1/149
Flashcards voor alle schooltaalwoorden uit het Schooltaalwoordenboek Campus Nederlands (Eerste Graad).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
aantonen
Laten zien dat het zo is.
aanvankelijk
Eerst, in het begin, bij de aanvang (= oorspronkelijk, initieel).
aanvinken
Je duidt met een ✓-teken iemand/ iets aan.
achterhalen
Je komt iets te weten, je ontdekt iets.
actueel
Nu, op dit moment.
advies
Wat je als raad krijgt/geeft, de raadgeving.
afleiden
1 Je laat iemands aandacht afdwalen. 2 Je maakt een woord vanuit een ander woord. 3 Je trekt een besluit uit iets.
akkoord gaan met
1 Het ergens mee eens zijn, het goedvinden (= toestemmen, goedkeuren). 2 Overeenkomen.
allerlei
Verschillende, alle mogelijke soorten (= allerhande).
alternatief
Iets wat je kunt kiezen als het eerste niet doorgaat.
analyse
Onderzoek dat duidelijk maakt hoe dingen in elkaar zitten.
appreciëren
1 Iets op prijs stellen (= waarderen, naar waarde schatten). 2 Beoordelen, evalueren.
authentiek
1 Hetzelfde als het origineel. 2 Betrouwbaar.
automatisch
1 Gedaan door een toestel dat uit zichzelf lijkt te werken, waarvoor mensen niets hoeven te doen, zelfwerkend. 2 Zonder erbij na te denken, onbewust.
begrip
1 Alles wat je onder een algemeen woord verstaat. 2 Wat algemeen bekend is. 3 Het gegeven dat je iemand/iets aanvoelt.
behandelen
1 Omgaan met iemand/iets. 2 Iets bespreken of beschrijven.
beknopt
Bondig (= kort = samengevat).
beoordelen
Je geeft een mening over iemand/ iets.
beperkt
Weinig, klein.
bereiken
1 Je komt op een plaats aan. 2 Je krijgt contact met iemand/ iets. 3 Je behaalt resultaat.
beschouwen
Je voelt iemand/iets aan, je beoordeelt iemand/iets.
beschrijving
Een schets met woorden van iemand/iets.
beseffen
Iets begrijpen (vaak negatief).
beslissen
Je zegt wat er moet gebeuren.
bestuderen
Je onderzoekt iets nauwkeurig.
bewering
Iets wat iemand zegt.
bijdragen
Iets toevoegen.
categorie
Een groep waartoe iets behoort.
checken
1 Controleren of iets wel klopt. 2 Nagaan of er iets veranderd is.
combinatie
Twee of meer dingen bij elkaar gevoegd (= de samenvoeging).
compenseren
Een situatie rechttrekken door iets anders in de plaats te doen.
compleet
1 Volledig. 2 Totaal.
complex
Ingewikkeld.
conclusie
Het besluit, het uiteindelijke standpunt.
concreet
1 Gezegd van iets dat je kunt zien of aanraken. 2 Duidelijk, zodat je nergens naar hoeft te raden, niet vaag (= echt, voorstelbaar, tastbaar).
controleren
1 Je kijkt iets na. 2 Je zorgt ervoor dat je de baas blijft over iets.
coördineren
Ervoor zorgen dat alles netjes geregeld wordt.
correct
Onberispelijk, keurig.
creatief
Gezegd van mensen die gemakkelijk mooie of nieuwe dingen kunnen maken of bedenken (= scheppend, fantasierijk).
criterium
De regel (= de maatstaf).
dergelijk
Zulk, soortgelijk.
destijds
Toen, vroeger.
doeltreffend
Op zo'n manier dat het doel bereikt wordt.
doornemen
1 Iets al lezend bekijken. 2 Iets samen bespreken.
duiding
Extra uitleg.
effect
1 De uitwerking die je hebt op iemand/iets. 2 De bijzondere, draaiende beweging die je aan de bal geeft. 3 Een aandeel in de onderneming dat je kunt kopen.
