkingen?

Een specifiek eiwit beïnvloedt vooral het gewenste target, waardoor minder ongewenste interacties met andere biologische processen optreden

33
New cards

Kunnen therapeutische eiwitten een immuunreactie veroorzaken?

Ja, ondanks de goede verdraagbaarheid kunnen therapeutische eiwitten als lichaamsvreemd worden herkend en anti-drug antibodies opwekken

34
New cards

Wat is het verschil tussen eiwitvervanging en gentherapie?

Eiwittherapie dient het functionele eiwit toe. Gentherapie probeert genetisch materiaal toe te voegen/veranderen zodat cellen zelf de functie herstellen

35
New cards

Wat gebeurt er bij enzymvervanging nadat het functionele enzym is toegediend?

Het toegediende enzym neemt de ontbrekende enzymfunctie over, waardoor het substraat weer kan worden omgezet en ophoping vermindert

36
New cards

Noem de belangrijkste voordelen van eiwittherapieën t.o.v. small molecules.

Complexe functies, hoge specificiteit, vaak minder off-targeteffecten, vaak goede verdraagbaarheid en mogelijkheid tot vervanging van ontbrekende eiwitten

37
New cards

Waarom zijn therapeutische eiwitten geschikt voor de behandeling van genetische defecten?

Een genetisch defect kan ervoor zorgen dat een functioneel eiwit niet of onvoldoende wordt geproduceerd. Door dit eiwit als geneesmiddel toe te dienen, wordt het eiwittekort aangevuld en de ontbrekende biologische functie hersteld, zonder het defecte gen zelf te veranderen

38
New cards

Uit welke bouwstenen zijn eiwitten opgebouwd?

Ze zijn opgebouwd uit aminozuren die via peptidebindingen aan elkaar zijn gekoppeld tot een polypeptideketen

39
New cards

Wat is de algemene structuur van een α-aminozuur?

Een centraal α-koolstofatoom (Cα) met daaraan vier groepen, namelijk een aminogroep, carboxylgroep, H-atoom en R-groep (zijketen)

40
New cards

Waarom heet het een α-aminozuur?

Omdat de aminogroep en carboxylgroep aan hetzelfde α-koolstofatoom zijn verbonden

41
New cards

Welk onderdeel verschilt tussen de verschillende aminozuren?

De R-groep (zijketen)

42
New cards

Wat bepaalt de karakteristieke eigenschappen van een aminozuur?

De R-groep/zijketen bepaalt eigenschappen zoals lading, polariteit, hydrofobiciteit, grootte en chemische reactiviteit

43
New cards

Waarom zijn de verschillende R-groepen belangrijk voor de functie van een eiwit?

De R-groepen bepalen de interacties tussen aminozuren en hun omgeving

44
New cards

Hoe kunnen aminozuren worden ingedeeld op basis van hun zijketen?

Onder andere in positief geladen, negatief geladen, polair ongeladen en apolair/hydrofoob

45
New cards

Welke aminozuren hebben bij fysiologische pH meestal een positief geladen zijketen?

Vooral lysine en arginine. Histidine kan afhankelijk van de omgeving geprotoneerd en positief geladen zijn

46
New cards

Welke aminozuren hebben bij fysiologische pH een negatief geladen zijketen?

Asparaat/asparaginezuur en glutamaat/gutaminezuur

47
New cards

Wat is het verschil tussen polaire en apolaire aminozuren?

Polaire zijketens kunnen gunstig met water interageren. Apolaire zijketens zijn hydrofoob en vermijden contact met water

48
New cards

Waarom is cysteïne belangrijk voor de eiwitstructuur?

Cysteine bevat een -SH-groep. Twee cysteines kunnen via hun -SH-groepen een covalente disulfidebrug (S-S) vormen, die de 3D-structuur van het eiwit stabiliseert

49
New cards

Wat is de functie van disulfidebruggen in eiwitten?

Ze vormen covalente verbindingen tussen cysteïneresiduen en stabiliseren zo vooral de tertiaire/quaternaire structuur van een eiwit

50
New cards

Uit welke onderdelen bestaat de backbone van een polypeptide?

Uit een herhalende keten van N–Cα–C(=O). De verschillende R-groepen steken vanuit deze backbone naar buiten

51
New cards

Wat is de N-terminus van een polypeptide?

Het uiteinde van de polypeptideketen met de vrije aminogroep

52
New cards

Wat is de C-terminus van een polypeptide?

Het uiteinde van de polypeptideketen met de vrije carboxylgroep.

53
New cards

In welke richting wordt een aminozuursequentie weergegeven?

Van de N-terminus —> C-terminus

54
New cards

Wat is een peptidebinding?

Een covalente amidebinding tussen de carboxylgroep van het ene aminozuur en de aminogroep van het volgende aminozuur

55
New cards

Hoe ontstaat een peptidebinding?

