1/104
Looks like no tags are added yet.
une astuce
een truc, hulpmiddel
la beauté
de schoonheid
un buste
een borst
une cheville
een enkel
un cil
een wimper
un coude
een elleboog
un crâne
een schedel
une cuisse
een dij
l’étranger
het buitenland (m.)
une expérience
een expiriment
une fesse
een bil
un front
een voorhoofd
une hanche
een heup
une joue
een wang
une lèvre
een lip
un mollet
een kuit
un nombril
een navel
un orteil
een teen
une paume
een handpalm
un pénis
een penis
une poitrine
een borstkas
un régime
een dieet
un sein
een bost (vrouw)
un sourcile
een wenkbrauw
un vagin
een vagina
global(e)
algemeen
naturel(le)
natuurlijk
obèse
zwaarlijvig
pâle
bleek
svelte
slank
bronzer
bruinen
dénoncer
aanklagen
épiler
epileren
flatter
vleien (iemand overdreven complimenteren)
improviser
improviseren
insister sur
de klemtoon leggen op
loucher
scheel kijken
parvenir à
slagen in
réfléchir
nadenken
transpirer
zweten
il s’agit de
het gaat over
également
ook, eveneens
grâce à
dankzij
lors de
tijdens
selon
volgens
l’agilité
de beweeglijkheid, handigheid
le chagrin d’amour
liefdesverdriet
une découverte
een ontdekking
un effort
een inspanning
un endroit
een plaats
la graisse
het vet
un muscle
een spier
l’obésité
de zwaarlijvigheid (f.)
un os
een been (bot)
un poumon
een long
un cabinet
een spreekkamer
un cachet
een pil
une cuillerée
een lepel (inhoud)
un diagnostic
een diagnose
un examen médical
een medisch onderzoek
la fièvre
de koorts
une goutte
een druppel
l’imagination
de verbeelding (f.)
un médecin (généraliste)
een (huis)arts
une ordonnance
een voorschrift
un pansement
een verband
une plaie
een wonde
un plâtre
een gips
une prescription
een voorschrift
une radio(graphie)
een röntgenfoto
un rhume
een verkoudheid
une salle d’attente
een wachtzaal
la toux
de hoest
une visite à domicile
een huisbezoek
affaibli(e)
verzwakt
compliqué(e)
moeilijk, ingewikkeld
profond(e)
diep
scolaire
school-
surchauffé(e)
oververgit
urgent(e)
dringend
s’allonger
gaan liggen, zich uitstrekken
circuler
rondgaan
désinfecter
ontsmetten
enlever
verwijderen, uitdoel (kleren)
éternuer
niezen
étendre
strekken
examiner
onderzoeken
guérir
genezen
peser
wegen
prescrire
voorschrijven
(se) rincer (la bouche)
(de mond) spoelen
saigner
bloeden
s’évanouir
flauwvallen (1)
se soigner
zich verzorgen
subir
ondergaan
tousser
hoesten
avoir bonne / mauvaise mine
er goed / slecht uitzien
avoir le nez qui coule
een loopneus hebben
être attent(e) par
besmet zijn met
fixer un rendez-vous
een afspraak vastleggen