1/39
Flashcards met de belangrijkste begrippen en definities over de celcyclus, mitose, meiose en erfelijk materiaal.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress

Prokaryote cel
Cel zonder celkern waarin het DNA los in het cytoplasma ligt, zonder celcompartimentering of celorganellen (zoals mitochondriën, endoplasmatisch reticulum en Golgi-apparaat). Komt voor bij bacteriën en archaea.
Eukaryote cel
Cel met celkern waarin het DNA is opgerold en voorkomt als chromatine, met celcompartimentering. Komt voor bij alle meercellige en sommige ééncellige organismen.
Nucleotide
Kleinste bouwsteen van DNA, bestaande uit een suiker, een fosfaatgroep en een stikstofbase (A, T, C of G).
DNA
Molecuul (desoxyribonucleïnezuur) waarin de erfelijke informatie ligt opgeslagen.

Chromatine
DNA + eiwitten (histonen); losse, draderige vorm van het genetisch materiaal in de celkern tijdens de interfase.
Chromosoom
Sterk opgerold/gecondenseerd chromatine, vooral zichtbaar tijdens de celdelingsfase.

Homologe paren
Twee overeenkomstige chromosomen die dezelfde genen bevatten: één afkomstig van de moeder en één van de vader. De mens heeft 23 homologe paren (46 chromosomen).
Geslachtschromosomen
Chromosomen die het geslacht bepalen (bij de mens meestal XX of XY).

Diploïd (2n)
Cel met twee sets chromosomen (2n): één set van elke ouder (bijvoorbeeld lichaams- of somatische cellen).
Haploïd (n)
Cel met één set chromosomen (n), zoals bij gameten (zaad- en eicellen).

Celcyclus
Het geheel van groei, DNA-kopie en celdeling (G1→S→G2→celdelingsfase).
Interfase
Periode vóór de celdeling (G1→S→G2) waarin het DNA als ongecondenseerd chromatine aanwezig is.
G1-fase
Fase waarin de cel groeit, haar normale functies uitvoert en zich klaarmaakt voor de deling door onder andere nucleotiden aan te maken.
S-fase
Fase van de interfase waarin het DNA wordt verdubbeld door replicatie.
Replicatie
Het kopiëren van DNA vóór de celdeling.
DNA-polymerase
Enzym dat helpt bij het maken van de nieuwe DNA-streng tijdens replicatie.
G2-fase
Fase waarin de cel verder groeit, een controlepunt uitvoert en zich voorbereidt op de celdeling.
Celdelingsfase
Fase waarin de cel zich daadwerkelijk deelt, bestaande uit kerndeling en cytokinese.
Kernfase
Verdeling van het genetisch materiaal over de nieuwe celkernen.
Cytokinese
Verdeling van het cytoplasma, waardoor nieuwe dochtercellen ontstaan.

Mitose
Verdeling van één celkern in twee genetisch vrijwel gelijke diploïde kernen. Bestaat uit profase, metafase, anafase en telofase.
Centriool
Structuur die helpt bij de vorming van de spoelfiguur, voornamelijk actief in de profase van de mitose.
Spoelfiguur
Structuur van eiwitdraden die chromosomen/chromatiden tijdens de celdeling uit elkaar trekt.
Microtubuli
Dunne eiwitdraden van de spoelfiguur die aan de chromosomen vastzitten.
Centromeer
Plaats waar de twee zusterchromatiden met elkaar verbonden zijn.
Profase
Fase van mitose waarin chromosomen condenseren/zichtbaar worden en de spoelfiguur ontstaat.
Metafase
Fase van mitose waarin de gedupliceerde chromosomen op één lijn op het evenaarsvlak liggen.
Evenaarsvlak
Denkbeeldige lijn/middenvlak waar chromosomen tijdens de metafase liggen.
Anafase
Fase van mitose waarin de zusterchromatiden naar tegenovergestelde polen worden getrokken.
Telofase
Fase van mitose waarin rond beide sets chromosomen nieuwe celkernen ontstaan.

Meiose
Twee opeenvolgende delingen (Meiose I en Meiose II) waarbij uit één diploïde cel vier genetisch verschillende haploïde cellen ontstaan.
Meiose I
Eerste deling van de meiose waarbij de homologe chromosomen van elkaar gescheiden worden.
Tetraden
Twee homologe chromosomen die tijdens profase I van meiose I naast elkaar liggen.
Crossing-over
Uitwisseling van DNA tussen homologe chromosomen tijdens profase I van meiose I.
Mixing
Willekeurige verdeling van chromosomen tijdens metafase I en anafase I van meiose I, wat zorgt voor genetische variatie.
Meiose II
Tweede deling van de meiose waarbij de zusterchromatiden van elkaar gescheiden worden.
Zusterchromatiden
Twee identieke DNA-kopieën van één chromosoom na replicatie.
Genetische variatie
Verschillen in erfelijk materiaal tussen cellen of individuen, bij meiose ontstaan door o.a. crossing-over en mixing.
Dochtercel
Cel die ontstaat na een celdeling.

Resultaat van Mitose vs Meiose
Bij mitose ontstaan uit 2n twee identieke 2n dochtercellen (2n→2n+2n). Bij meiose ontstaan uit 2n vier haploïde n dochtercellen (2n→n+n).