Hart en vaatziekten Leerdoelen deel 2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/37

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

38 Terms

1
New cards

Hoe voer je een gestructureerd eerste-uitgiftegesprek (EU) uit?

Controleer voor wie het middel is en wat de patiënt weet. Bespreek doel, werking, dosering, gebruik, belangrijke bijwerkingen, waarschuwingen, interacties en vergeten doses. Controleer het begrip, beantwoord vragen en sluit aan bij het etiket en de apotheekafspraken.

2
New cards

Welke onderwerpen bespreek je bij de eerste uitgifte van een geneesmiddel?

Indicatie, werking, dosering, tijdstip, wijze van innemen, bijwerkingen, waarschuwingen, interacties, vergeten dosis en eventuele controles.

3
New cards

Hoe controleer je of een patiënt de uitleg bij de eerste uitgifte heeft begrepen?

Stel een terugvraag, bijvoorbeeld: 'Kunt u vertellen hoe u dit geneesmiddel gaat gebruiken?'

4
New cards

Hoe wordt de bloeddruk meestal gemeten?

Met een bloeddrukmanchet om de bovenarm.

5
New cards

Wat zijn systolische en diastolische bloeddruk?

Systolische bloeddruk (bovendruk): druk tijdens het samentrekken van het hart. Diastolische bloeddruk (onderdruk): druk tijdens de ontspanning van het hart.

6
New cards

Hoe meet je de bloeddruk op de juiste manier?

Laat de patiënt enkele minuten rusten, gebruik een passende manchet en ondersteun de arm op harthoogte.

7
New cards

Waarom is een goede bloeddruk belangrijk?

Langdurig hoge bloeddruk kan bloedvaten, hart, hersenen, nieren en ogen beschadigen.

8
New cards

Waarom is één bloeddrukmeting vaak onvoldoende?

De bloeddruk wisselt. Herhaalde metingen thuis of een 24-uursmeting kunnen nodig zijn om hypertensie vast te stellen.

9
New cards

Wat betekent RAAS?

Renine-angiotensine-aldosteronsysteem: een hormonaal systeem dat de bloeddruk en vocht- en zoutbalans regelt.

10
New cards

Wanneer komt renine vrij?

Bij een lage bloeddruk, een laag circulerend bloedvolume of een verminderde doorbloeding van de nieren.

11
New cards

Wat is de volgorde van het RAAS?

Renine zet angiotensinogeen om in angiotensine I. ACE zet angiotensine I om in angiotensine II. Angiotensine II vernauwt bloedvaten en stimuleert aldosteron.

12
New cards

Wat doet aldosteron?

Het zorgt ervoor dat de nieren meer natrium en water vasthouden en meer kalium uitscheiden. Hierdoor kunnen bloedvolume en bloeddruk stijgen.

13
New cards

Welke geneesmiddelengroepen remmen het RAAS?

Renineremmers remmen renine, ACE-remmers remmen de vorming van angiotensine II en ARB's blokkeren de AT1-receptor van angiotensine II.

14
New cards

Welke risicofactoren verhogen het risico op hart- en vaatziekten?

Roken, hoge bloeddruk, ongunstig cholesterol, diabetes, overgewicht, weinig bewegen en ongezonde voeding. Ook leeftijd, biologische sekse, erfelijke aanleg en bestaande hart- en vaatziekten spelen een rol.

15
New cards

Welke risicofactoren voor hart- en vaatziekten zijn beïnvloedbaar?

Onder andere roken, bloeddruk, cholesterol, diabetes, gewicht, beweging en voeding.

16
New cards

Wat is de rol van de trombosedienst?

De trombosedienst begeleidt patiënten die cumarinederivaten gebruiken, controleert de INR en stelt op basis daarvan de dosering vast.

17
New cards

Wanneer krijgt de apotheek te maken met de trombosedienst?

Bij starten, stoppen of wijzigen van medicatie, mogelijke interacties en andere veranderingen die het bloedings- of stollingsrisico beïnvloeden. Volg hierbij de geldende afspraken.

18
New cards

Wat betekent CVRM?

Cardiovasculair risicomanagement.

19
New cards

Wat is het doel van CVRM?

Het totale risico op hart- en vaatziekten en de complicaties daarvan verlagen.

20
New cards

Hoe past de huisarts CVRM toe?

Door risicofactoren te beoordelen, zoals bloeddruk, cholesterol, roken, diabetes, nierfunctie en voorgeschiedenis, en vervolgens leefstijladviezen en zo nodig medicatie aan te bieden.

21
New cards

Wat houdt een gezonde leefstijl in ter preventie van hart- en vaatziekten?

Niet roken, voldoende bewegen, gezond en gevarieerd eten, een gezond gewicht nastreven, alcohol beperken of niet drinken en voldoende slaap en ontspanning.

