1/112
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
De titel van het boek is…
Het boek heeft als titel…
le roman s’inititule
Een postuum werk
un ouvrage posthume
Herinneringen ophalen
Evoquer des souvenirs / sa jeunesse
Een excuus aanhalen, verzinnen
invoquer une excuse
Een ongeluk veroorzaken
Provoquer un accident
Kort na, net na (een gebeurtenis)
Au lendemain de
De stroom (grote rivier)
le fleuve
De rivier
la rivière
De beek
le ruisseau
Een woonschip, een aak
Une péniche
Inschepen
Monter à bord (d’un bateau, d’un avion)
Aan boord wonen
Vivre à bord
De (hoge) oever (van een rivier)
La berge (d’une rivière)
De oevers van de Seine
Les rives de la Seine
Langs een stroom, een rivier, een kanaal wandelen
Se promener le long d’un fleuve, d’une rivière, d’un canal
Van dag tot dag, dag na dag « hij wordt elke dag beter »
De jour en jour
(ex “sa santé s'améliore de jour en jour")
Iets abnormaals
Quelque chose d’anormal
Iets moois
Quelque chose de beau
(winters, een licht typisch voor de winter)
Une lumière hivernale (m.: hivernal/aux)
Een herfstsfeer
Une ambiance automnale (m.: automnal/aux)
Een lentegevoel
Une douceur printanière (m.: printanier/s)
Zomerse temperaturen
Des températures estivales (m. : estival/aux)
Een zomergast, vakantieganger
Un estivant
Het smelten van het ijs (van gletsjers, van de ijskap)
La fonte des glaces
De dooi
Le dégel
(doen/laten) ontdooien
Faire dégeler (un plat)
onverklaarbaar
Inexplicable
Uiteindelijk
Finir par + infinitif
(ex.Uiteindelijk kwam de lente toch —> le printemps a fini par arriver)
bijna
Failli + infinitif
Iemand op het eerste gezicht herkennen
Reconnaître qqn du premier coup d’œil
Een vluchtige blik op iets werpen
Jeter un coup d’œil (sur un document,…)
“Mag ik eens kijken?”
« Je peux jeter un coup d’œil ? »
De stad Moeskroen
La ville de Mouscron
Een gave (bij zichzelf) ontdekken/ ontdekken dat men goed is in ...
Se découvrir un don pour + infinitif / substantif
Blijk geven van…
Faire preuve de curiosité / de courage…
Harp, piano spelen —> instrument
Jouer de la harpe, du piano
Tennis/voetbal/kaart spelen —> (sport jeu)
jouer au tennis, au foot, aux cartes
Onderbreken
Interrompre
Het programma wordt onderbroken
le programme est interrompu
Iets opgeven
Se résigner
Zich bij iets neerleggen
Se résigner à (faire) qqu’chose
Debuteren, voor het eerst optreden
Faire ses débuts dans… (un film, une pièce de théâtre)
Hij schrijft zijn eigen teksten
Il écrit ses propres textes
Een woordspeling
(faire) un jeu de mots / des jeux de mots
Zich iets eigen maken, zich iets toe-eigenen
S’approprier qqu’chose
Des bajoues (f)
hangwangen, volle wangen
(des joues qui pendent)
Buiten adem zijn
Être essoufflé
Beginnen (te) + inf
Se mettre à + infinitif
Van iets op de hoogte zijn
Être au courant de qqu’chose
Het gerucht gaat dat…
Les bruits courent que…
Zijn ondergang tegemoet gaan
Courir à sa perte
Geld op een zichtrekening plaatsen
Déposer de l’argent sur un compte courant / sur un compte d’épargne
Een spaarrekening
un compte d’épargne
Geld afhalen
Retirer de l’argent (d’un compte)
(zijn) boodschappen doen op de markt
Faire ses courses au marché
faire son marché
Naar de markt gaan
Aller au marché
Het lopen/wandelen
La marche (à pied)
De trede
La marche (d’un escalier)
Een trede overslaan (en daardoor struikelen)
Rater une marche
Inhalen
Dépasser
Niet meer mee zijn, Het niet meer aankunnen
Être dépassé par les événements (fig.)
De lopende zaken afhandelen
Expédier les affaires courantes
coude-à-coude avec
nek-aan-nek, schouder aan schouder
Hoe sneller ze lopen, hoe meer zij verdienen
Plus ils courent vite, plus ils gagnent d’argent
Voltanken
Faire le plein (d’essence)
Mokken
Faire la gueule (fam.)
Bouder
Verbitterd zijn
Être aigri
De Ark van Noah
L’Arche de Noë
Het aftrappen
Se barrer (fam.)
Verguld (goedkoop)
Du plaqué or
Massief goud
de l’or massif
Stikken
Étouffer
Kortademig zijn
Manquer de souffle
Naar adem (doen) snakken, niet meer weten wat te zeggen
couper le souffle
« Cette nouvelle m’a coupé le souffle »
Denken dat je … bent
Se prendre pour…
« Wie denk je (wel) dat je bent ? »
« Tu te prends pour qui ? »
Een weddenschap aangaan
Faire un pari
wedden
parier
Le périph
Le périphérique de Paris
Un pauvre hère
Un homme misérable (een arme stakker)
Le RER
Réseau express régional de Paris
Au bout du RER : les banlieues
RATP
Régie Autonome des Transports Parisiens
Paris sous cloche
La cloche : l’ensemble des clochards
Bijzonder
Hors pair
(ex. c’est un acteur hors pair”) —> heel goede acteur
Bloeiend
Florissant (fig.)
Een bloeiende loopbaan
Une carrière florissante
Een bloeiende zaak
une affaire florissante (un magasin, une entreprise…)
Tot iets komen
Aboutir (à qqu’chose)
“de onderhandelingen hebben niets opgebracht”
« Les négociations n’ont pas abouti »
Beginnen (aan/met iets, te + ww.) / aanvatten
Entamer (qqu’chose)
De (goede) verstandhouding
La complicité (entre deux personnes)
De onbeschoftheid, brutaliteit
L’impertinence (f.)
onbeschoft
Impertinent (adj.)
Welvarend, gegoed
Prospère (adj.)
Groeien, zich ontwikkelen, bloeien
Prospérer
Ronduit, helemaal
Carrément
De verzuchting
La complainte
Zich wijden aan, zich overgeven aan
Se consacrer à
Op handen dragen, triomfantelijk ontvangen
Faire un triomphe à qqu’un
Het tevoorschijn komen, verschijnen
Une apparition