Door een condensatiereactie tussen een carboxylgroep en een aminogroep, waarbij een peptidebinding ontstaat en water vrijkomt

56
New cards

Wat gebeurt er met water bij de vorming van een peptidebinding?

Er komt 1 H2O-molecuul vrij. Dit is een condensatiereactie

57
New cards

Wat gebeurt er bij hydrolyse van een peptidebinding?

Er wordt water toegevoegd/gebruikt om de peptidebinding te verbreken, waardoor de gekoppelde aminozuurresiduen van elkaar worden gescheiden

58
New cards

Wat is het verschil tussen condensatie en hydrolyse van een peptidebinding?

  1. Condensatie: peptidebinding vormen, waardoor H2O vrijkomt

  2. Hydrolyse: peptidebinding verbreken, waardoor H2O wordt gebruikt


59
New cards

Wat gebeurt er met de carboxylgroep van een aminozuur bij fysiologische pH?

Hij is gedeprotoneerd (COO-) en draagt dus een negatieve lading

60
New cards

Wat gebeurt er met de aminogroep van een aminozuur bij fysiologische pH?

Hij is geprotoneerd (NH3+) en draagt dus een positieve lading

61
New cards

In welke vorm komt een vrij aminozuur meestal voor bij fysiologische pH?

Als zwitterion. De aminogroep is NH3+ en de carboxylgroep COO-, waardoor het molecuul zowel een positieve als negatieve lading bevat

62
New cards

Heeft een aminozuur als zwitterion altijd een nettolading van 0?

Nee, want de R-groep kan ook geladen zijn. De nettolading hangt af van de zijketen en de pH

63
New cards

Waarom heeft de pH invloed op de lading van aminozuren en eiwitten?

Het bepaalt welke ioniseerbare groepen geprotoneerd of gedeprotoneerd zijn en daarmee de nettolading van het aminozuur of eiwit

64
New cards

Wat is een aminozuurresidu?

Een aminozuur dat onderdeel is geworden van een polypeptideketen wordt een aminozuurresidu genoemd

65
New cards

Wat blijft aan de uiteinden over nadat veel aminozuren tot een polypeptide zijn gekoppeld?

1 vrije N-terminus aan het begin en 1 vrije C-terminus aan het einde van de keten

66
New cards

Hoe leidt de aminozuurvolgorde uiteindelijk tot een specifieke eiwitfunctie?

Aminozuursequentie —> interacties tussen R-groepen —> specifieke 3D-vouwing —> specifieke eiwitfunctie

67
New cards

Wat is een zwitterion?

Een molecuul dat tegelijk een positieve en een negatieve lading bevat, maar als geheel netto neutraal kan zijn

68
New cards

Waarom kan een aminozuur als zwitterion voorkomen?

De aminogroep kan H+ opnemen —> NH3+, terwijl de carboxylgroep H+ kan afstaan —> COO-. Het aminozuur bevat dan tegelijk een positieve en negatieve groep

69
New cards

Wat gebeurt er met de carboxylgroep bij deprotonering?

De carboxylgroep staat een proton af (COOH —> COO- + H+) en er ontstaat een negatief geladen carboxylaatgroep

70
New cards

Wat gebeurt er met de aminogroep bij protonering?

De aminogroep neemt een proton op (NH2 + H+ —> NH3+) en krijgt de groep een positieve lading

71
New cards

Wat is het effect van een lage pH op een aminozuur?

Veel H⁺ aanwezig —> groepen worden meer geprotoneerd —> het aminozuur krijgt een positievere nettolading

72
New cards

Wat is het effect van een hoge pH op een aminozuur?

Weinig H+ aanwezig —> groepen worden meer gedeprotoneerd —> het aminozuur krijgt een negatievere nettolading

73
New cards

Wat is het iso-elektrisch punt (pI) van een eiwit?

De pH waarbij het eiwit netto geen elektrische lading heeft (nettolading = 0)

74
New cards

Betekent pI dat er helemaal geen geladen groepen in het eiwit aanwezig zijn?

Nee, de totale positieve en negatieve lading kunnen ook aan elkaar gelijk zijn zodat de nettolading alsnog 0 is

75
New cards

Wat is de nettolading van een eiwit wanneer pH < pI?

Netto positief, bij lagere pH zijn meer groepen geprotoneerd en heeft het eiwit relatief meer positieve lading

76
New cards

Wat is de nettolading van een eiwit wanneer pH > pI?

Netto negatief, bij hogere pH zijn meer groepen gedeprotoneerd en heeft het eiwit relatief meer negatieve lading

77
New cards

Bij welke pH is de oplosbaarheid van een eiwit meestal het laagst en waarom?

Rond het iso-elektrisch punt (pI), waar de nettolading van het eiwit 0 is. Dit komt doordat er weinig elektrostatische afstoting tussen eiwitmoleculen is, waardoor eiwit-eiwitinteracties en aggregatie worden bevorderd en de oplosbaarheid daalt

78
New cards

Waarom neemt de oplosbaarheid meestal toe wanneer de pH verder van het pI ligt?

