HC 4. Audiologische revalidatie: Follow-up en outcome na CI

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/23

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:53 PM on 10/1/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

24 Terms

1
New cards

Algemeen

Cochleaire implantatie wordt vaak gezien als de laatste en meest effectieve oplossing wanneer hoortoestellen onvoldoende helpen.

Resultaten zijn meestal zeer goed:

Kinderen

  • Vroeg geïmplanteerde kinderen bereiken vaak een bijna normale spraak- en taalontwikkeling.

  • Kunnen vaak regulier onderwijs volgen.

Volwassenen

  • Postlinguaal dove volwassenen bereiken vaak open-set spraakverstaan.

  • Sommigen kunnen opnieuw telefoneren.


2
New cards

Waarom outcome evalueren?

  • Progressie op te volgen.

  • Nood aan bijregeling van de spraakprocessor op te sporen.

  • Revalidatiedoelen te evalueren.

  • Educatieve doelstellingen bij kinderen op te volgen.


3
New cards

Factoren die de outcome beïnvloeden

Bij interpretatie van resultaten moet rekening gehouden worden met:

  • Duur van de doofheid

  • Etiologie van de doofheid

  • Leeftijd

  • Pre- of postlinguale doofheid

  • Gebruik van hoortoestellen vóór implantatie

  • Bijkomende handicaps

  • Auditief geheugen

  • Communicatiemethode (spraak/gebaren)

  • Gebruik van contralateraal hoortoestel

  • Draagtijd van CI

  • Sociale contacten


4
New cards

Domeinen van opvolging

Men onderzoekt:

  1. Auditieve ontwikkeling

  2. Spraak- en taalontwikkeling

  3. Sociaal-emotionele ontwikkeling

  4. Educationele ontwikkeling


5
New cards

vAudiologische evaluatie

  • Gebeurt op regelmatige tijdstippen na implantatie.

  • Afhankelijk van:

    • Leeftijd.

    • Fase van het fittingproces.

  • Resultaten kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de spraakprocessor.


6
New cards

Tonale audiometrie

Meting van gehoordrempels in vrije veld

Gebruik

  • Warble tones.

  • Unilateraal luisteren.

Streefwaarde

  • Gemiddeld ± 30 dB HL.

  • Frequentiebereik: 250-6000 Hz.

Belang

  • Evaluatie van functionele detectiedrempels.

  • CI geeft meestal betere hoogfrequente detectie dan klassieke hoortoestellen.

  • Bij drempels > 30 dB HL is bijkomende fitting aangewezen.

  • Vooral herbepaling van T-levels is dan belangrijk.

Kinderen

  • COR (Conditioned Orientation Response).

  • VRA (Visual Reinforcement Audiometry).

  • Spelaudiometrie.


7
New cards

Auditory Speech Sounds Evaluation (A§E)

Doel

  • Taalonafhankelijke evaluatie van cochleaire functies.

  • Minimale invloed van cognitieve processen.

Onderdelen

  • Foneemdetectie.

  • Foneemdiscriminatie.

  • Foneemidentificatie.

  • Intonatietesten.

  • Prosodietesten.

  • Luidheidsschaling.

  • Localisatietesten.


8
New cards

Foneemdetectie

  • Alternatief voor tonale audiometrie.

  • Geschikt voor kinderen en volwassenen.

  • Onderzoekt detectie van fonemen op vaste intensiteit.

  • Fonemen verschillen qua spectrale samenstelling.

  • Onderzoekt een breed frequentiegebied.

  • Taalonafhankelijk.

  • Mogelijk op zeer jonge leeftijd.

  • Vaak uitgevoerd vóór foneemdiscriminatie.


9
New cards

Foneemdiscriminatie

Doel

  • Nagaan of verschillende klanken auditief onderscheiden kunnen worden.

Werkwijze

  • Achtergrondfoneem wordt afgewisseld met stimulusfoneem.

  • Klanken verschillen enkel in spectrale informatie.

  • Gelijke duur en luidheid.

  • Patiënt reageert wanneer stimulusfoneem gehoord wordt.

Kenmerken

  • Identificatie van de klank is niet nodig.

  • Mogelijk vanaf ongeveer 10 maanden.

  • Niet-gediscrimineerde klankparen kunnen wijzen op kanalen die moeten worden bijgeregeld.


10
New cards

Foneemidentificatie

Doel

  • Nagaan of het aangeboden foneem correct herkend wordt.

