Campus Nederlands - Schooltaalwoordenboek Eerste Graad

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/149

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flashcards voor alle schooltaalwoorden uit het Schooltaalwoordenboek Campus Nederlands (Eerste Graad).

Last updated 6:02 PM on 9/24/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

150 Terms

1
New cards

aantonen

Laten zien dat het zo is.

2
New cards

aanvankelijk

Eerst, in het begin, bij de aanvang (= oorspronkelijk, initieel).

3
New cards

aanvinken

Je duidt met een ✓-teken iemand/ iets aan.

4
New cards

achterhalen

Je komt iets te weten, je ontdekt iets.

5
New cards

actueel

Nu, op dit moment.

6
New cards

advies

Wat je als raad krijgt/geeft, de raadgeving.

7
New cards

afleiden

1 Je laat iemands aandacht afdwalen. 2 Je maakt een woord vanuit een ander woord. 3 Je trekt een besluit uit iets.

8
New cards

akkoord gaan met

1 Het ergens mee eens zijn, het goedvinden (= toestemmen, goedkeuren). 2 Overeenkomen.

9
New cards

allerlei

Verschillende, alle mogelijke soorten (= allerhande).

10
New cards

alternatief

Iets wat je kunt kiezen als het eerste niet doorgaat.

11
New cards

analyse

Onderzoek dat duidelijk maakt hoe dingen in elkaar zitten.

12
New cards

appreciëren

1 Iets op prijs stellen (= waarderen, naar waarde schatten). 2 Beoordelen, evalueren.

13
New cards

authentiek

1 Hetzelfde als het origineel. 2 Betrouwbaar.

14
New cards

automatisch

1 Gedaan door een toestel dat uit zichzelf lijkt te werken, waarvoor mensen niets hoeven te doen, zelfwerkend. 2 Zonder erbij na te denken, onbewust.

15
New cards

begrip

1 Alles wat je onder een algemeen woord verstaat. 2 Wat algemeen bekend is. 3 Het gegeven dat je iemand/iets aanvoelt.

16
New cards

behandelen

1 Omgaan met iemand/iets. 2 Iets bespreken of beschrijven.

17
New cards

beknopt

Bondig (= kort = samengevat).

18
New cards

beoordelen

Je geeft een mening over iemand/ iets.

19
New cards

beperkt

Weinig, klein.

20
New cards

bereiken

1 Je komt op een plaats aan. 2 Je krijgt contact met iemand/ iets. 3 Je behaalt resultaat.

21
New cards

beschouwen

Je voelt iemand/iets aan, je beoordeelt iemand/iets.

22
New cards

beschrijving

Een schets met woorden van iemand/iets.

23
New cards

beseffen

Iets begrijpen (vaak negatief).

24
New cards

beslissen

Je zegt wat er moet gebeuren.

25
New cards

bestuderen

Je onderzoekt iets nauwkeurig.

26
New cards

bewering

Iets wat iemand zegt.

27
New cards

bijdragen

Iets toevoegen.

28
New cards

categorie

Een groep waartoe iets behoort.

29
New cards

checken

1 Controleren of iets wel klopt. 2 Nagaan of er iets veranderd is.

30
New cards

combinatie

Twee of meer dingen bij elkaar gevoegd (= de samenvoeging).

31
New cards

compenseren

Een situatie rechttrekken door iets anders in de plaats te doen.

32
New cards

compleet

1 Volledig. 2 Totaal.

33
New cards

complex

Ingewikkeld.

34
New cards

conclusie

Het besluit, het uiteindelijke standpunt.

35
New cards

concreet

1 Gezegd van iets dat je kunt zien of aanraken. 2 Duidelijk, zodat je nergens naar hoeft te raden, niet vaag (= echt, voorstelbaar, tastbaar).

36
New cards

controleren

1 Je kijkt iets na. 2 Je zorgt ervoor dat je de baas blijft over iets.

37
New cards

coördineren

Ervoor zorgen dat alles netjes geregeld wordt.

38
New cards

correct

Onberispelijk, keurig.

39
New cards

creatief

Gezegd van mensen die gemakkelijk mooie of nieuwe dingen kunnen maken of bedenken (= scheppend, fantasierijk).

40
New cards

criterium

De regel (= de maatstaf).

41
New cards

dergelijk

Zulk, soortgelijk.

42
New cards

destijds

Toen, vroeger.

43
New cards

doeltreffend

Op zo'n manier dat het doel bereikt wordt.

44
New cards

doornemen

1 Iets al lezend bekijken. 2 Iets samen bespreken.

45
New cards

duiding

Extra uitleg.

46
New cards

effect

1 De uitwerking die je hebt op iemand/iets. 2 De bijzondere, draaiende beweging die je aan de bal geeft. 3 Een aandeel in de onderneming dat je kunt kopen.

