1/230
Vocabulary flashcards for NQF 4 French verb list with Dutch translations.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
jouer au foot
voetballen
jouer à des jeux vidéo
computerspelletjes spelen
jouer du piano
piano spelen
jouer sur l’ordinateur
op de computer spelen
surfer sur Internet
op internet surfen
tomber
vallen
visiter (un musée)
(een museum) bezoeken
participer à
deelnemen aan
habiter (à Hasselt)
(in Hasselt) wonen
penser à
denken aan
présenter
voorstellen
écouter (j’écoute la prof)
luisteren naar (de juf)
regarder (je regarde la télé)
kijken naar (TV)
bricoler
knutselen
dessiner
tekenen
danser (ou faire de la danse)
dansen
aimer + le/ la/ l’/ les
houden van, graag doen
adorer + le/ la/ l’/ les
dol zijn op, heel graag doen
détester + le/ la/ l’/ les
haten
parler à/ avec quelqu’un
praten met iemand
entrer (dans l’école)
(in school) binnengaan
rentrer
terug (naar huis) gaan; terugkomen
arriver
aankomen
monter (dans le bus)
naar boven gaan; (de bus) instappen
montrer
tonen
rester
blijven
utiliser (ou employer)
gebruiken
porter
dragen
traîner
blijven rondhangen
retrouver (ses amis)
(zijn of haar vrienden) terugzien
réviser
nakijken, herhalen
discuter
bespreken, discussiëren
raconter
vertellen
rencontrer
ontmoeten
noter
noteren
travailler
werken
déjeuner
middageten (F)
dîner
avondeten (F) – middageten (B)
comparer
vergelijken
trouver
vinden
chercher
zoeken, ophalen
passer du temps sur l’ordinateur
tijd op de computer doorbrengen
passer le sel
het zout doorgeven
passer devant la bibliothèque
aan de bib voorbijgaan, passeren
oublier
vergeten
aider
helpen
cuisiner
koken, eten maken
commander
bestellen
expliquer
uitleggen
préparer
klaarmaken, voorbereiden
accepter
aanvaarden
refuser
weigeren
féliciter
feliciteren
souhaiter
wensen
inviter
uitnodigen
décorer
versieren
organiser
organiseren
commencer
beginnen
tourner
draaien, inslaan
retourner
terugkeren, omkeren
assister à (un concert)
(een concert) bijwonen
consacrer à
wijden aan
plier
opvouwen, plooien
ramasser
oprapen
trier
sorteren
vider
leegmaken
donner
geven
améliorer
verbeteren
calmer
kalmeren, rustig worden, ontspannen
continuer
doorgaan
soigner
verzorgen
adopter
adopteren
alerter
waarschuwen
sauver
redden
briller
schitteren
attraper (un rhume)
oplopen (een verkoudheid)
(se) gratter
(zich) krabben
vacciner
inenten
respirer
inademen
adapter
aanpassen
louer
huren
rater (le bus)
(de bus) missen
traverser
oversteken
ressembler à
lijken op
couper
snijden
goûter
proeven
réparer
herstellen
manger
eten
loger
logeren
ranger
opruimen
nager
zwemmen
changer
veranderen, wisselen
voyager
reizen
encourager
aanmoedigen
décourager
ontmoedigen
charger
inladen
déménager
verhuizen
avancer
vooruitgaan
annoncer
aankondigen
divorcer
scheiden