1/50
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat is de verhouding tussen de standfase en de zwaaifase in een volledige gangcyclus?
De standfase beslaat 60% en de zwaaifase beslaat 40% van de gangcyclus.
Hoe wordt de omvang van één volledige gangcyclus gedefinieerd?
Een gangcyclus loopt van het initial contact van één been tot het volgende initial contact van datzelfde been.
Hoe verlopen de overgangen tussen de fasen van de gangcyclus?
De overgangen verlopen geleidelijk; lopen is een vloeiende, continue beweging.
Wat gebeurt er tijdens de fase 'Initial contact' van de gangcyclus?
Dit is het begin van de steunfase waarbij de hiel als eerste de grond raakt (hielcontact of heel strike).
Wat gebeurt er met de voet en het lichaamsgewicht tijdens de 'Loading response'?
De voet wordt gepositioneerd, het lichaamsgewicht wordt overgenomen en de voet gaat naar volledig contact met de grond (foot flat).
Hoe worden impactkrachten opgevangen tijdens de 'Loading response'?
Door gecontroleerde plantairflexie van de enkel en buiging van de knie.
Uit welke twee subfasen bestaat de 'Single leg stance'?
Uit mid-stance en terminal stance.
Welke gewrichtsbewegingen vinden plaats bij de enkel, knie en heup tijdens de 'Pre-swing'?
De enkel maakt een plantairflexiebeweging, wat leidt tot buiging van de knie en de heup.
Wat is de 'vertical shift' van het zwaartepunt bij lopen op normaal tempo?
Het zwaartepunt beweegt lichtelijk omhoog en omlaag in het transversale vlak.
Welke mogelijke oorzaken passen bij een verbrede basis tijdens het lopen?
Cerebellair, sensoor of frontaal.
Welke mogelijke oorzaken passen bij een toegenomen paslengte?
Cerebellair of sensoor.
Welke mogelijke oorzaken passen bij een afgenomen paslengte?
Extrapyramidaal of frontaal.
Welke mogelijke oorzaken passen bij een stijf looppatroon?
Pyramidaal of extrapyramidaal.
Welke oorzaak past bij het toenemen van het loopprobleem in het donker?
Sensoor.
Welke overkoepelende oorzaken passen bij pijn tijdens het lopen?
Neurogene, vasculaire of metabole claudicatie, en een antalgisch looppatroon.
Welke oorzaak past bij een waggelgang?
Myopathisch.
Welke oorzaak past bij het optreden van klapvoeten?
Neurogeen.
Welke specifieke spieren behoren tot de dorsaalflexoren van de enkel?
De m. tibialis anterior, m. extensor digitorum longus en m. extensor hallucis longus.
Hoe heet het looppatroon dat gekarakteriseerd wordt door het optrekken van de knieën tijdens de zwaaifase en wat is het achterliggende probleem?
Een hanentred, met als achterliggend probleem een klapvoet door verzwakte dorsaalflexoren van het onderbeen.
Met welke hulpmiddelen kan een klapvoet/hanentred behandeld worden?
Met een orthese (waarbij de voet meer in dorsaalflexie blijft), een spalk of een dikteband.
Wat is het symptoom 'freezing' bij parkinsonisme?
Moeite met starten en stoppen, waarbij de voeten op de grond lijken vastgeplakt.
Welke arm- en rompsymptomen worden gezien bij het looppatroon van parkinsonisme?
Tremor in de hand, armen bewegen niet mee bij het lopen, geen afwikkeling van de voet, langzaam lopen met kleine schuifelende passen en een voorovergebogen houding.
Wat is de oorzaak van de neiging tot vallen naar voren (propulsie) of achteren (retropulsie) bij parkinsonisme?
Het verlies van posturale reflexen.
Welke twee overkoepelende symptomen (naast de loopstoornissen) zijn kenmerkend voor parkinsonisme?
Bradykinesie (langzame bewegingen) en rigiditeit (stijve spieren en gewrichten).
Wat houdt de oefening 'cueing' in bij parkinsonisme?
Het is een oefening die de patiënt op gang helpt door een externe prikkel te gebruiken om aan te zetten tot beweging, zoals een visuele prikkel of ritmisch tikken.
Wat is het neurologische werkingsmechanisme achter cueing bij parkinsonisme?
Door externe ritmische cues te gebruiken worden andere hersengebieden geactiveerd om een ritme te volgen en bewegingen te coördineren, waardoor de substantia nigra wordt omzeild.
Welke specifieke afwijkingen worden gezien tijdens het lopen bij hemiparese?
Spitsvoet, vleugelstand van de linkerarm, landen op de laterale linker voetrand zonder afwikkeling, asymmetrische paslengte, circumductie en een breed gangspoor.