Werkwijze

  • Foneem herhalen.

  • Mondbeeld aanduiden.

  • Onomatopee aanduiden.

Kenmerken

  • Vereist cognitieve en linguïstische vaardigheden.

  • Minimumleeftijd: ongeveer 2,5 à 3 jaar.

  • Slechte prestaties kunnen wijzen op:

    • Cognitieve problemen.

    • Taalproblemen.

    • Onvoldoende spectrale discriminatie.


11
New cards

Spraakaudiometrie

Doel

  • Evaluatie van spraakverstaan.

  • Uiteindelijke doel van cochleaire implantatie.

NVA-lijsten

  • Open-set CVC-woorden.

  • Foneemscore wordt berekend.

  • Afname in vrije veld.

Verwachting

  • Toenemende foneemscore tot minstens 70 dB SPL.

Invloed van

  • CI-ervaring.

  • Prelinguaal versus postlinguaal gehoorverlies.

  • Individuele factoren.

Göttinger-lijsten

Doelgroep

  • Göttinger I: 3-4 jaar.

  • Göttinger II: 5-6 jaar.

Kenmerken

  • Gesloten set.

  • Vier antwoordalternatieven.

  • Woord aanduiden via prenten.

Lilliput-lijsten

  • Vlaamse monosyllabische woorden.

  • Open of gesloten set.

  • Voor kinderen van ongeveer 3-8 jaar.

NVA-kindlijsten

  • Voor kinderen van 6-10 jaar.

Standaard NVA

  • Vanaf 11 jaar.

LIST (Leuven Intelligibility Speech Test)

  • Doel

    • Bepalen van de Speech Reception Threshold (SRT).

  • Kenmerken

    • 35 lijsten.

    • 10 zinnen per lijst.

    • Gelijkaardige moeilijkheidsgraad.

  • Meet

    • Minimale signaal-ruisverhouding nodig voor 50% spraakverstaan.


12
New cards

Bij bilateraal of bimodaal luisteren

Vergelijking van:

  • CI alleen.

  • Hoortoestel alleen.

  • Bilateraal CI.

  • Bimodaal luisteren.

Doel:

  • Prestatievergelijking.

  • Counseling.


13
New cards

Auditieve beoordelingsschalen

  • CAP (Categories of Auditory Performance)

  • LiP (Listening Progress Profile)


14
New cards

CAP (Categories of Auditory Performance)

Doel

  • Opvolgen van auditieve vooruitgang.

Scores

  • 0 = geen bewustzijn van omgevingsgeluiden

  • 1 = bewustzijn van omgevingsgeluiden

  • 2 = reactie op spraakgeluiden

  • 3 = herkennen van omgevingsgeluiden

  • 4 = discrimineren van spraakgeluiden

  • 5 = begrijpen van zinnen zonder liplezen

  • 6 = begrijpen van gesprekken zonder liplezen

  • 7 = telefoneren


15
New cards

LiP (Listening Progress Profile)

Doel

  • Vroege evaluatie na implantatie.

Evalueert

  • Reactie op omgevingsgeluiden.

  • Reactie op stemgeluid.

  • Reactie op muziekinstrumenten.

  • Identificatie van omgevingsgeluiden.

  • Detectie van Ling-klanken.

  • Discriminatie:

    • luid/zacht.

    • lang/kort.

    • enkel/herhaald.

  • Herkennen van naam.

Scoring

  • 0 = nooit

  • 1 = soms

  • 2 = altijd


16
New cards

Productieve spraak- en taalontwikkeling

  • SIR (Speech Intelligibility Rating)

  • N-CDI vragenlijsten

  • Logopedisch onderzoek


17
New cards

SIR (Speech Intelligibility Rating)

Doel

  • Beoordeling van spraakverstaanbaarheid.

Scores

  • 1 = spraak niet verstaanbaar, vooral manuele communicatie

  • 2 = losse woorden verstaanbaar met context of liplezen

  • 3 = verstaanbaar mits concentratie en liplezen

  • 4 = verstaanbaar voor iemand met beperkte ervaring met dove spraak

  • 5 = verstaanbaar voor iedereen in dagelijkse situaties


18
New cards

N-CDI vragenlijsten

N-CDI Woorden en Gebaren

  • Leeftijd: 8-16 maanden.

  • Beoordeelt:

    • Woordbegrip.

    • Woordproductie.

