1/23
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Algemeen
Cochleaire implantatie wordt vaak gezien als de laatste en meest effectieve oplossing wanneer hoortoestellen onvoldoende helpen.
Resultaten zijn meestal zeer goed:
Kinderen
Vroeg geïmplanteerde kinderen bereiken vaak een bijna normale spraak- en taalontwikkeling.
Kunnen vaak regulier onderwijs volgen.
Volwassenen
Postlinguaal dove volwassenen bereiken vaak open-set spraakverstaan.
Sommigen kunnen opnieuw telefoneren.
Waarom outcome evalueren?
Progressie op te volgen.
Nood aan bijregeling van de spraakprocessor op te sporen.
Revalidatiedoelen te evalueren.
Educatieve doelstellingen bij kinderen op te volgen.
Factoren die de outcome beïnvloeden
Bij interpretatie van resultaten moet rekening gehouden worden met:
Duur van de doofheid
Etiologie van de doofheid
Leeftijd
Pre- of postlinguale doofheid
Gebruik van hoortoestellen vóór implantatie
Bijkomende handicaps
Auditief geheugen
Communicatiemethode (spraak/gebaren)
Gebruik van contralateraal hoortoestel
Draagtijd van CI
Sociale contacten
Domeinen van opvolging
Men onderzoekt:
Auditieve ontwikkeling
Spraak- en taalontwikkeling
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Educationele ontwikkeling
vAudiologische evaluatie
Gebeurt op regelmatige tijdstippen na implantatie.
Afhankelijk van:
Leeftijd.
Fase van het fittingproces.
Resultaten kunnen aanleiding geven tot aanpassing van de spraakprocessor.
Tonale audiometrie
Meting van gehoordrempels in vrije veld
Gebruik
Warble tones.
Unilateraal luisteren.
Streefwaarde
Gemiddeld ± 30 dB HL.
Frequentiebereik: 250-6000 Hz.
Belang
Evaluatie van functionele detectiedrempels.
CI geeft meestal betere hoogfrequente detectie dan klassieke hoortoestellen.
Bij drempels > 30 dB HL is bijkomende fitting aangewezen.
Vooral herbepaling van T-levels is dan belangrijk.
Kinderen
COR (Conditioned Orientation Response).
VRA (Visual Reinforcement Audiometry).
Spelaudiometrie.
Auditory Speech Sounds Evaluation (A§E)
Doel
Taalonafhankelijke evaluatie van cochleaire functies.
Minimale invloed van cognitieve processen.
Onderdelen
Foneemdetectie.
Foneemdiscriminatie.
Foneemidentificatie.
Intonatietesten.
Prosodietesten.
Luidheidsschaling.
Localisatietesten.
Foneemdetectie
Alternatief voor tonale audiometrie.
Geschikt voor kinderen en volwassenen.
Onderzoekt detectie van fonemen op vaste intensiteit.
Fonemen verschillen qua spectrale samenstelling.
Onderzoekt een breed frequentiegebied.
Taalonafhankelijk.
Mogelijk op zeer jonge leeftijd.
Vaak uitgevoerd vóór foneemdiscriminatie.
Foneemdiscriminatie
Doel
Nagaan of verschillende klanken auditief onderscheiden kunnen worden.
Werkwijze
Achtergrondfoneem wordt afgewisseld met stimulusfoneem.
Klanken verschillen enkel in spectrale informatie.
Gelijke duur en luidheid.
Patiënt reageert wanneer stimulusfoneem gehoord wordt.
Kenmerken
Identificatie van de klank is niet nodig.
Mogelijk vanaf ongeveer 10 maanden.
Niet-gediscrimineerde klankparen kunnen wijzen op kanalen die moeten worden bijgeregeld.
Foneemidentificatie
Doel
Nagaan of het aangeboden foneem correct herkend wordt.
Werkwijze
Foneem herhalen.
Mondbeeld aanduiden.
Onomatopee aanduiden.
Kenmerken
Vereist cognitieve en linguïstische vaardigheden.
Minimumleeftijd: ongeveer 2,5 à 3 jaar.
Slechte prestaties kunnen wijzen op:
Cognitieve problemen.
Taalproblemen.
Onvoldoende spectrale discriminatie.
Spraakaudiometrie
Doel
Evaluatie van spraakverstaan.
Uiteindelijke doel van cochleaire implantatie.
NVA-lijsten
Open-set CVC-woorden.
Foneemscore wordt berekend.
Afname in vrije veld.
Verwachting
Toenemende foneemscore tot minstens 70 dB SPL.
Invloed van
CI-ervaring.
Prelinguaal versus postlinguaal gehoorverlies.
Individuele factoren.
Göttinger-lijsten
Doelgroep
Göttinger I: 3-4 jaar.
Göttinger II: 5-6 jaar.
Kenmerken
Gesloten set.
Vier antwoordalternatieven.
Woord aanduiden via prenten.
Lilliput-lijsten
Vlaamse monosyllabische woorden.
Open of gesloten set.
Voor kinderen van ongeveer 3-8 jaar.
NVA-kindlijsten
Voor kinderen van 6-10 jaar.
Standaard NVA
Vanaf 11 jaar.
LIST (Leuven Intelligibility Speech Test)
Doel
Bepalen van de Speech Reception Threshold (SRT).
Kenmerken
35 lijsten.
10 zinnen per lijst.
Gelijkaardige moeilijkheidsgraad.
Meet
Minimale signaal-ruisverhouding nodig voor 50% spraakverstaan.
Bij bilateraal of bimodaal luisteren
Vergelijking van:
CI alleen.
Hoortoestel alleen.
Bilateraal CI.
Bimodaal luisteren.
Doel:
Prestatievergelijking.
Counseling.