Eiwitten krijgen een netto positieve of negatieve lading, waardoor onderlinge elektrostatische afstoting en interacties met water toenemen en de oplosbaarheid stijgt

79
New cards

Waarom is het pI belangrijk bij de formulering van therapeutische eiwitten?

De formulatie-pH wordt meestal gekozen zodat het eiwit voldoende oplosbaar en stabiel blijft. Een pH rond het pl kan aggregatie/precipitatie bevorderen en is daarom ongunstig

80
New cards

Wat zegt een lage pKa over het afstaan van H⁺?

Een groep met een lagere pKa staat H+ gemakkelijker af en is dus gemakkelijker te deprotoneren

81
New cards

Wat zegt een hoge pKa over het afstaan van H⁺?

Een groep met een hogere pKa houdt H+ sterker vast en wordt dus minder gemakkelijk gedeprotoneerd

82
New cards

Wat gebeurt er met een ioniseerbare groep als pH < pKa?

De geprotoneerde vorm overheerst

83
New cards

Wat gebeurt er met een ioniseerbare groep als pH > pKa?

De gedeprotoneerde vorm overheerst

84
New cards

Waarom hebben verschillende ioniseerbare groepen verschillende pKa-waarden?

Omdat de chemische structuur en lokale moleculaire omgeving bepalen hoe gemakkelijk een groep H⁺ kan afstaan of opnemen

85
New cards

Waarom is de oplosbaarheid van een eiwit het laagst bij het iso-elektrisch punt (pI)?

Bij pH = pI heeft het eiwit nettolading 0. Daardoor is er weinig elektrostatische afstoting tussen eiwitmoleculen —> eiwit-eiwitinteracties en aggregatie worden bevorderd —> de oplosbaarheid is minimaal

86
New cards

Waarom neemt de oplosbaarheid van een eiwit toe wanneer de pH verder van het pI af ligt?

Verder van het pI krijgt het eiwit een grotere netto positieve of negatieve lading —> eiwitten stoten elkaar sterker af en interacties met water worden bevorderd —> minder aggregatie —> hogere oplosbaarheid

87
New cards

Wat is de primaire structuur van een eiwit?

De lineaire volgorde van aminozuren in een polypeptideketen, van N-terminus naar C-terminus

88
New cards

Welke binding verbindt aminozuren in de primaire structuur?

Peptidebindingen (covalente bindingen tussen carboxylgroep van het ene aminozuur en de aminogroep van het volgende)

89
New cards

Wat is de secundaire structuur van een eiwit?

De lokale, regelmatige vouwing van de polypeptidebackbone, voornamelijk in α-helices en β-sheets

90
New cards

Wat zijn de twee belangrijkste secundaire structuren van eiwitten?

De α-helix en de β-sheet

91
New cards

Wat is het verschil tussen een α-helix en een β-sheet?

Bij een α-helix draait de backbone spiraalvormig. Bij een β-sheet liggen uitgestrekte delen van de polypeptideketen naast elkaar

92
New cards

Wat is de tertiaire structuur van een eiwit?

De totale 3D-vouwing van 1 polypeptideketen, ontstaan door interacties tussen verschillende delen en vooral de zijketens van aminozuren

93
New cards

Welke interacties stabiliseren de tertiaire structuur?

Disulfidebruggen, waterstofbruggen, ionische interacties, hydrofobe interacties en van der Waalskrachten

94
New cards

Welke van deze interacties is een covalente binding?

De disulfidebrug (S–S) tussen twee cysteïneresiduen. De genoemde waterstof-, ionische, hydrofobe en van der Waalsinteracties zijn niet-covalent

95
New cards

Hoe ontstaat een disulfidebrug?

Twee cysteïne-zijketens vormen via hun zwavelatomen een covalente S–S-binding, waardoor delen van het eiwit aan elkaar worden gekoppeld

96
New cards

Wat zijn ionische interacties in een eiwit?

Elektrostatische aantrekking tussen tegengesteld geladen zijketens, bijvoorbeeld een positief en een negatief geladen aminozuur

97
New cards

Wat zijn hydrofobe interacties in een eiwit?

Apolaire zijketens clusteren bij elkaar, weg van water, waardoor ze vaak in het binnenste van een oplosbaar eiwit terechtkomen

98
New cards

Wat zijn waterstofbruggen in de tertiaire structuur?

Niet-covalente interacties tussen polaire groepen, bijvoorbeeld tussen verschillende aminozuurzijketens of tussen zijketen en backbone

99
New cards

Wat is het verschil tussen secundaire en tertiaire structuur?

  1. Secundair: lokale α-helices/β-sheets van de backbone

  2. Tertiair: volledige 3D-vouwing van 1 polypeptideketen


100
New cards

Wat zijn van der Waalskrachten?

Zwakke, kort-afstandsinteracties tussen dicht bij elkaar gelegen atomen. Veel van deze zwakke interacties samen dragen bij aan de stabiliteit van een eiwit