1/48
Een verzameling woordenschatbegrippen met bijbehorende definities en voorbeelden op basis van de lesnotities Nederlands.
Accessoire
Iets dat als aanvulling dient of ergens bij hoort (bijvoorbeeld juwelen).
Additief
Wat aan een product wordt toegevoegd (bijvoorbeeld bewaarmiddelen).
Adept
Een leerling of volgeling (bijvoorbeeld een apostel).
Affiniteit
Verwantschap (bijvoorbeeld met een land).
Denigrerend
Kleinerend of neerbuigend (bijvoorbeeld iemand naar beneden trekken).
Status quo
De huidige situatie zoals die nu is.
Anticiperen
Inschatten op voorhand; maatregelen nemen of handelen op voorhand.
Apathisch
Ongeïnteresseerd, ongevoelig, lusteloos en zonder energie.
Condoleren
Deelneming betuigen na het overlijden van een persoon.
Conform
In overeenstemming met of zoals afgesproken (bijvoorbeeld volgens de regels of afspraken).
Rigide
Zonder soepelheid; moeilijk te veranderen.
Sceptisch
Kritisch, twijfelend en niet zomaar iets gelovend.
Scrupule
Gewetensbezwaren of een schuldgevoel van het geweten dat opspeelt na een fout.
Segregatie
Apartheid of afscheiding (bijvoorbeeld vroeger tussen blank en zwart).
A priori
Vooraf of op voorhand (het tegenovergestelde van a posteriori).
De paria
Iemand die niet geaccepteerd wordt door de groep.
Ad rem
Iemand die (heel) snel en gevat of grappig kan antwoorden.
Ambulant
De apotheose
De schitterende slotscène van een toneel- of muziekstuk.
Arbitrair
Willekeurig.
Assimileren
Zich aanpassen of gelijkvormig maken (bijvoorbeeld aan een cultuur).
Aversie
Een sterke afkeur of tegenzin tegenover iets of iemand.
Bilateraal
Tweezijdig en wederzijds bindend (bijvoorbeeld een tweezijdig akkoord).
Apert
Voor de hand liggend en logisch.
Compilatie
De bundeling van verschillende elementen tot een geheel (bijvoorbeeld een verzamelwerk).
Compromitteren
In een moeilijke positie brengen.
Concept
De formulering van een brief, een begrip of het uitwerken van een idee.
Concessie
Iets toegeven of verschuiven van het eigen standpunt naar een ander (een compromis sluiten).
Conventie
Een afspraak, regel of gewoonte die door de samenleving wordt aanvaard (bijvoorbeeld 'goedemorgen' zeggen).
Plausibel
Geloofwaardig en logisch klinkend.
Plenair
Voltallig, waarbij iedereen aanwezig is of moet zijn.
Polemiek
Een discussie waarbij mensen of groepen elkaar bekritiseren en hun tegengestelde meningen verdedigen.
Poneren
Een mening of overtuiging naar voren brengen (bijvoorbeeld beweren).
Pontificaal
Nadrukkelijk plechtig; bisschoppelijk of pauselijk gedrag.
Consciëntieus
Gewetensvol.
Controversieel
Gevoelig, taboe en aanleiding gevend tot discussies.
Kafkaiaans
Een absurde, onbegrijpelijke en ingewikkelde toestand die frustratie veroorzaakt.
Reactionair
Tegen vernieuwing zijn en terug willen naar vroeger.
Recalcitrant
Opstandig.
Vicieuze cirkel
Een toestand of kringloop waarin een probleem zichzelf steeds opnieuw veroorzaakt.
Cruciaal
Extreem belangrijk en prioritair.
Culmineren
Verschillende elementen die samenkomen bij één punt of één doel.
De facto
In feite.
Criterium
Een voorwaarde.
Decent
Deftig in uiterlijk of innerlijk; goed verzorgd.
Urgent
Dringend en zo snel mogelijk.
Corrumperen
Iemand omkopen of iemands moraal bederven.
Conclaaf
Een periode van totale afzondering om een belangrijke beslissing te nemen (bijvoorbeeld door kardinalen).
Cultiveren
Iets laten groeien (letterlijk: bomen, fruit, planten; figuurlijk: kennis laten groeien).