22
New cards

Welke bloeddruk geldt bij volwassenen in de spreekkamer globaal als niet-verhoogd?

Een bloeddruk onder ongeveer 140/90 mmHg wordt vaak als niet-verhoogd beschouwd. Persoonlijke streefwaarden kunnen verschillen.

23
New cards

Wat is een globale referentiewaarde voor totaal cholesterol?

Totaal cholesterol onder 5 mmol/L wordt vaak als globale laboratoriumreferentie gebruikt. De behandelbeslissing hangt vooral af van LDL-cholesterol en het totale cardiovasculaire risico.

24
New cards

Wat is INR?

International Normalized Ratio: een gestandaardiseerde maat voor de tijd die het bloed nodig heeft om via de extrinsieke stollingsroute te stollen.

25
New cards

Hoe wordt de INR bepaald?

Uit een bloedmonster of vingerprik wordt de protrombinetijd gemeten en omgerekend naar een INR-waarde.

26
New cards

Welke INR heeft iemand doorgaans zonder cumarinederivaten en waarvoor wordt INR gebruikt?

De INR ligt doorgaans rond 1 zonder cumarinederivaten. Bij gebruik van cumarinederivaten wordt de INR gecontroleerd om de dosering af te stemmen op de gewenste stolling.

27
New cards

Waarom wordt INR niet routinematig gebruikt om DOAC's te controleren?

DOAC's werken rechtstreeks op specifieke stollingsfactoren en worden niet met routinematige INR-controles gedoseerd.

28
New cards

Welke leefstijladviezen geef je bij hypercholesterolemie?

Niet roken, voldoende bewegen, een gezond gewicht nastreven, veel groente, fruit en volkorenproducten eten en onverzadigde vetten verkiezen boven verzadigde en transvetten.

29
New cards

Wanneer is medicatie bij hypercholesterolemie nodig?

Dit hangt af van het totale cardiovasculaire risico en eventuele bestaande hart- en vaatziekte. Als medicatie nodig is, is een statine meestal de eerste keus.

30
New cards

Uit welke drie grote stappen bestaat de bloedstolling?

Primaire hemostase: bloedplaatjes vormen een prop. Secundaire hemostase: stollingsfactoren vormen fibrine en verstevigen de prop. Fibrinolyse: het stolsel wordt afgebroken.

31
New cards

Welke factoren kunnen de bloedstolling of het tromboserisico beïnvloeden?

Vaatwandbeschadiging, immobiliteit of trage bloedstroom, verhoogde stollingsneiging, leverziekte, vitamine-K-status, afwijkingen van bloedplaatjes of stollingsfactoren, erfelijke aandoeningen en geneesmiddelen.

32
New cards

Welke geneesmiddelen voorkomen of behandelen trombose?

Anticoagulantia zoals heparines, cumarinederivaten en DOAC's; trombocytenaggregatieremmers zoals acetylsalicylzuur en clopidogrel; en in geselecteerde acute situaties trombolytica.

33
New cards

Wat is het verschil tussen anticoagulantia, trombocytenaggregatieremmers en trombolytica?

Anticoagulantia remmen de stolling en de vorming of uitbreiding van stolsels. Trombocytenaggregatieremmers remmen het samenklonteren van bloedplaatjes. Trombolytica breken een bestaand stolsel af.

34
New cards

Hoe interpreteer je een medicatieoverzicht?

Controleer per middel de naam, werkzame stof, sterkte, dosering, toedieningsvorm en indicatie. Beoordeel ook relevante waarschuwingen en interacties.

35
New cards

Waarvoor worden metoprolol, perindopril en losartan gebruikt?

Metoprolol is een bètablokker, onder andere voor bloeddruk en hartslag. Perindopril is een ACE-remmer en losartan een ARB; beide worden onder andere gebruikt bij hypertensie. De precieze indicatie hangt af van de patiënt.

36
New cards

Waarvoor worden amlodipine, furosemide en atorvastatine gebruikt?

Amlodipine is een calciumantagonist voor onder andere hypertensie en angina pectoris. Furosemide is een lisdiureticum bij onder andere oedeem en hartfalen. Atorvastatine is een statine die LDL-cholesterol verlaagt.

37
New cards

Waarvoor worden acenocoumarol, apixaban en clopidogrel gebruikt?

Acenocoumarol is een cumarinederivaat, apixaban een DOAC en clopidogrel een trombocytenaggregatieremmer. Ze worden gebruikt voor verschillende indicaties ter preventie of behandeling van stolselvorming.

38
New cards

Waarom kun je de indicatie niet altijd met zekerheid uit een geneesmiddelnaam afleiden?

Eén geneesmiddel kan meerdere indicaties hebben. De werkelijke indicatie moet zo nodig worden gecontroleerd in het patiëntdossier of de receptcontext.