Woordenschat Nederlands

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/48

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een verzameling woordenschatbegrippen met bijbehorende definities en voorbeelden op basis van de lesnotities Nederlands.

49 Terms

1
New cards

Accessoire

Iets dat als aanvulling dient of ergens bij hoort (bijvoorbeeld juwelen).

2
New cards

Additief

Wat aan een product wordt toegevoegd (bijvoorbeeld bewaarmiddelen).

3
New cards

Adept

Een leerling of volgeling (bijvoorbeeld een apostel).

4
New cards

Affiniteit

Verwantschap (bijvoorbeeld met een land).

5
New cards

Denigrerend

Kleinerend of neerbuigend (bijvoorbeeld iemand naar beneden trekken).

6
New cards

Status quo

De huidige situatie zoals die nu is.

7
New cards

Anticiperen

Inschatten op voorhand; maatregelen nemen of handelen op voorhand.

8
New cards

Apathisch

Ongeïnteresseerd, ongevoelig, lusteloos en zonder energie.

9
New cards

Condoleren

Deelneming betuigen na het overlijden van een persoon.

10
New cards

Conform

In overeenstemming met of zoals afgesproken (bijvoorbeeld volgens de regels of afspraken).

11
New cards

Rigide

Zonder soepelheid; moeilijk te veranderen.

12
New cards

Sceptisch

Kritisch, twijfelend en niet zomaar iets gelovend.

13
New cards

Scrupule

Gewetensbezwaren of een schuldgevoel van het geweten dat opspeelt na een fout.

14
New cards

Segregatie

Apartheid of afscheiding (bijvoorbeeld vroeger tussen blank en zwart).

15
New cards

A priori

Vooraf of op voorhand (het tegenovergestelde van a posteriori).

16
New cards

De paria

Iemand die niet geaccepteerd wordt door de groep.

17
New cards

Ad rem

Iemand die (heel) snel en gevat of grappig kan antwoorden.

18
New cards

Ambulant

  1. Niet-bedlegerig (bijvoorbeeld patiënten); 2. Rondtrekkend (bijvoorbeeld straathandel).
19
New cards

De apotheose

De schitterende slotscène van een toneel- of muziekstuk.

20
New cards

Arbitrair

Willekeurig.

21
New cards

Assimileren

Zich aanpassen of gelijkvormig maken (bijvoorbeeld aan een cultuur).

22
New cards

Aversie

Een sterke afkeur of tegenzin tegenover iets of iemand.

23
New cards

Bilateraal

Tweezijdig en wederzijds bindend (bijvoorbeeld een tweezijdig akkoord).

24
New cards

Apert

Voor de hand liggend en logisch.

25
New cards

Compilatie

De bundeling van verschillende elementen tot een geheel (bijvoorbeeld een verzamelwerk).

26
New cards

Compromitteren

In een moeilijke positie brengen.

27
New cards

Concept

De formulering van een brief, een begrip of het uitwerken van een idee.

28
New cards

Concessie

Iets toegeven of verschuiven van het eigen standpunt naar een ander (een compromis sluiten).

29
New cards

Conventie

Een afspraak, regel of gewoonte die door de samenleving wordt aanvaard (bijvoorbeeld 'goedemorgen' zeggen).

30
New cards

Plausibel

Geloofwaardig en logisch klinkend.

31
New cards

Plenair

Voltallig, waarbij iedereen aanwezig is of moet zijn.

32
New cards

Polemiek

Een discussie waarbij mensen of groepen elkaar bekritiseren en hun tegengestelde meningen verdedigen.

33
New cards

Poneren

Een mening of overtuiging naar voren brengen (bijvoorbeeld beweren).

34
New cards

Pontificaal

Nadrukkelijk plechtig; bisschoppelijk of pauselijk gedrag.

35
New cards

Consciëntieus

Gewetensvol.

36
New cards

Controversieel

Gevoelig, taboe en aanleiding gevend tot discussies.

37
New cards

Kafkaiaans

Een absurde, onbegrijpelijke en ingewikkelde toestand die frustratie veroorzaakt.

38
New cards

Reactionair

Tegen vernieuwing zijn en terug willen naar vroeger.

39
New cards

Recalcitrant

Opstandig.

40
New cards

Vicieuze cirkel

Een toestand of kringloop waarin een probleem zichzelf steeds opnieuw veroorzaakt.

41
New cards

Cruciaal

Extreem belangrijk en prioritair.

42
New cards

Culmineren

Verschillende elementen die samenkomen bij één punt of één doel.

43
New cards

De facto

In feite.

44
New cards

Criterium

Een voorwaarde.

45
New cards

Decent

Deftig in uiterlijk of innerlijk; goed verzorgd.

46
New cards

Urgent

Dringend en zo snel mogelijk.

47
New cards

Corrumperen

Iemand omkopen of iemands moraal bederven.

48
New cards

Conclaaf

Een periode van totale afzondering om een belangrijke beslissing te nemen (bijvoorbeeld door kardinalen).

49
New cards

Cultiveren

Iets laten groeien (letterlijk: bomen, fruit, planten; figuurlijk: kennis laten groeien).