    • Gebruik van gebaren.

N-CDI Woorden en Zinnen

  • Leeftijd: 16-30 maanden.

  • Beoordeelt:

    • Woordbegrip.

    • Woordproductie.

    • Grammaticale ontwikkeling.

Kenmerken

  • Ingevuld door ouders/verzorgers.

  • Vergelijking met normwaarden.


19
New cards

Logopedisch onderzoek

  • Inschatting van spraakontwikkeling.

  • Inschatting van taalontwikkeling.

  • Opvolging van evolutie doorheen de tijd.


20
New cards

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Vragenlijsten

  • Hearing Handicap Inventory (HHI).

  • Glasgow Benefit Inventory (GBI).

  • Client Orientated Scale of Improvement (COSI).

  • Visual Analogue Scale Aural Rehabilitation (VASAR).

  • Nijmegen Cochlear Implant Questionnaire (NCIQ).

  • hAVICOP.

Doel

  • Levenskwaliteit.

  • Psychosociaal functioneren.

  • Gehoorgerelateerde participatie.


21
New cards

Educatieve ontwikkeling

Vlaanderen

  • 94% van de dove kinderen die voldoen aan de criteria krijgt een CI vóór lagere schoolleeftijd.

Kleuteronderwijs

  • 75% start in een dovenschool.

Redenen

  • Kleinere klasgroepen.

  • Taalachterstand.

  • Meer logopedie.

  • Betere akoestiek.

Lager onderwijs

  • 46% volgt regulier onderwijs.

Secundair onderwijs

  • 66% volgt regulier onderwijs.

Ondersteuning

  • 4 uur/week GON-begeleiding.

  • Gebaren- of schrijftolk.

Dove kinderen met CI

  • Maken minder gebruik van een tolk dan dove kinderen zonder CI.

  • Gebruiken vaker een schrijftolk dan een gebarentolk.

Afstandssystemen

  • Roger-systemen.

  • Streamers.

  • FM-systemen.

Doel:

  • Betere verstaanbaarheid in de klas.


22
New cards

Muziekappreciatie

Probleem

CI-gebruikers ervaren vaak beperkingen in muziekperceptie.

Belangrijke componenten

  • Pitch.

  • Ritme.

  • Timbre.

  • Melodie.

Sterkste vaardigheid

  • Ritme wordt meestal relatief goed waargenomen.

Tips

  • Rustige luisteromgeving.

  • Weinig nagalm.

  • Goede geluidsinstallatie.

  • Gepast volume.

  • Visuele ondersteuning:

    • kijken naar muzikant/zanger

    • songtekst volgen

    • noten volgen

Betere muziekervaring bij

  • Bimodaal luisteren.

  • Elektro-akoestische stimulatie.


23
New cards

Beïnvloedende factoren - kids

Leeftijd bij implantatie

  • Best vóór 3 jaar.

  • Mogelijk voordeel vóór 1-2 jaar.

  • Vroege detectie van gehoorverlies is essentieel.

Neonatale screening

  • ALGO-screening.

  • 98% van de neonaten wordt gescreend.

Bijkomende handicaps

  • Tragere evolutie.

  • Lagere spraakperceptiescores.

  • Toch vaak betere levenskwaliteit.

Etiologie

Betere outcome

  • Connexine 26-mutatie.

Minder gunstige outcome

  • Congenitaal CMV.

  • Cochleaire afwijkingen.

  • Vestibulaire afwijkingen.

  • Meningitis.

Moeilijk voorspelbaar

  • ANSD (Auditory Neuropathy Spectrum Disorder).


24
New cards

Beinvloedende factoren - volwassenen

Duur van doofheid

  • Langere auditieve deprivatie = slechtere outcome.

Leeftijd

  • Geen absolute contra-indicatie.

  • Ouderen kunnen nog duidelijke winst behalen.

Onset van doofheid

  • Postlinguaal > prelinguaal qua spraakverstaan.

Preoperatief restgehoor

  • Meer restgehoor → betere outcome.

  • Verband met betere cochlear health.

Etiologie Betere outcome

  • Genetische oorzaken.

  • Ziekte van Ménière.

Minder gunstige outcome

  • Meningitis.

  • Labyrinthitis.

  • Vestibulair schwannoom.

  • Progressieve neuropathieën.

Cognitieve factoren

  • Hebben eveneens invloed op de uiteindelijke resultaten na CI.