Auditieve beoordelingsschalen
CAP (Categories of Auditory Performance)
LiP (Listening Progress Profile)
CAP (Categories of Auditory Performance)
Doel
Opvolgen van auditieve vooruitgang.
Scores
0 = geen bewustzijn van omgevingsgeluiden
1 = bewustzijn van omgevingsgeluiden
2 = reactie op spraakgeluiden
3 = herkennen van omgevingsgeluiden
4 = discrimineren van spraakgeluiden
5 = begrijpen van zinnen zonder liplezen
6 = begrijpen van gesprekken zonder liplezen
7 = telefoneren
LiP (Listening Progress Profile)
Doel
Vroege evaluatie na implantatie.
Evalueert
Reactie op omgevingsgeluiden.
Reactie op stemgeluid.
Reactie op muziekinstrumenten.
Identificatie van omgevingsgeluiden.
Detectie van Ling-klanken.
Discriminatie:
luid/zacht.
lang/kort.
enkel/herhaald.
Herkennen van naam.
Scoring
0 = nooit
1 = soms
2 = altijd
Productieve spraak- en taalontwikkeling
SIR (Speech Intelligibility Rating)
N-CDI vragenlijsten
Logopedisch onderzoek
SIR (Speech Intelligibility Rating)
Doel
Beoordeling van spraakverstaanbaarheid.
Scores
1 = spraak niet verstaanbaar, vooral manuele communicatie
2 = losse woorden verstaanbaar met context of liplezen
3 = verstaanbaar mits concentratie en liplezen
4 = verstaanbaar voor iemand met beperkte ervaring met dove spraak
5 = verstaanbaar voor iedereen in dagelijkse situaties
N-CDI vragenlijsten
N-CDI Woorden en Gebaren
Leeftijd: 8-16 maanden.
Beoordeelt:
Woordbegrip.
Woordproductie.
Gebruik van gebaren.
N-CDI Woorden en Zinnen
Leeftijd: 16-30 maanden.
Beoordeelt:
Woordbegrip.
Woordproductie.
Grammaticale ontwikkeling.
Kenmerken
Ingevuld door ouders/verzorgers.
Vergelijking met normwaarden.
Logopedisch onderzoek
Inschatting van spraakontwikkeling.
Inschatting van taalontwikkeling.
Opvolging van evolutie doorheen de tijd.
Sociaal-emotionele ontwikkeling
Vragenlijsten
Hearing Handicap Inventory (HHI).
Glasgow Benefit Inventory (GBI).
Client Orientated Scale of Improvement (COSI).
Visual Analogue Scale Aural Rehabilitation (VASAR).
Nijmegen Cochlear Implant Questionnaire (NCIQ).
hAVICOP.
Doel
Levenskwaliteit.
Psychosociaal functioneren.
Gehoorgerelateerde participatie.
Educatieve ontwikkeling
Vlaanderen
94% van de dove kinderen die voldoen aan de criteria krijgt een CI vóór lagere schoolleeftijd.
Kleuteronderwijs
75% start in een dovenschool.
Redenen
Kleinere klasgroepen.
Taalachterstand.
Meer logopedie.
Betere akoestiek.
Lager onderwijs
46% volgt regulier onderwijs.
Secundair onderwijs
66% volgt regulier onderwijs.
Ondersteuning
4 uur/week GON-begeleiding.
Gebaren- of schrijftolk.
Dove kinderen met CI
Maken minder gebruik van een tolk dan dove kinderen zonder CI.
Gebruiken vaker een schrijftolk dan een gebarentolk.
Afstandssystemen
Roger-systemen.
Streamers.
FM-systemen.
Doel:
Betere verstaanbaarheid in de klas.
Muziekappreciatie
Probleem
CI-gebruikers ervaren vaak beperkingen in muziekperceptie.
Belangrijke componenten
Pitch.
Ritme.
Timbre.
Melodie.
Sterkste vaardigheid
Ritme wordt meestal relatief goed waargenomen.
Tips
Rustige luisteromgeving.
Weinig nagalm.
Goede geluidsinstallatie.
Gepast volume.
Visuele ondersteuning:
kijken naar muzikant/zanger
songtekst volgen
noten volgen
Betere muziekervaring bij
Bimodaal luisteren.
Elektro-akoestische stimulatie.
Beïnvloedende factoren - kids
Leeftijd bij implantatie
Best vóór 3 jaar.
Mogelijk voordeel vóór 1-2 jaar.
Vroege detectie van gehoorverlies is essentieel.
Neonatale screening
ALGO-screening.
98% van de neonaten wordt gescreend.
Bijkomende handicaps
Tragere evolutie.
Lagere spraakperceptiescores.
Toch vaak betere levenskwaliteit.
Etiologie
Betere outcome
Connexine 26-mutatie.
Minder gunstige outcome
Congenitaal CMV.
Cochleaire afwijkingen.
Vestibulaire afwijkingen.
Meningitis.
Moeilijk voorspelbaar
ANSD (Auditory Neuropathy Spectrum Disorder).
Beinvloedende factoren - volwassenen
Duur van doofheid
Langere auditieve deprivatie = slechtere outcome.
Leeftijd
Geen absolute contra-indicatie.
Ouderen kunnen nog duidelijke winst behalen.
Onset van doofheid
Postlinguaal > prelinguaal qua spraakverstaan.
Preoperatief restgehoor
Meer restgehoor → betere outcome.
Verband met betere cochlear health.
Etiologie Betere outcome
Genetische oorzaken.
Ziekte van Ménière.
Minder gunstige outcome
Meningitis.
Labyrinthitis.
Vestibulair schwannoom.
Progressieve neuropathieën.
Cognitieve factoren
Hebben eveneens invloed op de uiteindelijke resultaten na CI.