efficiënt
1 Nuttig, doeltreffend. 2 Snel en met zoveel mogelijk resultaat (= doelmatig, handig).
enquête
Een onderzoek met behulp van een reeks vragen aan verschillende mensen.
ervaren
Je leert iets door ondervinding kennen.
eventueel
Mogelijk.
expert
Een specialist.
fabel
1 Een sprookje met een boodschap. 2 Iets dat ongeloofwaardig is.
feedback
Een reactie om duidelijk te maken hoe iets gegaan is of hoe iets overkwam (= terugkoppeling, reactie).
feilloos
Zonder fouten.
flard
Een klein stukje.
focussen
Je aandacht geconcentreerd richten op iemand/iets.
formulering
Een omschrijving in woorden.
fragment
Het stukje tekst, beeld of geluid uit een groter geheel.
functie
1 De opdracht, de taak. 2 De werking.
gemeenschappelijk
Samen, van iedereen (= gezamenlijk).
geschikt
Gepast, juist voor de omstandigheden.
gestructureerd
Geordend, in elkaar gezet.
getuigenis
Wat je in het openbaar vertelt als je iets hebt meegemaakt.
gevarieerd
Met veel afwisseling.
immens
Zeer groot.
informeren
1 Je geeft inlichtingen. 2 Je vraagt inlichtingen.
ingewikkeld
Moeilijk te begrijpen, niet eenvoudig (= complex, gecompliceerd).
inspiratie
De ingeving.
instructie
1 De aanwijzing hoe je iets moet doen. 2 De les (= het onderricht).
interactie
Omgaan met iemand/iets.
interessant
Boeiend, aantrekkelijk, de moeite waard.
logisch
1 Helder. 2 Vanzelfsprekend.
maatregel
Wat je doet als je iets wilt regelen.
misverstand
Een vergissing waardoor je elkaar verkeerd begrijpt.
moedwillig
Met opzet.
motiveren
1 Je geeft argumenten bij iets. 2 Je zet iemand aan om iets te doen.
nadrukkelijk
Met extra duidelijkheid, nadruk.
nauwelijks
1 Bijna niet (= amper). 2 Nog maar pas (= amper).
negatief
1 Afkeurend, ontkennend. 2 Gezegd van iemand die overal afbrekende kritiek op heeft en die de minder goede kanten van mensen en zaken benadrukt. 3 Getal kleiner dan nul.
observeren
Kijken naar het gedrag van iets/iemand, kijken hoe iets verloopt (= gadeslaan, waarnemen, bekijken).
omstreden
Iemand of iets waarover de meningen verdeeld zijn.
onderscheiden
1 Het verschil tussen twee of meer zaken aantonen. 2 Zien.
ontwikkelen
1 Je doet iets ontstaan en werkt het uit. 2 Je doet iets groeien. 3 Iets groeit.
oordeel
Dat wat je vindt van iets of iemand (= de opvatting, de mening).
oorspronkelijk
In het begin.
opsommen
Je noemt zaken na elkaar op.
ordening
De rangschikking, de plaatsing.
organisatie
1 De regeling, inrichting. 2 De vereniging.
overbodig
Wat je niet nodig hebt of wat niet nodig is.
overkomen
1 Iets onverwacht meemaken. 2 Een boodschap ontvangen. 3 De manier waarop een boodschap aankomt bij de ontvanger.
overlopen
Iets vluchtig bekijken of lezen.
overzichtelijk
Helder gestructureerd.
plots
Plotseling (= opeens).
poging
Wanneer je iets probeert te doen.
precies
1 Zonder fouten (= nauwkeurig). 2 Juist, stipt.
presentatie
De voorstelling.
promoten
Reclame maken voor.
publiceren
Iets dat je hebt geschreven, openbaar maken.
raadplegen
1 Je vraagt hulp. 2 Je zoekt op in een naslagwerk of op het internet.
rangschikken
1 Iets ordenen volgens een bepaalde volgorde of soort (= groeperen, sorteren, schikken). 2 Indelen, opruimen, structureren.