1/34
Looks like no tags are added yet.
Wat is stikstof?
Stikstof is een voedingsstof die planten nodig hebben om te groeien. Het is onder andere nodig voor de vorming van eiwitten, DNA en chlorofyl (bladgroen)
Wat zijn de stappen van de stikstofkringloop? (6)
Stikstoffixatie: stikstofgas (N2) uit de lucht wordt door bepaalde bacteriën omgezet in ammoniak/ammonium. Vb is Rhizobiumbacterien die in wortelknolletjes van vlinderbloemigen leven.
Mineralisatie (ammonificatie): bacteriën en schimmels breken dode plantenresten en mest af hierbij ontstaat (NH4+).
Nitrificatie: in eeen zuurstofrijke bodem zetten bacteriën ammonium (NH4+) om in nitriet en vervolgens in nitraat (NO3-). Nitraat kan door planten worden opgenomen maar spoelt ook gemakkelijk uit met regenwater.
Opname door planten (assimilatie): planten nemen vooral ammonium (NH4+) en nitraat (NO3-) op via hun wortels. Ze gebruiken stikstof onder andere om eiwitten te maken.
Immobilisatie: micro-organismen nemen anorganische stikstof op en leggen deze tijdelijk vast in hun eigen lichaamsmateriaal. Daardoor is stikstof tijdelijk minder beschikbaar voor planten.
Verliezen van stikstof:
Uitspoeling: nitraat spoelt met water naar diepere bodem lagen.
Denitrificatie: bij weinig zuurstof zetten bacteriën nitraat om in gasvormige stikstof die naar de lucht verdwijnt.
Volatisatie: stikstof verdwijnt als ammoniakgas (NH3) naar de lucht.
Op welke 3 manieren kan stikstof verloren gaan in een bodem?
Uitspoeling: nitraat spoelt met water naar diepere bodem lagen.
Denitrificatie: bij weinig zuurstof zetten bacteriën nitraat om in gasvormige stikstof die naar de lucht verdwijnt.
Volatisatie: stikstof verdwijnt als ammoniakgas (NH3) naar de lucht.
Wat is fosfor?
Fosfor is nodig voor onder andere DNA, RNA en ATP. ATP is belangrijk voor de energievoorziening van cellen.
Uit welke stappen bestaat de fosforkringloop? (6)
Verwering: fosfor komt vrij uit gesteente door verwering.
Aanvoer: fosfor komt ook in de bodem terecht via mest, kunstmest en organisch materiaal.
Vastlegging: fosfaat kan zich binden aan bodemdeeltjes. Daardoor kan het moeilijker beschikbaar zijn voor planten.
Opname: platen nemen fosfaat op via hun wortels. Mycorrhizaschimmels kunnen daarbij helpen.
Afbraak en mineralisatie: wanneer organismen sterven, breken micro-organismen het organische materiaal af hierdoor komt fosfaat weer vrij.
Verliezen: fosfor kan verloren gaan door erosie en afspoeling van bodemdeeltjes.
Wat is het verschil tussen de stikstof en fosfor kringloop?
Stikstof heeft een belangrijke gasfase en fosfor niet.
Stikstof is redelijke mobiel en kan gemakkelijk uitspoelen.
Fosfaat wordt vaak vastgelegd in de bodem en is daardoor minder mobiel.
Wat zijn macronutriënten?
Macronutriënten zijn voedingsstoffen die planten in relatief grote hoeveelheden nodig hebben.
Stikstof (N)
Fosfor (P)
Kalium (K)
Calcium (Ca)
Magnesium (Mg)
Zwavel (S)
Koolstof en zuurstof en waterstof zijn ook macronutriënten.
Wat zijn micronutriënten?
micornutriënten zijn voedingstoffen die planten in kleine hoeveelheden nodig hebben.
IJzer (Fe)
Zink (Zn)
Mangaan (Mn)
Koper (Cu)
Boor (B)
Molybdeen (Mo)
Wat is de functie, effect te kort en effect overmate van stikstof (N)?
Functie: vorming van eiwitten, DNA en chlorofyl.
Effect te kort: oudere bladeren worden geel en de groei vertraagt.
Effect overmate: snelle, slappe, donkergroene groei: de plant kan gevoeliger zijn voor ziekte.
