1/184
Looks like no tags are added yet.
parler
spreken
commencer
beginnen
effacer
(uit)wissen
avancer
vooruitgaan
placer
plaatsen
prononcer
uitspreken
lancer
werpen, lanceren
menacer
bedreigen
manger
eten
arranger
regelen
loger
logeren
ranger
opruimen
déranger
storen
changer
veranderen
corriger
verbeteren
déménager
verhuizen
mélanger
mengen, roeren
protéger
beschermen
(se) partager
delen
neiger
sneeuwen
nager
zwemmen
encourager
aanmoedigen
exiger
eisen
voyager
reizen
acheter
kopen
geler
vriezen
lever
optillen
se lever
opstaan
peser
wegen
emmener
meenemen
amener
meebrengen
mener
leiden
se promener
wandelen
appeler
roepen, bellen
s'appeler
heten
se rappeler
zich herinneren
rappeler
herinneren, terugbellen
épeler
spellen
répéter
herhalen
préférer
verkiezen
espérer
hopen
exagérer
overdrijven
s'inquiéter
zich ongerust maken, zich zorgen maken
nettoyer
poetsen
payer
betalen
essuyer
afdrogen, afvegen
essayer
proberen
employer
gebruiken
effrayer
doen schrikken
appuyer
steunen
s'ennuyer
zich vervelen
ennuyer
vervelen
jeter
(weg)gooien
partir
vertrekken
dormir
slapen
mentir
liegen
se sentir
zich voelen
sentir
voelen/ ruiken
servir
bedienen
sortir
naar buiten gaan
ouvrir
openen
couvrir
bedekken
découvrir
ontdekken
offrir
geven, aanbieden, schenken
souffrir
lijden
finir
(be)eindigen
attendre
wachten
rendre
teruggeven
descendre
afdalen
entendre
horen
perdre
verliezen
répondre
antwoorden
vendre
verkopen
prétendre
beweren
mordre
bijten
tendre
reiken
confondre
verwarren
correspondre
overeenkomen
défendre
verdedigen, verbieden
dépendre
afhangen
détendre
ontspannen
se détendre
zich ontspannen (d)
conduire
rijden, leiden
se conduire
zich gedragen
construire
bouwen
cuire
koken, bakken
détruire
vernietigen
introduire
inleiden
produire
produceren
réduire
verminderen
séduire
veleiden
traduire
vertalen
peindre
schilderen
atteindre
bereiken
éteindre
(uit)doven
craindre
vrezen
se plaindre
klagen
se laver
zich wassen
être
zijn
avoir
hebben