47
New cards

efficiënt

1 Nuttig, doeltreffend. 2 Snel en met zoveel mogelijk resultaat (= doelmatig, handig).

48
New cards

enquête

Een onderzoek met behulp van een reeks vragen aan verschillende mensen.

49
New cards

ervaren

Je leert iets door ondervinding kennen.

50
New cards

eventueel

Mogelijk.

51
New cards

expert

Een specialist.

52
New cards

fabel

1 Een sprookje met een boodschap. 2 Iets dat ongeloofwaardig is.

53
New cards

feedback

Een reactie om duidelijk te maken hoe iets gegaan is of hoe iets overkwam (= terugkoppeling, reactie).

54
New cards

feilloos

Zonder fouten.

55
New cards

flard

Een klein stukje.

56
New cards

focussen

Je aandacht geconcentreerd richten op iemand/iets.

57
New cards

formulering

Een omschrijving in woorden.

58
New cards

fragment

Het stukje tekst, beeld of geluid uit een groter geheel.

59
New cards

functie

1 De opdracht, de taak. 2 De werking.

60
New cards

gemeenschappelijk

Samen, van iedereen (= gezamenlijk).

61
New cards

geschikt

Gepast, juist voor de omstandigheden.

62
New cards

gestructureerd

Geordend, in elkaar gezet.

63
New cards

getuigenis

Wat je in het openbaar vertelt als je iets hebt meegemaakt.

64
New cards

gevarieerd

Met veel afwisseling.

65
New cards

immens

Zeer groot.

66
New cards

informeren

1 Je geeft inlichtingen. 2 Je vraagt inlichtingen.

67
New cards

ingewikkeld

Moeilijk te begrijpen, niet eenvoudig (= complex, gecompliceerd).

68
New cards

inspiratie

De ingeving.

69
New cards

instructie

1 De aanwijzing hoe je iets moet doen. 2 De les (= het onderricht).

70
New cards

interactie

Omgaan met iemand/iets.

71
New cards

interessant

Boeiend, aantrekkelijk, de moeite waard.

72
New cards

logisch

1 Helder. 2 Vanzelfsprekend.

73
New cards

maatregel

Wat je doet als je iets wilt regelen.

74
New cards

misverstand

Een vergissing waardoor je elkaar verkeerd begrijpt.

75
New cards

moedwillig

Met opzet.

76
New cards

motiveren

1 Je geeft argumenten bij iets. 2 Je zet iemand aan om iets te doen.

77
New cards

nadrukkelijk

Met extra duidelijkheid, nadruk.

78
New cards

nauwelijks

1 Bijna niet (= amper). 2 Nog maar pas (= amper).

79
New cards

negatief

1 Afkeurend, ontkennend. 2 Gezegd van iemand die overal afbrekende kritiek op heeft en die de minder goede kanten van mensen en zaken benadrukt. 3 Getal kleiner dan nul.

80
New cards

observeren

Kijken naar het gedrag van iets/iemand, kijken hoe iets verloopt (= gadeslaan, waarnemen, bekijken).

81
New cards

omstreden

Iemand of iets waarover de meningen verdeeld zijn.

82
New cards

onderscheiden

1 Het verschil tussen twee of meer zaken aantonen. 2 Zien.

83
New cards

ontwikkelen

1 Je doet iets ontstaan en werkt het uit. 2 Je doet iets groeien. 3 Iets groeit.

84
New cards

oordeel

Dat wat je vindt van iets of iemand (= de opvatting, de mening).

85
New cards

oorspronkelijk

In het begin.

86
New cards

opsommen

Je noemt zaken na elkaar op.

87
New cards

ordening

De rangschikking, de plaatsing.

88
New cards

organisatie

1 De regeling, inrichting. 2 De vereniging.

89
New cards

overbodig

Wat je niet nodig hebt of wat niet nodig is.

90
New cards

overkomen

1 Iets onverwacht meemaken. 2 Een boodschap ontvangen. 3 De manier waarop een boodschap aankomt bij de ontvanger.

91
New cards

overlopen

Iets vluchtig bekijken of lezen.

92
New cards

overzichtelijk

Helder gestructureerd.

93
New cards

plots

Plotseling (= opeens).

94
New cards

poging

Wanneer je iets probeert te doen.

95
New cards

precies

1 Zonder fouten (= nauwkeurig). 2 Juist, stipt.

96
New cards

presentatie

De voorstelling.

97
New cards

promoten

Reclame maken voor.

98
New cards

publiceren

Iets dat je hebt geschreven, openbaar maken.

99
New cards

raadplegen

1 Je vraagt hulp. 2 Je zoekt op in een naslagwerk of op het internet.

100
New cards

rangschikken

1 Iets ordenen volgens een bepaalde volgorde of soort (= groeperen, sorteren, schikken). 2 Indelen, opruimen, structureren.