Wat is de functie, effect te kort en effect overmate van fosfor (P)?
Functie: energievoorziening via ATP. DNA/RNA en wortelgroei.
Effect te kort: trage groei, slechte wortelontwikkeling en soms paarse of rode bladeren.
Effect van overmate: kan te korten aan micronutrienten zoals zink en ijzer veroorzaken.
Wat is de functie, effect te kort en effect overmate van kalium (K)?
Functie: waterhuishouding (en verkoeling), huidmondjes en enzymactivatie.
Effect van te kort: gele bladranden die later afsterven: minder droogte tolerantie.
Effect van overmate: kan de opname van magnesium en calcium afremmen.
Wat is de functie, effect te kort en effect overmate van calcium (Ca)?
Functie: celwand opbouw, membraan stabiliteit en groeipunten.
Effect van te kort: misvormde jonge bladeren en afstervende groeipunten.
Effect van overmate: kan bij hoge pH de beschikbaarheid van ijzer, mangaan en zink verminderen.
Wat is het floeëm?
De vaten voor suikertransport.
Wat is het xyleem?
De vaten voor water en mineralen transport.
Wat is de epidermis?
De buitenstewand van de plant.
Wat is de endodermis?
Een binnen wand van de plant.
(Indoor)
Wat is dissimilatie?
Organische verbindingen worden afgebroken om energie vrij te maken.
Wat is adsorptiecomplex?
Het vermogen om kationen te verwisselen (CEC) verhoogt door organische stof.
Wat is gefaciliteerde diffusie?
Diffusie met behulp van een eiwit.
Wat is diffusie?
Stoffen die zich verplaatsen van een plek waar veel van zijn naar een plek waar minder van zijn.
Wat is antagonisme?
Een stituatie waarin een overheid van een bepaalde stof de opname van een andere stof vermindert.
Welke eigenschappen van de bodem hebben invloed op de vorm en beschikbaarheid van een voedingsstof in de bodem? (5)
pH (zuurgraad): de pH bepaald of voedingsstoffen goed oplossen of juist worden vastgehouden. Bij een te zure of te basische bodem kunnen sommige voedingsstoffen minder goed beschikbaar zijn voor planten.
Water en zuurstof: in een droge bodem kunnen voedingsstoffen moeilijk naar de wortels bewegen. In een erg natte bodem is er juist weinig zuurstof en kunnen voedingsstoffen uitspoelen. Door gebrek aan zuurstof kunnen sommige voedingsstoffen ook. An vorm veranderen.
Bodemstructuur en textuur: zand houdt weinig voedingsstoffen vast, waardoor ze sneller uitspoelen. Klei en humus houden voedingsstoffen beter vast waardoor ze langer in de bodem blijven.
Organische stof en bodemleven: humus kan voedingstoffen vasthouden en weer vrijgeven. Bacteriën, schimmels en andere bodemorganismen breken organisch materiaal af, waardoor voedingsstoffen beschikbaar komen voor de planten.
Temperatuur: bij hogere temperaturen werken bodemorganismen meestal sneller. Hierdoor kunnen voedingsstoffen sneller vrijkomen. Bij lage temperaturen verlopen deze processen langzamer.
Wat is buffering van de bodem?
Buffering van de bodem betekent dat de bodem veranderingen kan opvangen, zodat de pH niet meteen sterk verandert.
Bijvoorbeeld:
Er komt zuur (H⁺) in de bodem → de bodem kan dit deels opvangen/binden.
Daardoor blijft de pH redelijk stabiel.
Klei en organische stof hebben een hoge bufferende werking, omdat ze veel stoffen kunnen binden.
Wat is het effect van eutrofiering op de biodiversiteit?
Eutrofiëring = te veel voedingsstoffen (vooral stikstof en fosfaat) in een ecosysteem.
Effect op biodiversiteit:
Veel voedingsstoffen → snelle groei van algen en bepaalde planten.
Deze soorten gaan andere soorten verdringen.
In water kan een dikke alglaag licht wegnemen van andere planten.
Als algen afsterven, worden ze afgebroken en wordt zuurstof verbruikt.
Daardoor kan zuurstoftekort ontstaan, waardoor dieren/planten verdwijnen.
Voorbeelden en oorzaken van eutrofiëring?