Hoe uit spasticiteit zich in het algemene looppatroon in Casus 3-4?
In hyperextensie, verminderde rockers, trager lopen en naar achter leunen.
Wat is het verschil in definitie tussen een parese en spasticiteit?
Een parese is verminderde spierkracht (gedeeltelijke verlamming tussen MRC 1 en MRC 4). Spasticiteit is verhoogde spierspanning (hypertonie) met levendige reflexen.
Welke spieren behoren tot de plantairflexoren van de enkel?
M. gastrocnemius, m. soleus, m. tibialis posterior, m. plantaris, m. flexor digitorum longus, m. flexor hallucis longus, m. peroneus longus en m. peroneus brevis.
Wat doet een behandeling met fenol bij spasticiteit en wat blijft ongewijzigd?
Fenol neemt de spasticiteit weg, maar de spieren blijven paretisch.
Wat zijn de voordelen van een fenolinjectie (bijv. in de n. tibialis)?
Het vermindert pijn, verbetert de afwikkeling en laat een orthese beter werken.
Welk alternatief middel kan intramuscular ingespoten worden om spasticiteit tegen te gaan?
Botox.
Welke specifieke afwijkingen vertoont de voet en het been aan de rechterzijde bij de patiënte met cerebrale parese in Casus 2-5?
Een spastisch hemibeeld, bredere voorvoet, puntige hak zonder eeltvorming, functioneel beenlengteverschil van 3-4 cm, calcaneus in varusstand, voorvoet in lichte adductie en beperkte knie-extensie/dorsaalflexie.
Hoe ziet het landing- en afwikkelpatroon van de patiënte in Casus 2-5 eruit tijdens het lopen?
Landing rechts op de voorvoet zonder hielcontact (tenenlopen), rechterknie permanent in flexie, arm in vleugelstand, en afwikkeling van de linkervoet vanaf de voorvoet met de linkerheup in flexie.
Wat is de score en definitie van GMFCS niveau 1?
De patiënt kan lopen zonder restrictie, maar is gelimiteerd in geavanceerde handelingen.
Wat is de score en definitie van GMFCS niveau 2?
De patiënt maakt geen gebruik van hulpmiddelen, maar heeft bij traplopen of lopen op moeilijk terrein steun nodig.
Wat is de score en definitie van GMFCS niveau 3?
De patiënt loopt met krukken of heeft een spierkracht-gestuurde rolstoel nodig.
Wat is de score en definitie van GMFCS niveau 4?
De patiënt heeft een looprek of elektrische rolstoel nodig.
Wat is de score en definitie van GMFCS niveau 5?
Er is bijna geen eigen beweging mogelijk.
Welke behandelingen kunnen bij de patiënt in Casus 2-5 worden ingezet om de stand van de voet en spieren te verbeteren?
Fysiotherapie, een botoxbehandeling, het gipsen van het onderbeen (om de kuitspier te rekken) of een operatie (om knie-extensie te verbeteren).
Wat is HMSN (Hereditaire Sensorische en Motorische Neuropathieën)?
Dit is een progressieve, erfelijke spierziekte die zich uit in een afname van spierkracht, beginnend in de voeten en onderbenen.
Welke klachten en afwijkingen aan de voet heeft de patiënte met HMSN in Casus 2-6?
Pijn bij elke stap, niet kunnen afwikkelen, landen op de middenvoet, nauwelijks afzetten, wondjes op de tenen, verkorte kuitspieren, diepstand van de 1e straal/MTP1, klauwtenen, varuskanteling en tweezijdige voethefferszwakte.
Welke conservatieve behandelmogelijkheden zijn er voor een patiënt met HMSN?
Orthopedisch schoeisel, een orthese, pijnstilling, een wandelstok, bergschoenen of steunzolen.
Welke chirurgische opties bestaan er voor de behandeling van de voetstand bij HMSN?
Het breken en met pinnen rechtzetten van tenen en middenvoetsbeentjes, en het verplaatsen of verlengen van spieren en pezen (zoals het verlengen van de achillespees).
Onderscheid tussen een axonaal en demyeliniserend probleem
Met welk type onderzoek kan onderscheid gemaakt worden tussen een axonaal en een demyeliniserend probleem?
Met een EMG (elektromyografie) / zenuwgeleidingsonderzoek.
Welke twee parameters worden gemeten bij zenuwgeleidingsonderzoek?
Signaalhoogte en signaalsnelheid.
Wat is de bevinding bij zenuwgeleidingsonderzoek bij een axonaal probleem?
Een te laag signaal.
Wat is de bevinding bij zenuwgeleidingsonderzoek bij een demyeliniserend probleem?
Een te traag signaal.