Meststoffen uit de landbouw → stikstof en fosfaat spoelen naar het water.
Mest/uitwerpselen van vee → bevatten veel voedingsstoffen.
Afvalwater en rioolwater → kunnen stikstof en fosfaat bevatten.
Lozingen vanuit industrie → kunnen voedingsstoffen in het water brengen.
Uitspoeling → regen spoelt voedingsstoffen uit de bodem naar sloten en rivieren.
Wat is externe eutrofiering?
De voedingsstoffen komen van buiten het systeem binnen. Vb meststoffen van landbouwgrond spoelen door regen de sloot of het meer in. Hierdoor komen extra stikstof en fosfaat in het water terecht.
Wat is interne eutrofiering?
Het systeem heeft al een “voorraad” nutriënten in de bodem/sediment zitten die weer vrijkomt. Vb fosfaat dat in de bodem/waterbodem opgeslagen zit, komt vrij in het water, waardoor algen extra voedingsstoffen krijgen.
Wat is het effect van grazers bij eutrofiering op de biodiversiteit?
Grazers eten de snelgroeiende, voedselrijke planten op. Daardoor krijgen andere plantensoorten meer ruimte en licht.
Hierdoor kan de biodiversiteit toenemen of behouden blijven.
Wat is synergistisch?
Nutriënt A helft juist dat nutriënt B beter beschikbaar/opneembaar wordt, samen is het effect beter dan apart.
Betekent dat twee factoren elkaar versterken.
Wat is adsorptie en absorptie?
Absorptie = een stof wordt opgenomen ín een materiaal.
Bijvoorbeeld: wortels nemen water en voedingsstoffen op; die komen de wortelcellen binnen.
Adsorptie = een stof hecht zich aan het oppervlak van iets.
Bijvoorbeeld: voedingsstoffen zoals K⁺ en Ca²⁺ hechten aan kleideeltjes in de bodem.
Makkelijk onthouden:
Absorptie = erin
Adsorptie = eraan
Wat is het verschil tussen mobiele en immobiele nutriënten?
Mobiele nutriënten → kunnen makkelijk van oudere naar jongere bladeren worden verplaatst. Bij een tekort zie je daarom eerst oude bladeren geel worden.
Voorbeeld: stikstof (N), fosfor (P), kalium (K).
Immobiele nutriënten → kunnen moeilijk worden verplaatst. Bij een tekort zie je daarom vooral problemen in jonge bladeren/groeipunten.
Voorbeeld: calcium (Ca), ijzer (Fe), boor (B).
Onthouden:
Mobiel → tekort begint onderaan/oud.
Immobiel → tekort begint bovenaan/jong.
Wat is chlorose?
Vergeling of verbleking door afbraak van chlorofyl (bladgroen).
Dat is een symptoom van een nutriënttekort, vaak stikstoftekort.
Stikstoftekort → afbraak van chlorofyl → bladeren worden geel (chlorose).
Omdat stikstof mobiel is, zie je dit meestal eerst bij de oudere bladeren.
Wat is plaggen?
Plaggen = een dunne laag begroeiing + bovenste bodemlaag afsteken en verwijderen.
Wat gebeurt er als je een zure bodem bekalkt?
Als je de bodem bekalkt, voeg je kalk toe om de bodem minder zuur te maken.
pH: stijgt → de bodem wordt minder zuur.
Nutriënten: worden beter beschikbaar voor planten, waardoor planten voedingsstoffen makkelijker kunnen opnemen.
CEC: kan toenemen, waardoor de bodem meer voedingsstoffen kan vasthouden.
Kort voor je flashcards: Bekalken verhoogt de pH van de bodem en verbetert de beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten.
Wat is enzymactivatie?
In een plant betekent enzymactivatie dat enzymen actief worden en bepaalde processen in de plant mogelijk maken of versnellen.
Bijvoorbeeld:
Bij de fotosynthese helpen enzymen bij chemische reacties.
Bij de kieming activeren enzymen de afbraak van opgeslagen voedingsstoffen, zodat de jonge plant energie krijgt om te groeien.
Kort: Enzymactivatie zorgt ervoor dat enzymen in een plant hun functie kunnen uitvoeren, zoals het versnellen van reacties die nodig zijn voor groei en ontwikkeling.